Menu

Het jaar in vogelvlucht

** Dit voorwoord heeft betrekking op de activiteiten van de ECB in 2019. Het werd afgerond vóór de uitbraak van de coronapandemie (Covid-19). De economische situatie en de beleidsmaatregelen van de ECB zijn sindsdien aanzienlijk gewijzigd. De ECB zal binnen haar mandaat al het nodige doen om het eurogebied door deze crisis te helpen. **

In 2019 vierde de euro zijn 20e verjaardag. Bij de Eurobarometer-peiling van november bereikte de steun voor de gemeenschappelijke munt bij de burgers van het eurogebied een recordpeil van 76%.

De economische groei van het eurogebied is in 2019 verder teruggelopen tot 1,2%, tegen 1,9% in het voorgaande jaar. De aanhoudende groei werd geschraagd door gunstige financieringsvoorwaarden, de verder toenemende werkgelegenheid en de gematigde begrotingsverruiming, hoewel de mondiale onzekerheid in verband met de handel met name een rem zette op de verwerkende industrie en de investeringen.

De arbeidsmarkten in het eurogebied zijn in 2019 verder verbeterd. De werkloosheid liep verder terug tot 7,6% en de loongroei bleef stevig, in de buurt van het langetermijngemiddelde.

De totale inflatie in het eurogebied beliep in 2019 gemiddeld 1,2%, tegen 1,8% in 2018. Deze daling weerspiegelde de lagere bijdragen van de twee meer volatiele componenten, energie en voedsel. Zonder deze twee componenten bedroeg de inflatie in 2019 gemiddeld 1,0%, evenveel als in de twee voorgaande jaren.

Tegen die achtergrond heeft de Raad van Bestuur van de ECB het monetair beleid in 2019 in drie opeenvolgende stappen verder versoepeld. De maatregelen omvatten een nieuwe reeks gerichte langerlopende herfinancieringstransacties, een uitbreiding van onze forward guidance, een verlaging van de rente op de depositofaciliteit en de hervatting van ons programma voor de aankoop van activa. Eind 2019 verschenen de eerste tekenen van een stabilisatie van de groeidynamiek en een lichte stijging van de onderliggende inflatie.

Bij de beoordeling van het gevoerde beleid houdt de Raad van Bestuur rekening met de gevolgen van mogelijke neveneffecten van onze maatregelen. In die geest werd een tweeledig systeem voor de vergoeding van reserves ingevoerd, waarbij een gedeelte van de overtollige kasmiddelen van de banken van de negatieve depositorente wordt vrijgesteld, teneinde de transmissie van het monetaire beleid via de banken te verzekeren.

De structureel lage winstgevendheid blijft een uitdaging voor de banken in het eurogebied, hoewel de sector voldoende gekapitaliseerd is, met een tier 1-kernkapitaalratio van 14,2%. In 2019 werd het ontstaan van kwetsbaarheden voor activaprijzen verder in de hand gewerkt doordat nog steeds grote risico’s werden genomen op de financiële markten en de vastgoedmarkten, terwijl de risico’s in de groeiende niet-bancaire financiële sector verder opliepen. In overleg met de ECB namen de landen van het eurogebied een aantal macroprudentiële maatregelen om systeemrisico's te temperen en de weerbaarheid ertegen te vergroten.

Het Eurosysteem heeft zijn inspanningen voortgezet om de goede werking van het betalingsverkeer te waarborgen. Die inspanningen omvatten de voorbereidingen voor de vervanging van TARGET2 door een nieuw, modern real-time bruto-vereveningssysteem en de vaststelling van een nieuwe strategie voor retailbetalingen. De strategie ondersteunt de ontwikkeling van een marktgestuurde pan-Europese oplossing voor decentrale POI-betalingen (point of interaction), als aanvulling op het succesvolle gemeenschappelijke Europese betalingsgebied.

Op 2 oktober startte de publicatie van een nieuw eendaags referentietarief €STR (euro short-term rate), dat de huidige referentierentie Eonia tegen januari 2022 moet vervangen. De dagelijkse productie van €STR heeft goed gewerkt en de methodologie is betrouwbaar gebleken.

De ECB blijft het effect van de klimaatverandering op de vooruitzichten voor prijsstabiliteit en het financiële stelsel zorgvuldig bestuderen. Daarbij is het zaak inzicht te krijgen in de koolstofintensiteit van de kredietportefeuilles van banken en een analytisch kader te ontwikkelen voor een proefproject om de klimaatrisico’s voor de banksector in het eurogebied aan een stresstestanalyse te onderwerpen. De ECB levert via haar eigen investeringsbesluiten en milieumaatregelen een bijdrage aan de strijd tegen de klimaatverandering. Tussen 2008 en 2018 heeft de ECB de CO2-uitstoot en het energieverbruik per werkplek met respectievelijk 74% en 54% verminderd.

In 2019 werd weer sterker de nadruk gelegd op contacten met een breder publiek dan de financiële markten en deskundigen, en op meer aandacht voor de zorgen van de burgers. Daartoe werden initiatieven ondernomen als de wedstrijd #EUROat20, een nieuwe reeks video's onder de titel “The ECB explains” en een maandelijkse podcast.

Frankfurt am Main, mei 2020

Christine Lagarde

President


Het jaar in cijfers

  


1 Gematigde economische bedrijvigheid in het eurogebied en zwakke inflatiedruk

Na een piek medio 2018 is de wereldeconomie in 2019 aanzienlijk vertraagd terwijl de handelsgerelateerde onzekerheid in 2019 sterk toenam. De vertraging was algemeen en gesynchroniseerd tussen landen. In dit verband matigde de economische groei in het eurogebied verder, naar 1,2% tegenover 1,9% in het voorgaande jaar. De groeimatiging in 2019 was voornamelijk het gevolg van de zwakkere internationale handel in een klimaat van aanhoudende wereldwijde onzekerheid. Tegelijkertijd werd de vertraging opgevangen door gunstige financieringsvoorwaarden, verdere werkgelegenheidsgroei en stijgende lonen, het licht expansieve begrotingsbeleid in het eurogebied en de verdere – zij het tragere – groei van de mondiale bedrijvigheid. De arbeidsmarkten in het eurogebied trokken verder aan, terwijl de productiviteitsgroei substantieel vertraagde. De inflatiedruk is gematigd gebleven. De totale inflatie daalde naar 1,2% als gevolg van de lagere energie- en voedselinflatie, terwijl de onderliggende inflatie gematigd bleef. De gunstige financieringsvoorwaarden bleven de kredietverlening en de geldgroei ondersteunen. De rendementen op overheidsobligaties in het eurogebied zijn aanzienlijk gedaald, terwijl de aandelenkoersen in het eurogebied vooral stegen als gevolg van lagere discontovoeten. De vermogens van huishoudens werden ondersteund door de hogere waarderingen van reële en financiële activa.


1.1 De wereldeconomie is aanzienlijk vertraagd

De wereldeconomie is in 2019 aanzienlijk vertraagd en de vertraging was algemeen en gesynchroniseerd tussen landen

In de loop van 2019 is de wereldwijde economische groei sterk afgenomen. Na medio 2018 een hoogtepunt te hebben bereikt, vertraagde de wereldeconomie aanzienlijk en groeide in een tempo dat ver onder het historische gemiddelde lag en het laagste was sinds de wereldwijde financiële crisis (zie Grafiek 1). Deze wereldwijde vertraging was algemeen en gesynchroniseerd tussen landen. In grote ontwikkelde economieën, zoals de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Japan, kwam dit neer op een daling van bovengemiddelde groeipercentages. In China vertraagde de groei naar het laagste tempo sinds 1990 en lag hij rond het huidige geschatte potentiële groeipercentage. In andere grote opkomende markteconomieën was de groei over het algemeen zwak, deels als gevolg van een langzaam herstel van recente recessies.

Grafiek 1

Mondiale bbp-groei

(mutaties in procenten per jaar; kwartaalgegevens)

Bronnen: Haver Analytics, nationale gegevens en berekeningen van de ECB.
Toelichting: Regionale aggregaten worden berekend op basis van het bbp, gewogen ten opzichte van de koopkrachtpariteiten. De doorgetrokken lijnen refereren aan gegevens en lopen tot aan het vierde kwartaal van 2019. De onderbroken lijnen geven de langjarige gemiddelden aan tussen het eerste kwartaal van 1999 en het vierde kwartaal van 2019. De meest recente waarnemingen betreffen 10 maart 2020.

De wereldwijde vertraging van de economie was het gevolg van een daling van de productie in de verwerkende industrie en een aanzienlijk geringere groei van de handel en de investeringen. De outputgroei van de dienstensector is daarentegen in mindere mate gematigd, ondersteund door een vrij robuuste consumptiegroei en een voortdurende verbetering van de arbeidsmarkten.

De groei van de handel en de investeringen nam in 2019 aanzienlijk af, onder invloed van een sterke toename van de handelsgerelateerde onzekerheid

De handelsgerelateerde onzekerheid nam sterk toe en bleef hoog, waardoor de wereldeconomie werd verzwakt. De handelsspanningen tussen de Verenigde Staten en China escaleerden, zoals bleek uit verschillende indicatoren.[1] Beide landen hebben de heffingen op hun bilaterale handel verhoogd. Tegen het einde van 2019 was het grootste deel van de bilaterale handel tussen de VS en China onderworpen aan hogere heffingen. De handelsonzekerheid nam enigszins af doordat in december een “fase één”-handelsakkoord werd aangekondigd nadat medio oktober extra onderhandelingen hadden plaatsgevonden tussen de twee landen. Het akkoord werd getekend op 15 januari 2020. Tegen een achtergrond van verhevigde handelsspanningen leidde de stijging van de heffingen tot een scherpe daling van de handel, terwijl de toegenomen onzekerheid en het verslechterende economisch sentiment de investeringsgroei in 2019 belemmerden (zie Grafiek 2).

Grafiek 2

Groei van de wereldhandel

(mutaties in procenten per jaar; kwartaalgegevens)

Bronnen: Haver Analytics, nationale gegevens en berekeningen van de ECB.
Toelichting: De groei van de wereldhandel wordt gedefinieerd als de groei van de wereldwijde invoer, met inbegrip van het eurogebied. De doorgetrokken lijnen refereren aan gegevens en lopen tot aan het vierde kwartaal van 2019. De onderbroken lijnen geven de langjarige gemiddelden (tussen het vierde kwartaal van 1999 en het vierde kwartaal van 2019) aan. De meest recente waarnemingen betreffen 10 maart 2020.

De totale inflatie daalde, maar de kerninflatie bleef grotendeels stabiel

De mondiale inflatie is in 2019 gematigd gebleven, als gevolg van de zwakke mondiale groei (zie Grafiek 3). In het OESO-gebied is de totale jaarlijkse consumptieprijsinflatie gedaald van ongeveer 3% in de tweede helft van 2018 naar 2,1% in december 2019 als gevolg van dalende energieprijzen en een vertragende inflatie van de voedselprijzen. De onderliggende inflatie (met uitzondering van energie en voedsel) is in de loop van het jaar echter relatief stabiel gebleven op ongeveer 2%.

Grafiek 3

Inflatie in het OESO-gebied

(mutaties in procenten per jaar; maandgegevens)

Bron: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.
Toelichting: De meest recente waarnemingen betreffen december 2019.

De olieprijzen fluctueerden als gevolg van de dynamiek van de olievoorziening en de verwachtingen ten aanzien van de mondiale vraag

De olieprijzen varieerden in de loop van het jaar, als gevolg van de dynamiek van de olievoorziening in de eerste helft van het jaar en de verwachtingen ten aanzien van de mondiale vraag in de tweede helft. De olieprijs fluctueerde in 2019 tussen USD 53 per vat en USD 74 per vat. In de eerste helft van het jaar steunde de groter dan verwachte productieverlagingen door de OPEC+ (een groep van grote olieproducenten), alsook de geopolitieke spanningen, een opwaartse tendens in de olieprijzen. In de tweede helft van het jaar daalden de olieprijzen in verband met bezorgdheid over de handelsspanningen en de mogelijke gevolgen daarvan voor de wereldeconomie. De gevolgen van de uitval van het aanbod in Saudi-Arabië na een aanval met drones op 14 september waren van korte duur, aangezien grote voorraden en het snelle herstel van de productiecapaciteit de schok deels hebben opgevangen.

De wisselkoers van de euro is gedaald ten opzichte van valuta’s van handelspartners van het eurogebied

In nominaal-effectieve termen daalde de waarde van de euro in de loop van 2019 met 1,6% (zie Grafiek 4). Bilateraal beschouwd was dit het gevolg van een waardevermindering van de euro ten opzichte van de Amerikaanse dollar en de Japanse yen. De wisselkoers van het pond sterling daalde eveneens, maar vertoonde in de loop van 2019 een aanzienlijke volatiliteit, voornamelijk vanwege de veranderende ontwikkelingen omtrent de brexit.

Grafiek 4

De wisselkoers van de euro

(daggegevens; 1 januari 2015 = 100)

Bronnen: Bloomberg, Hamburgisches WeltWirtschaftsInstitut, ECB en berekeningen van de ECB.
Toelichting: Nominaal-effectieve wisselkoers ten opzichte van 38 belangrijke handelspartners. De meest recente waarnemingen betreffen 31 december 2019.

De risico’s ten aanzien van de vooruitzichten voor de wereldeconomie waren neerwaarts gericht

Eind 2019 behelsden de mondiale groeivooruitzichten een matiging van de groei, daar de conjunctuurcyclus in ontwikkelde economieën een rijpere fase inging en China geleidelijk overging naar een lager groeipad, terwijl het herstel in andere opkomende markteconomieën kwetsbaar bleef. Deze vooruitzichten waren onzeker en de risico’s ten aanzien van de mondiale bedrijvigheid waren per saldo neerwaarts gericht.[2] Voor zover de zwakte van de verwerkende sector doorwerkte in de dienstensector zou de mondiale bedrijvigheid sneller kunnen vertragen. In China zou een sterkere vertraging een groter effect kunnen hebben op de wereldeconomie, terwijl een escalatie van het handelsgeschil de negatieve gevolgen voor de wereldwijde handelsstromen zou verergeren. Met name in Europa bestond het risico dat de Verenigde Staten handelsheffingen zouden opleggen op bepaalde goederen uit verschillende landen. In het algemeen zouden opgelopen geopolitieke spanningen negatieve gevolgen kunnen hebben voor de wereldwijde groei en handel. Daarnaast was er, ondanks de ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, onzekerheid over de toekomstige relatie tussen de EU en het VK en bleven de resultaten van de onderhandelingen een neerwaarts risico. Bovendien zou een scherpe herprijzing op de mondiale financiële markten de risicobereidheid wereldwijd kunnen aantasten en de reële economische bedrijvigheid beïnvloeden.


1.2 De economische groei in het eurogebied matigde, terwijl de arbeidsmarkten bleven aantrekken

De reële bbp-groei op jaarbasis in het eurogebied is in 2019 verder gematigd en kwam uit op 1,2%, na een groei van 1,9% in het voorgaande jaar (zie Grafiek 5). In tegenstelling tot de groeivertraging die plaatsvond in 2018, die het gevolg was van de zwakkere groei van zowel de buitenlandse als de binnenlandse vraag, was de groeimatiging in 2019 voornamelijk het gevolg van een duidelijke afzwakking van de internationale handel tegen een achtergrond van aanhoudende wereldwijde onzekerheid. Tegelijkertijd bleef de groei van het eurogebied ondersteund door gunstige financieringsvoorwaarden, verdere werkgelegenheidsgroei en stijgende lonen, de licht expansieve begrotingskoers in het eurogebied en de verdere – zij het langzamere – groei van de mondiale bedrijvigheid.

Grafiek 5

Reëel bbp van het eurogebied

(mutaties in procenten per jaar; bijdragen in procentpunten)

Bronnen: Eurostat en berekeningen van de ECB.
Toelichting: De jaar-op-jaargroei van het bbp voor het vierde kwartaal van 2019 betreft de voorlopige flashraming, terwijl de meest recente waarnemingen voor de componenten het derde kwartaal van 2019 betreffen.

Op de binnenlandse markt gerichte sectoren zijn in 2019 veerkrachtiger gebleken

De outputgroei werd in 2019 aangedreven door de dienstensector en de bouwnijverheid, die voortdurend veerkracht vertoonden als gevolg van de robuuste binnenlandse vraag in het eurogebied. De bedrijvigheid van de industriële sector in het eurogebied zwakte verder af (zie Grafiek 6). Dit weerspiegelde de negatieve gevolgen van de zwakke buitenlandse vraag. Er waren daarentegen slechts beperkte aanwijzingen dat de zwakkere buitenlandse vraag in 2019 gevolgen had voor de dienstensector.[3]

Grafiek 6

Reële bruto toegevoegde waarde naar bedrijfstak in het eurogebied

(index: K1 2010 = 100)

Bronnen: Eurostat en berekeningen van de ECB.
Toelichting: De meest recente waarnemingen betreffen het derde kwartaal van 2019.

In 2019 bleef de binnenlandse vraag een positieve bijdrage leveren aan de groei van het eurogebied, tegen een achtergrond van gunstige financieringsvoorwaarden en aantrekkende arbeidsmarkten. De particuliere consumptie bleef, evenals het consumentenvertrouwen, in 2019 veerkrachtig (zie Kader 1). De bestedingen van de huishoudens werden ondersteund door de stijgende werkgelegenheid en lonen, die hebben geleid tot een toename van het totale arbeidsinkomen. Na de geleidelijke vertraging vanaf 2018 bleven de bedrijfsinvesteringen in 2019 bescheiden. Een veel minder dynamische externe omgeving en toegenomen mondiale onzekerheid drukten op de investeringsbeslissingen van bedrijven. Desalniettemin, en ondanks de bescheiden ontwikkeling van de winstgevendheid van bedrijven en afnemende capaciteitsbenutting, bleven bedrijfsinvesteringen een positieve bijdrage leveren aan de economische groei, gesteund door gunstige financieringsvoorwaarden. Met name de groei van investeringen in intellectuele-eigendomsproducten, die vaak volatiel zijn, waren sterk.[4] Tegelijkertijd was er sprake van een vertraging van de investeringen in woningen na een sterk en langdurig herstel in eerdere jaren, naast een matiging van de dynamiek in de huizenmarkten van het eurogebied. Deze vertraging heeft vooral te maken gehad met de steeds dwingender wordende beperking van het woningaanbod – met name als gevolg van een tekort aan arbeidskrachten, knelpunten in de regelgeving en het schuldafbouwproces – waardoor de groei in de bouwsector in de loop van 2019 beperkt is gebleven.

Kader 1
De consumptie en het sentiment van de huishoudens bleven veerkrachtig

In 2019 bleven de dienstensector en de detailhandel over het algemeen veerkrachtig terwijl de economie van het eurogebied vertraagde, ondanks enige matiging van de groei in deze sectoren. De particuliere consumptie vertegenwoordigt een belangrijk deel van de vraag in de dienstensector en de detailhandel. In dit verband wordt in dit kader meer aandacht besteed aan het consumentenvertrouwen in het eurogebied, waarbij de redenen worden besproken voor de relatieve veerkracht van de consumentenuitgaven.

Het sentiment van consumenten is gestabiliseerd en bleef beter dan in andere sectoren

De economische vertraging in 2019 weerspiegelde voornamelijk de zwakkere internationale handel, naast de versterkte mondiale onzekerheid, die op haar beurt voornamelijk drukte op de verwerkende industrie in het eurogebied. Ondanks enige matiging bleven de dienstensector en de detailhandel veerkrachtig. Dit is duidelijk te zien in Grafiek A, die het sentiment in verschillende sectoren van de economie van het eurogebied weergeeft. De Economic Sentiment Indicator (ESI) van de Europese Commissie is een gewogen gemiddelde van het vertrouwen in de industrie ongerekend de bouwnijverheid (met een gewicht van 40%), de dienstensector (30%), de bouwnijverheid (5%), de detailhandel (5%) en de huishoudens (20%). Zoals is te zien, is de vertraging van de meer op de binnenlandse markt gerichte sectoren (d.w.z. de bouwnijverheid, de dienstensector, de detailhandel en de huishoudens) veel minder uitgesproken geweest dan in de verwerkende industrie.

Grafiek A

Vertrouwen in het eurogebied – uitsplitsing per sector

(gestandaardiseerde percentages)

Bronnen: Europese Commissie en berekeningen van de ECB.

De particuliere consumptie bleef over het algemeen veerkrachtig in 2019

De groei van de particuliere consumptie werd in 2019 gesteund door de aanhoudende groei van het reële beschikbare inkomen, die op zijn beurt werd gesteund door een veerkrachtige arbeidsmarkt. Het arbeidsinkomen heeft geprofiteerd van zowel de voortgezette stijging van de lonen als de werkgelegenheidsgroei, hoewel deze laatste vertraging vertoont. Daarnaast zullen directe belastingen, sociale premies en overdrachten over het algemeen een gering positief effect hebben gehad op de inkomensgroei, in tegenstelling tot 2018, toen zij nog steeds de inkomensgroei temperden (zie Grafiek B). De bijdrage van het exploitatie-overschot en het inkomen uit vermogen, die veelal nauw verband houden met de economische bedrijvigheid, is in 2019 enigszins negatief geworden, nadat deze sinds 2015 positief was geweest.

Grafiek B

Reële particuliere consumptie en besteedbaar inkomen

(mutaties in procenten per jaar; bijdragen in procentpunten)

Bronnen: Eurostat en berekeningen van de ECB.

Bepalende factoren voor het consumentenvertrouwen

Voor de indicator voor het consumentenvertrouwen van de Commissie wordt het gemiddelde genomen van vier subindexcijfers die betrekking hebben op de perceptie van financiële en economische ontwikkelingen in het verleden en de verwachtingen ten aanzien van toekomstige ontwikkelingen in de komende twaalf maanden (zie Grafiek C).[5] Eén subindex heeft betrekking op de beoordeling van de algemene economische situatie in het land, terwijl de andere betrekking hebben op de financiële situatie van huishoudens. Uit de ontwikkelingen in deze subindexcijfers blijkt dat huishoudens een veel optimistischer beeld van hun persoonlijke situatie hadden, wat hoofdzakelijk de aanhoudende veerkracht van de arbeidsmarkt weerspiegelt, die de inkomens van huishoudens grotendeels hebben afgeschermd tegen de economische vertraging.

Grafiek C

Particuliere consumptie en consumentenvertrouwen

(mutaties in procenten per jaar; gestandaardiseerde percentages)

Bronnen: Eurostat, Europese Commissie en berekeningen van de ECB.
Toelichting: De enquêtegegevens zijn gestandaardiseerd op basis van het gemiddelde en de standaardafwijking van de jaarlijkse groei van de particuliere consumptie sinds 2010.

De robuuste ontwikkelingen op de arbeidsmarkt – in combinatie met de stijgende lonen, gunstige financieringsvoorwaarden en de verbeterende financiële positie van huishoudens – verklaren grotendeels waarom het consumentenvertrouwen in het eurogebied in 2019 hoog bleef, wat de particuliere consumptie ondersteunde. In de context van een veerkrachtige binnenlandse vraag en een zwakke buitenlandse vraag blijft de ECB binnenkomende gegevens nauwgezet monitoren om het risico van negatieve overloopeffecten van de externe sector naar de binnenlandse sector te beoordelen.

De externe sector heeft in 2019 een netto negatieve bijdrage geleverd aan de output van het eurogebied. Met uitzondering van de uitvoer naar de Verenigde Staten, die in een trager tempo groeide, was de afname breed, voornamelijk als gevolg van de pover presterende uitvoer van kapitaalgoederen en auto’s. Ook de handel binnen het eurogebied nam af, en dan met name de handel in halffabricaten, als gevolg van de waardevermindering van de productieketens in het eurogebied.

De arbeidsmarkten in het eurogebied bleven aantrekken, terwijl de groei van de productiviteit aanzienlijk vertraagde

De arbeidsmarkten in het eurogebied bleven in 2019 aantrekken

De arbeidsmarkten in het eurogebied bleven in 2019 aantrekken (zie Grafiek 7). Deze verbetering was een sleutelelement voor de ondersteuning van de economische bedrijvigheid in 2019.

Volgens een analyse op basis van synthetische indicatoren van de arbeidsmarkt lag de activiteit op de arbeidsmarkt in het tweede kwartaal van 2019 nabij het piekniveau van voor de crisis. Daarnaast bleef de dynamiek op de arbeidsmarkt boven het langetermijngemiddelde, hoewel deze onlangs enigszins is gematigd.[6] De goede prestaties van de arbeidsmarkt hebben zich voorgedaan tegen de achtergrond van aanhoudende toenames van het arbeidsaanbod, die deels zijn terug te voeren op de grotere participatie door oudere werknemers die het gevolg is van eerdere hervormingen die de wettelijke pensioenleeftijd hebben verhoogd.[7]

Grafiek 7

Arbeidsmarktindicatoren

(percentage van de beroepsbevolking; groei op kwartaalbasis; voor seizoen gecorrigeerd)

Bron: Eurostat.
Toelichting: De meest recente waarnemingen betreffen het vierde kwartaal van 2019.

De werkgelegenheid is in 2019 met 1,2% gestegen, wat een robuuste groei is in vergelijking met de ontwikkeling van de bbp-groei. De groei van de arbeidsproductiviteit per werknemer bedroeg in 2019 0,0%; deze bedroeg in 2018 0,4%.[8] Ondanks de toename van het arbeidsaanbod bleef de werkloosheid in 2019 dalen tot 7,6%, dicht bij het in 2007 geconstateerde percentage. De spreiding van de werkloosheidscijfers tussen de landen van het eurogebied bleef echter hoog.

De digitale economie vraagt om monitoring

De digitalisering heeft gevolgen voor een aantal variabelen die relevant zijn voor het monetaire beleid

Volgens de literatuur heeft de digitalisering gevolgen voor een aantal belangrijke economische variabelen die relevant zijn voor het monetaire beleid. Uit de empirische gegevens over de effecten van digitalisering blijkt dat deze de bedrijvigheid en de productiviteit mogelijk kan opdrijven, maar de gevolgen ervan voor de inflatie als geheel zijn nog niet duidelijk.[9] In 2019 varieerde de mate van digitalisering van de EU-economieën van ongeveer 40 voor de minst digitale tot ongeveer 70 voor de meest digitale economieën, volgens de index voor de digitale economie en maatschappij (DESI) van de Europese Commissie (zie Grafiek 8). De economieën van de EU scoorden weliswaar in grote lijnen gelijk op het vlak van connectiviteit, maar zij vertoonden minder homogeniteit met betrekking tot menselijk kapitaal, gebruik van internet, integratie van digitale technologie en digitale overheidsdiensten.

Grafiek 8

Index van de digitale economie en maatschappij voor 2019

Bron: Europese Commissie.

Structuurbeleid zou een bijdrage moeten leveren aan de aanpak van de belangrijkste uitdagingen

De uitvoering van beleidsaanbevelingen laat in 2019 nog steeds te wensen over

De inspanningen ter uitvoering van structuurbeleid in de landen van het eurogebied dienen aanzienlijk te worden opgevoerd om de productiviteit en het groeipotentieel van het eurogebied te stimuleren, de structurele werkloosheid te verminderen en de veerkracht van de economie te versterken. Hieronder vallen structuurbeleidsmaatregelen om de werking van de arbeidsmarkten te verbeteren, de concurrentie op de product- en factormarkten te vergroten en het ondernemingsklimaat te verbeteren.[10] Bovendien zijn structuurbeleidsmaatregelen nodig om huidige en toekomstige uitdagingen aan te pakken die bijvoorbeeld het gevolg zijn van de vergrijzing van de bevolking, de digitalisering en de klimaatverandering. De landspecifieke aanbevelingen (country-specific recommendations – CSR’s) bevatten op individuele landen afgestemde beleidsaanbevelingen voor het versterken van economische groei en veerkracht. De CSR’s worden door lidstaten goedgekeurd in de Europese Raad. In februari 2019 kwam de Europese Commissie tot de conclusie dat 95% van de beleidsaanbevelingen niet of hoogstens “in zekere mate” ten uitvoer was gelegd.[11]

Een licht expansieve begrotingskoers gaf enige steun aan de economische bedrijvigheid

Het algemene overheidstekort in het eurogebied is iets gestegen vanwege een licht expansieve begrotingskoers

Na gedurende vijf jaar over het algemeen neutraal te zijn geweest, is de begrotingskoers van het eurogebied[12] in 2019 expansief geworden, hoewel slechts in lichte mate (zie Grafiek 9). De versoepeling van de koers steunde de economische bedrijvigheid in het eurogebied. Deze weerspiegelde expansieve beleidsmaatregelen die in een aantal grote lidstaten werden uitgevoerd, voornamelijk verlagingen van directe belastingen en verhogingen van overheidsuitgaven. Op basis van de door medewerkers van het Eurosysteem samengestelde macro-economische projecties van december 2019 is het algemene overheidstekort in het eurogebied in 2019 licht gestegen tot 0,7% van het bbp. De daling van het begrotingssaldo weerspiegelde de meer expansieve begrotingskoers, die gedeeltelijk werd gecompenseerd door besparingen op rentebetalingen, terwijl de bijdrage van de conjuncturele positie min of meer ongewijzigd bleef.

Grafiek 9

Begrotingssaldo en begrotingskoers

(percentage van het bbp)

Bronnen: Eurostat en berekeningen van de ECB.

De schuldquote van de totale overheid in het eurogebied bleef in 2019 dalen en bereikte aan het einde van het jaar 84,5% van het bbp. De schuldquotes bleven in een aantal landen echter hoog. De daling van de totale schuldquote werd ondersteund door gunstige rente/groei-ecarts en positieve, maar afnemende, primaire saldi. Hoewel er eind 2019 geen landen van het eurogebied onder de correctieve arm van het stabiliteits- en groeipact (SGP) vielen, heeft de Europese Commissie geoordeeld dat de ontwerpbegrotingsplannen voor 2020 van acht landen van het eurogebied, waarvan er vele een schuldquote van bijna of meer dan 100% van het bbp hadden, het risico met zich meebrachten dat niet zou worden voldaan aan de vereisten van het SGP.[13]


1.3 De inflatiedruk is gematigd gebleven

De totale inflatie in het eurogebied bedroeg in 2019 gemiddeld 1,2%, een daling ten opzichte van 1,8% in 2018.[14] Deze daling weerspiegelde in wezen de lagere bijdragen van de twee meer volatiele onderdelen van de inflatie: energie en voedingsmiddelen. De HICP-inflatie exclusief energie en voedingsmiddelen, één maatstaf voor de onderliggende inflatie, is gematigd gebleven, met een gemiddelde van 1,0% in 2019, net als in 2018 en 2017, ondanks een stijging tegen het einde van het jaar (zie Grafiek 10).

Grafiek 10

HICP-inflatie en bijdragen van de componenten

(mutaties in procenten per jaar; bijdragen in procentpunten)

Bronnen: Eurostat en berekeningen van de ECB.

De daling van de totale inflatie was een gevolg van de lagere energie- en voedselinflatie, terwijl de onderliggende inflatie gematigd bleef

De daling van de gemiddelde totale inflatie in 2019 ten opzichte van 2018 was grotendeels toe te schrijven aan de ontwikkeling van de energie-inflatie. De bijdrage van de totale voedselinflatie aan de totale HICP-inflatie daalde van 0,4 procentpunten in 2018 naar 0,3 procentpunten in 2019. De ontwikkeling van de totale voedselinflatie in het jaar werd grotendeels bepaald door de ontwikkeling van de component volatiele onbewerkte voedingsmiddelen. De inflatie van bewerkte voedingsmiddelen lag in 2019 rond de 1,9%, wat iets lager was dan het gemiddelde in 2018. Stijgingen van de producentenprijzen voor levensmiddelen voor consumenten en van de voedingsgrondstoffenprijzen (zoals afgemeten aan de agrarische producentenprijzen in de EU) – twee factoren die van invloed zijn op de prijzen van bewerkte voedingsmiddelen – wijzen erop dat deze kostenstijgingen niet volledig werden doorberekend in de voedselprijzen op consumentenniveau tegen een achtergrond van hevige concurrentie.

Evenals andere indicatoren van de onderliggende inflatie bewoog de HICP-inflatie exclusief energie en voedingsmiddelen zich grotendeels zijwaarts gedurende het grootste deel van het jaar en bleef deze onder zijn historische gemiddelde, ondanks een lichte stijging eind 2019. In Kader 2 wordt het verband besproken tussen onderliggende inflatie en economische bedrijvigheid, evenals de bredere economische ontwikkelingen sinds de wereldwijde financiële crisis. Een zwakke ontwikkeling van de inflatie van zowel industriële goederen ongerekend energie als de dienstensector droeg bij aan een gematigde HICP-inflatie exclusief energie en voedsel. De inflatie van de industriële goederen ongerekend energie bedroeg in 2019 gemiddeld 0,3%, ongewijzigd ten opzichte van 2018 en het gemiddelde sinds 2015. Uit indicatoren van de prijsdruk in verschillende stadia van de prijsketen blijkt dat het mutatietempo op jaarbasis van producentenprijzen van consumptiegoederen ongerekend voedingsmiddelen in de loop van het jaar min of meer stabiel is gebleven, maar aanzienlijk hoger lag dan het gemiddelde sinds 2015. Dit wijst erop dat een deel van de kostenstijgingen in het stadium van de detailhandel werd geabsorbeerd. Daarnaast was, anders dan in 2018, het gemiddelde groeitempo op jaarbasis van de invoerprijzen van consumptiegoederen ongerekend voedingsmiddelen in 2019 positief, onder andere als gevolg van de waardevermindering van de euro. De diensteninflatie vertoonde enige volatiliteit in verband met de prijsontwikkelingen op het gebied van reisgerelateerde diensten die het gevolg waren van een statistisch effect.[15] In het licht van deze maandelijkse volatiliteit liet de inflatie van de diensten een zijwaarts verloop zien en bedroeg deze gemiddeld 1,5% in 2019, ongewijzigd ten opzichte van 2018 en slechts marginaal hoger dan het gemiddelde sinds 2015. Over het geheel genomen bleef de stijging van de prijzen van diensten, die meestal een groot deel aan arbeidskosten omvatten, verder achter bij de loongroei.

Kader 2
De Phillipscurve van het eurogebied en de interpretatie van de recente inflatieontwikkelingen

Sinds 2013 is de HICP-inflatie met uitzondering van energie en voedingsmiddelen steeds onder het historische gemiddelde gebleven. Hoewel dit aanvankelijk kon worden verklaard door grote hoeveelheden economische onderbenutting en andere factoren die de inflatiedruk temperen, is de recentere zwakte moeilijk te verklaren vanuit een standaard Phillipscurveperspectief, zoals is te zien aan de onverklaarde component van de uitsplitsing van de inflatieontwikkeling in Grafiek A. Dit heeft aanleiding gegeven tot een kritische heroverweging van deze fundamentele economische relatie.[16]

Grafiek A

Uitsplitsing van onderliggende inflatie op basis van de Phillipscurve

(mutaties in procenten per jaar en bijdragen in procentpunten; alle waarden als afwijkingen van hun gemiddelde sinds 1999)

Bron: Berekeningen van de ECB.
Toelichting: De balken tonen de gemiddelde bijdragen over een groot aantal modelspecificaties (zie Bobeica, E. en Sokol, A., “Drivers of underlying inflation in the euro area over time: a Phillips curve perspective”, Economisch Bulletin, nr. 4, ECB, 2019). De bijdragen zijn afgeleid zoals in Yellen, J. L., “Inflation Dynamics and Monetary Policy”, lezing in het kader van de Philip Gamble Memorial Lecture, universiteit van Massachusetts, Amherst, 24 september 2015.

Inflatiebepalende factoren vanuit het perspectief van de Phillipscurve

De Phillipscurve vertegenwoordigt in essentie het idee dat de economische bedrijvigheid en de daaraan verbonden mate van krapte op goederen- en arbeidsmarkten de inflatie moeten beïnvloeden. In de nasleep van de wereldwijde financiële crisis drukten hoge niveaus aan economische onderbenutting op de inflatie. Het eurogebied maakte tussen 2011 en 2013 een tweede recessie door, en de zwakke onderliggende inflatie vanaf begin 2013 wordt door deze factor goed verklaard. Maar hoewel in 2018 veel indicatoren van economische bedrijvigheid en onderbenutting weer op een gemiddeld niveau lagen – en sommige cijfers zelfs op een vraagoverschot begonnen te wijzen – bleef de onderliggende inflatie onder het gemiddelde sinds 1999 (1,3%).

Naast economische bedrijvigheid zijn ook andere factoren, zoals inflatieverwachtingen en externe prijzen, van cruciaal belang om inzicht te krijgen in de inflatieontwikkeling. Allerlei factoren kunnen de inflatieverwachtingen van deelnemers aan het economische verkeer beïnvloeden: recente inflatieontwikkelingen (met name fluctuaties in de energieprijzen) beïnvloeden doorgaans de verwachtingen op korte termijn, terwijl oprechte bezorgdheid over de geloofwaardigheid en haalbaarheid van de inflatiedoelstelling van een centrale bank de verwachtingen voor de langere termijn kan drukken, waarbij moet worden opgemerkt dat deze factoren empirisch lastig van elkaar te onderscheiden zijn.[17] Zowel op de markt gebaseerde als op enquêtes gebaseerde indicatoren van de inflatieverwachtingen zijn in de periode 2014-2017 verzwakt, hetgeen tot uiting komt in hun negatieve bijdragen aan de onderliggende inflatie tijdens die periode.[18] Meer recent hebben op enquêtes gebaseerde indicatoren voor de inflatieverwachtingen voor het eurogebied op langere termijn – met name die van de Survey of Professional Forecasters van de ECB – indicaties van een afzwakking vertoond. De aan deze recente ontwikkelingen toe te schrijven rem op de inflatie is echter kleiner.

Ten slotte kunnen indicatoren van externe prijzen, zoals olieprijzen en bredere invoerprijsindices, een belangrijke factor zijn voor het verklaren van de prijsbeslissingen van bedrijven, en dus ook voor de inflatieontwikkelingen, naast wat mogelijk al tot uiting komt in onderbenutting en inflatieverwachtingen. Hoewel de externe prijzen, en met name energieprijzen, doorgaans snel worden weerspiegeld in de totale inflatie, lijken de indirecte effecten daarvan op de onderliggende inflatie de afgelopen jaren beperkt te zijn geweest.[19] Over het algemeen lijken de ontwikkelingen van de onderliggende inflatie tot 2017 redelijk goed te worden verklaard door de standaardfactoren, maar de meer recente zwakte is vanuit dit perspectief moeilijk te verklaren.

Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat standaardindicatoren van economische onderbenutting niet alle ontwikkelingen van de economische bedrijvigheid weergeven die relevant zijn voor de inflatie. In die geest leiden Jarociński en Lenza (2018)[20] een maatstaf voor economische onderbenutting af die expliciet is bedoeld om de inflatie te voorspellen. Een dergelijke maatstaf zou een veel grotere hoeveelheid economische onderbenutting impliceren dan een meer standaard maatstaf voor de output gap.

Al met al blijft de Phillipscurve een centraal element voor het interpreteren en communiceren van inflatieontwikkelingen. Deze moet echter worden aangevuld met informatie uit andere instrumenten en benaderingen, met name in het licht van de recente ontwikkelingen van de onderliggende inflatie.

De binnenlandse kostendruk, zoals afgemeten aan de groei van de bbp-deflator, groeide in 2019 gemiddeld sneller dan in 2018 en het gemiddelde sinds 2015 (zie Grafiek 11). De jaarlijkse groei van de beloning per werknemer behield in 2019 het robuuste tempo van gemiddeld 2,0%, iets beneden het gemiddelde van 2018, maar hoger dan het gemiddelde sinds 2015. De groei van de beloning per werknemer werd getemperd door ontwikkelingen met betrekking tot socialezekerheidsbijdragen[21], terwijl de groei van lonen en salarissen in 2019 toenam in vergelijking met 2018, in lijn met de verdere daling van de werkloosheid en ondanks de matiging van de economische groei in het eurogebied (zie Paragraaf 1.2 hierboven). De robuuste gemiddelde groei van de beloning per werknemer ging echter gepaard met een stijging van de groei van de loonkosten per eenheid product als gevolg van een stagnatie van de productiviteit in 2019. Naast de hogere groei van de loonkosten per eenheid product weerspiegelde de stijging van de groei van de bbp-deflator ook een opleving in de winstontwikkeling (gemeten in termen van het bruto exploitatieoverschot), die in de loop van 2018 merkbaar afgezwakt was. Aangezien de productiviteit in 2019 een zijwaarts verloop liet zien, was de winst die in 2019 werd geboekt waarschijnlijk een gevolg van de verbeteringen met betrekking tot de handel en ontwikkelingen in economische sectoren die minder beïnvloed waren door de mondiale bedrijvigheid en de vertraging van de handel.[22] Dat waren bijvoorbeeld de bouwsector en de vastgoedsector, die ook een hoge groei van hun deflatoren van de toegevoegde waarde lieten zien, tot gemiddeld 4,6% in 2019 in het geval van de bouw.

Grafiek 11

Uitsplitsing van de bbp-deflator

(mutaties in procenten per jaar; bijdragen in procentpunten)

Bronnen: Eurostat en berekeningen van de ECB.

De inflatieverwachtingen voor de langere termijn zijn in de loop van 2019 afgenomen. De verwachtingen voor vijf jaar vooruit van de Survey of Professional Forecasters van de ECB daalde in het vierde kwartaal van 2019 naar 1,7%, ten opzichte van 1,9% in het vierde kwartaal van 2018. Op de markt gebaseerde indicatoren van inflatieverwachtingen voor de langere termijn, zoals de vijfjaars geïndexeerde swaprente vijf jaar vooruit, zijn eveneens gedaald. Maar tegen het einde van het jaar stabiliseerden deze zich, zij het op een nog steeds laag niveau.


1.4 De gunstige financieringsvoorwaarden bleven de kredietverlening en de geldgroei ondersteunen

In 2019 werden de financiële markten in het eurogebied voornamelijk beïnvloed door de effecten van de vertragende economische bedrijvigheid tegen een achtergrond van aanhoudend lage inflatie, onzekerheid ten aanzien van politieke factoren leidend tot “risk-off”-sentiment gedurende sommige periodes van het jaar, en verdere versoepeling van het monetair beleid. Zowel de geldmarkttarieven als de rendementen op langerlopende obligaties daalden aanzienlijk, terwijl de aandelenprijzen over het algemeen stegen, ondersteund door lagere discontovoeten. De externe financieringsstromen van niet-financiële ondernemingen (NFC’s) stabiliseerden zich in 2019 in het algemeen op een niveau significant beneden hun laatste piek van 2017, maar leningen bij banken en de uitgifte van schuldbewijzen bleven solide, ondersteund door gunstige financieringsvoorwaarden, en de netto uitgifte van niet-genoteerde aandelen was robuust en werd geschraagd door een groeiend aantal fusies en overnames. De aanhoudende uitbreiding van de kredietverstrekking door banken aan de particuliere sector heeft, in combinatie met de lage opportuniteitskosten van het houden van M3, bijgedragen tot de instandhouding van de groeivoet van het ruime monetaire aggregaat. Gunstige financieringsvoorwaarden weerspiegelden de accommoderende monetairbeleidskoers van de ECB en de capaciteit van het bankwezen om deze accommodatie door te berekenen in de leentarieven voor ondernemingen en huishoudens. De stijgende waarderingen van financiële activa en vastgoed ondersteunden de vermogens van huishoudens, die op hun beurt de groei van de particuliere consumptie schraagden.

Het rendement op overheidsobligaties in het eurogebied daalde in 2019 significant, maar herstelde zich vanaf september

Het rendement op overheidsobligaties in het eurogebied daalde in 2019 significant en de langetermijnrendementen werden in de loop van de zomer negatief. Deze daling was het gevolg van toenemende bezorgdheid over de omvang en duur van de vertraging van de economische bedrijvigheid in het eurogebied en de gevolgen daarvan voor de inflatieontwikkeling. De monetairbeleidsversoepeling in de Verenigde Staten, het toegenomen mondiale risicosentiment in verband met de handelsspanningen tussen de VS en China en de brexit, en de toenemende verwachtingen op de financiële markten ten aanzien van een verdere versoepeling van het monetaire beleid door de ECB hebben ook bijgedragen aan de lagere risicovrije rentes in het eurogebied. Na de aankondiging in september van het pakket aan maatregelen van de ECB om het monetair beleid te verruimen droegen de vrijgave van enigszins positievere macro-economische gegevens over het eurogebied en een zekere mate van stabilisatie van het mondiale risicosentiment bij tot een geleidelijk herstel van de rendementen op overheidsobligaties in het eurogebied. Desondanks bedroeg het bbp-gewogen gemiddelde van de rendementen op tienjaars overheidsobligaties in het eurogebied 0,28% op 31 december 2019, hetgeen 74 basispunten lager is dan op 1 januari 2019. De spread van de rendementen op tienjaars overheidsobligaties in de eurolanden ten opzichte van het rendement op de Duitse tienjaars overheidsobligaties nam af, voor sommige landen zelfs aanzienlijk, vanwege minder onzekerheid omtrent het begrotingsbeleid.

Grafiek 12

Rendementen op tienjaars overheidsobligaties in het eurogebied, de Verenigde Staten en Duitsland

(procenten per jaar; daggegevens)

Bronnen: Bloomberg, Thomson Reuters Datastream en berekeningen van de ECB.
Toelichting: De gegevens voor het eurogebied betreffen het tienjaars bbp-gewogen gemiddelde van de rendementen op overheidsobligaties. De meest recente waarnemingen betreffen 31 december 2019.

De aandelenkoersen in het eurogebied stegen als gevolg van lagere discontovoeten

In 2019 stegen de aandelenkoersen in het eurogebied fors. De ruime index voor aandelenkoersen van niet-financiële ondernemingen (NFC’s) in het eurogebied steeg in de loop van 2019 met 20,7%, terwijl een index voor aandelenkoersen van banken in het eurogebied met 9,7% steeg (zie Grafiek 13). Lagere discontovoeten waren de belangrijkste ondersteunende factor voor de ontwikkeling van de aandelenkoersen, terwijl de winstverwachtingen zwak bleven en het beloop van de risicopremies druk uitoefende op de aandelen, in de eerste plaats verband houdend met de ontwikkeling van het handelsgeschil tussen de Verenigde Staten en China en de onderhandelingen over de brexit.

Grafiek 13

Aandelenindices in het eurogebied en de Verenigde Staten

(index: 1 januari 2018 = 100)

Bron: Thomson Reuters Datastream.
Toelichting: Voor het eurogebied worden de EURO STOXX-bankenindex en de Datastream-beursindex voor niet-financiële ondernemingen (NFC’s) getoond en voor de Verenigde Staten de S&P-bankenindex en de Datastream-beursindex voor NFC’s. De meest recente waarnemingen betreffen 31 december 2019.

Leningen bij banken en uitgifte van schuldbewijzen door NFC’s waren solide

Over het geheel genomen stabiliseerden de externe financieringsstromen van NFC’s zich in 2019, maar zij bevonden zich wel significant onder hun laatste piek uit 2017 (zie Grafiek 14). Toch bleef de groei van de leningen bij banken en de uitgifte van schuldbewijzen solide, ondersteund door gunstige financieringsvoorwaarden, en was de uitgifte van niet-genoteerde aandelen robuust, ondersteund door een toenemend aantal fusies en overnames. Daarentegen was er een matiging in de andere bronnen van financiering (met inbegrip van intragroepsleningen en handelskredieten) en een daling van de netto-uitgifte van beursgenoteerde aandelen (wat de hogere kosten voor het aantrekken van aandelenvermogen in vergelijking met andere financieringsbronnen weerspiegelde). De rentetarieven van de banken zijn in de loop van 2019 – grotendeels in lijn met de ontwikkeling van de markttarieven – verder gedaald, naar nieuwe historische dieptepunten.

De verdere versoepeling van de monetairebeleidskoers door de ECB in de loop van 2019 werkte door in de financieringsvoorwaarden, die gunstiger werden. Dit was deels te wijten aan het feit dat sommige van de in 2019 ingevoerde maatregelen – zoals de derde reeks gerichte langerlopende herfinancieringstransacties (TLTRO III) en het tweeledige systeem voor de vergoeding van reserves – gericht zijn op het ondersteunen van de bemiddelingscapaciteit van banken (zie Paragraaf 2.1). Tegelijkertijd heeft het bankwezen verdere vooruitgang geboekt met het balansherstel wat betreft het verbeteren van de kapitaalposities en de kwaliteit van de activa.

Grafiek 14

Netto externe financieringsstromen naar niet-financiële ondernemingen in het eurogebied

(stromen op jaarbasis; EUR miljard)

Bronnen: Eurostat en ECB.
Toelichting: “Overige leningen” omvat leningen van niet-MFI’s (overige financiële instellingen, verzekeringsondernemingen en pensioenfondsen) en van de rest van de wereld. Leningen van MFI’s (monetaire financiële instellingen) en leningen van niet-MFI’s zijn gecorrigeerd voor verkopen van leningen en securitisatie. “Overige” is het verschil tussen het totaal en de in de grafiek genoemde instrumenten. Hierin zijn intragroepsleningen en handelskredieten begrepen. De meest recente waarnemingen betreffen het derde kwartaal van 2019.

De vermogens van huishoudens werden ondersteund door de hogere waarderingen van reële en financiële activa

Het nettovermogen van huishoudens steeg de eerste drie kwartalen van 2019 sterk en ondersteunde daardoor de particuliere consumptie. Ondanks een matigende groei van de huizenmarkt heeft het nettovermogen geprofiteerd van verdere stijgingen van de huizenprijzen, wat heeft geleid tot aanzienlijke waarderingswinsten op het vastgoed van huishoudens. Daarnaast hebben huishoudens ook aanzienlijke waarderingswinsten op hun financiële activa geboekt. Ook hebben de stijgende huizenprijzen en gunstige financieringsvoorwaarden bijgedragen aan de aanhoudende geleidelijke toename van het jaarlijkse groeipercentage van de bankleningen aan huishoudens voor de aankoop van een huis. De brutoschuld van de huishoudens – gemeten als een percentage van het nominale bruto beschikbare inkomen van huishoudens – bleef op een niveau dat ver boven haar niveau van voor de crisis lag.

In 2019 herstelde de groei van M3 en van de kredietverlening

Over het geheel genomen was de kredietverlening door banken aan de particuliere sector solide, met een jaarlijks groeipercentage (gecorrigeerd voor de verkoop van leningen, securitisatie en saldocompensatie, ofwel “notional cash pooling”) dat steeg tot 3,7% in december 2019 ten opzichte van 3,4% in december 2018. De kredietgroei bleef de grootste aanjager van de groei van het ruime monetaire aggregaat (zie het blauwe gedeelte van de balken in Grafiek 16). Tegelijkertijd leverden externe geldstromen een toenemende bijdrage aan de M3-dynamiek (zie het gele gedeelte van de balken in Grafiek 20). De jaarlijkse M3-groei herstelde zich aldus in 2019 (zie Grafiek 15). Hoewel de beëindiging van de netto-aankopen in het kader van het programma voor de aankoop van activa eind 2018 een temperend effect had op de groei van M3 (zie het rode gedeelte van de balken in Grafiek 16), had de hervatting ervan in november 2019 slechts beperkte invloed op de groei van het ruime monetaire aggregaat in 2019.

Grafiek 15

M3 en leningen aan de private sector

(mutaties in procenten per jaar)

Bron: ECB.
Toelichting: De leningen zijn gecorrigeerd voor de verkoop van leningen, securisatie en saldocompensatie (notional cash pooling). De meest recente waarnemingen betreffen december 2019.

  

Grafiek 16

M3 en tegenposten

(mutaties in procenten per jaar; bijdragen in procentpunten; gecorrigeerd voor seizoens- en kalendereffecten)

Bron: ECB.
Toelichting: Onder de kredietverlening aan de private sector vallen zowel MFI-leningen aan de private sector als door MFI's aangehouden schuldbewijzen die zijn uitgegeven door de private niet-MFI-sector in het eurogebied. De aankopen van door de niet-MFI-sector uitgegeven schuldbewijzen die het Eurosysteem doet in het kader van het programma voor de aankoop van door de bedrijfssector uitgegeven obligaties (corporate sector purchase programme – CSPP) vallen er derhalve ook onder. De meest recente waarnemingen betreffen december 2019.

Het grootste deel van de M3-groei is toe te schrijven aan de toename van aangehouden girale deposito’s

Wat instrumenten betreft bleef de groei van M3 voornamelijk aangedreven worden door girale deposito’s, dankzij de lage opportuniteitskosten voor het aanhouden van liquide deposito’s in een klimaat van zeer lage rentes en een vlakke rendementscurve. De groei van de girale deposito’s weerspiegelde de sterke toename van girale deposito’s aangehouden door zowel huishoudens als NFC’s. Daardoor bleef het eng gedefinieerde monetaire aggregaat M1, dat de chartale geldomloop en girale deposito’s omvat, in een robuust tempo groeien.


2 Monetair beleid: een vast voornemen om zo nodig op te treden

Tegen de achtergrond van een verzwakking van de economie van het eurogebied, hardnekkiger neerwaartse risico’s en inflatievooruitzichten die nog steeds achterbleven bij de inflatiedoelstelling op middellange termijn van de Raad van Bestuur van de ECB, heeft de Raad het monetair beleid in de loop van 2019 driemaal achtereenvolgens aanvullend verruimd. Deze opeenvolgende versoepelingen onderstreepten dat de Raad van Bestuur zo nodig vastberaden wil optreden om de terugkeer van de inflatie naar een duurzame convergentie in de richting van de middellangetermijndoelstelling te ondersteunen. Gelet op de tijd die nodig is alvorens alle maatregelen hun volledige effect op de economie van het eurogebied uitoefenen, bleef de Raad van Bestuur het inflatieverloop en de doorwerking van de genomen monetairbeleidsmaatregelen nauwlettend volgen, waarbij hij steeds klaarstond om al zijn instrumenten, zo nodig, aan te passen teneinde ervoor te zorgen dat de inflatie zich op duurzame wijze ontwikkelde in de richting van de doelstelling, overeenkomstig het belang dat de Raad hecht aan symmetrie. Eind 2019 vertegenwoordigden de voor monetairbeleidsdoeleinden aangekochte activa 70% van de totale activa op de balans van het Eurosysteem. De omvang van de balans stabiliseerde zich in 2019 op €4,7 biljoen, wat overeenstemt met het peil aan het einde van het voorgaande jaar. De aan de omvangrijke balans verbonden risico’s werden nog steeds getemperd door het ECB-kader voor risicobeheersing.


2.1 Een eerste ronde monetairbeleidsmaatregelen om een ruime beleidsaccommodatie te behouden bij toenemende ongunstige externe factoren

Na de verslechtering van de economische vooruitzichten aan het einde van 2018 bleven de begin 2019 bekendgemaakte gegevens zwakker dan verwacht. Dit was het gevolg van de minder levendige buitenlandse vraag en van een aantal land- en sectorspecifieke factoren, die erop wezen dat de groeidynamiek op korte termijn minder krachtig was dan eerder verwacht. Tegelijkertijd heerste er grote onzekerheid over de vraag of het effect van de factoren die de groei in het eurogebied afremmen tijdelijk van aard zou zijn of langer zou aanhouden, en dus over de vraag in hoeverre de tragere kortetermijngroei de groeivooruitzichten op middellange termijn zou beïnvloeden. Tegen die achtergrond erkende de Raad van Bestuur dat de risico’s voor de groeivooruitzichten van het eurogebied waren afgenomen wegens de aanhoudende onzekerheden in verband met geopolitieke factoren en met de dreiging van protectionisme, de kwetsbaarheden in de opkomende markten en de volatiliteit op de financiële markten. De Raad van Bestuur beklemtoonde dat het monetair beleid geduldig, voorzichtig en volhardend diende te blijven. Hoewel de gunstige financieringsvoorwaarden, de positieve dynamiek op de arbeidsmarkt en een stijgende loongroei de economische groei in het eurogebied en de geleidelijk toenemende inflatiedruk zouden blijven schragen, heeft de Raad van Bestuur nogmaals erop gewezen dat een aanzienlijke monetairbeleidsstimulans nodig blijft om te zorgen voor een verdergaande duurzame convergentie van de inflatie naar een niveau onder maar dicht bij 2% op middellange termijn.

De afgezwakte economische dynamiek vertraagde de aanpassing van de inflatie in de richting van de doelstelling op middellange termijn, wat aanzette tot de invoering van een eerste beleidspakket

De tijdens het voorjaar ontvangen economische gegevens bleven zwak, wat wees op een aanzienlijke vertraging van de economische groei, die tot in 2019 zou aanhouden. Met name de bedrijvigheid in de verwerkende industrie was sterk gedaald, vooral als gevolg van de ongunstige externe factoren, aangezien de mondiale groei en de handelsdynamiek zwak bleven. De afgezwakte economische dynamiek vertraagde de aanpassing van de inflatie in de richting van de middellangetermijndoelstelling van de Raad van Bestuur.

Als reactie op een materiële verlaging van de groei- en inflatievooruitzichten besloot de Raad van Bestuur op zijn vergadering van maart een pakket beleidsmaatregelen te nemen om het monetair beleid aanvullend te verruimen. Dit zou de verdere opbouw van binnenlandse prijsdruk en het verloop van de totale inflatie op middellange termijn ondersteunen en de veerkracht van de economie van het eurogebied in een omgeving van mondiale onzekerheden verhogen. De Raad van Bestuur heeft met name de volgende maatregelen genomen. Ten eerste besloot de Raad het kalendergebaseerde deel van de forward guidance over de beleidsrentes te verschuiven. Meer in het bijzonder zou de Raad van Bestuur de basisrentetarieven van de ECB ten minste tot en met eind 2019 op hun huidige niveau handhaven, en in ieder geval zo lang als noodzakelijk is om te zorgen voor een verdergaande duurzame convergentie van de inflatie naar een niveau dat overeenstemt met de middellangetermijndoelstelling. Ten tweede herhaalde de Raad van Bestuur het voornemen om de hoofdsommen van de op vervaldag gekomen effecten die waren aangekocht in het kader van het programma voor de aankoop van activa (asset purchase programme – APP), integraal te blijven herinvesteren, tot lang na het tijdstip waarop de Raad de basisrentetarieven van de ECB zou beginnen te verhogen, en in ieder geval zo lang als nodig om de gunstige liquiditeitsvoorwaarden en een ruime mate van monetaire accommodatie te handhaven. Gezien het verband tussen de forward guidance over de beleidsrentes en de herinvesteringen, werd de verwachte herinvesteringstermijn automatisch verschoven, wat de indicaties omtrent de beleidsrentes versterkte en tegelijkertijd onderstreepte dat de Raad van Bestuur zo nodig vastberaden wil optreden. Ten derde kondigde de Raad, naast de wijziging in de guidance over de beleidsrentes, een nieuwe reeks driemaandelijkse gerichte langerlopende herfinancieringstransacties (TLTRO III) aan. Die transacties zouden in september 2019 van start gaan en in maart 2021 eindigen, en elke transactie zou een looptijd van twee jaar hebben. De nieuwe reeks TLTRO’s beoogde gunstige bancaire kredietvoorwaarden in stand te houden om te garanderen dat de cliënten bankkrediet tegen betaalbare voorwaarden bleven krijgen. Een gezonde kredietstroom naar de private sector schraagde op zijn beurt de consumptie- en investeringsplannen van huishoudens en bedrijven, hielp de economie groeien en ondersteunde de aanpassing van de inflatie in de richting van de middellangetermijndoelstelling van de Raad van Bestuur. Ten vierde besloot de Raad van Bestuur de kredietverleningstransacties van het Eurosysteem verder uit te voeren in de vorm van vasterentetenders met volledige toewijzing, voor zo lang als nodig is en ten minste tot het einde van de reserveaanhoudingsperiode die in maart 2021 aanvangt.

Na de aankondiging van de nieuwe reeks TLTRO’s, deelde de Raad van Bestuur op zijn daaropvolgende monetairbeleidsvergadering mee dat de exacte voorwaarden van de TLTRO III-reeks op een van de komende vergaderingen zouden worden bekendgemaakt. Met name de tarifering van de nieuwe TLTRO III-transacties zou berusten op een grondige beoordeling van de transmissie van het monetair beleid via de banken, alsook op verdere ontwikkelingen van de economische vooruitzichten. Daarnaast merkte de Raad van Bestuur op dat, aangezien de negatieve rente langer zou aanhouden dan eerder verwacht, hij in het kader van de reguliere beoordeling zou afwegen of het handhaven van de gunstige gevolgen van negatieve rentetarieven voor de economie zou vereisen dat de eventuele neveneffecten daarvan op de intermediatie van de banken worden getemperd.

Een tweede ronde van aanvullende monetairbeleidsaccommodatie en een afnemend vertrouwen in de inflatievooruitzichten

Rond het midden van het jaar wezen nieuwe gegevens erop dat mondiale ongunstige ontwikkelingen de vooruitzichten voor het eurogebied bleven drukken

Rond het midden van het jaar bleek uit nieuwe gegevens dat mondiale ongunstige ontwikkelingen, die vooral verband hielden met de aanhoudende zwakte van de wereldhandel en de ingrijpender en langer aanhoudende onzekerheden in de externe omgeving, de vooruitzichten van het eurogebied bleven drukken. Die factoren hadden vooral een nadelige invloed op de verwerkende industrie in het eurogebied. Bovendien liep de HICP-inflatie verder terug, vooral als gevolg van tijdelijke factoren, terwijl de stabilisering in de indicatoren van de onderliggende inflatie aanhield.

In het licht van de voortdurende onzekerheden en de gevolgen hiervan voor de inflatievooruitzichten, erkende de Raad van Bestuur dat het nodig was het monetair beleid voor de tweede maal in 2019 aan te passen en het aanvullend te verruimen om de inflatie op een duurzaam traject naar de middellangetermijndoelstelling te houden. Daarom besloot de Raad van Bestuur op zijn vergadering van juni de forward guidance over de beleidsrentes te versterken door het kalendergebaseerde element van de forward guidance verder te verschuiven. Meer in het bijzonder stelde de Raad van Bestuur dat de basisrentetarieven van de ECB naar verwachting ten minste tot en met de eerste helft van 2020 op hun huidige niveau zouden blijven, en in ieder geval zolang als noodzakelijk is om de verdergaande duurzame convergentie van de inflatie naar de middellangetermijndoelstelling te verzekeren. Voorts herhaalde de Raad de beleidsindicaties omtrent herinvesteringen. Ten slotte keurde de Raad van Bestuur ook de tarifering van de TLTRO III-reeks goed. De rente bij elke transactie zou worden vastgesteld op een niveau dat 10 basispunten hoger ligt dan de gemiddelde rente op de basisherfinancieringstransacties van het Eurosysteem. Voor banken waarvan de in aanmerking komende nettokredietverlening een bepaalde maatstaf overtrof, zou de voor TLTRO III geldende rente lager uitvallen, tot zo laag als de gemiddelde rente op de depositofaciliteit, verhoogd met 10 basispunten. Die tariefstelling werd beschouwd als een redelijk evenwicht tussen enerzijds de erkenning van de solide ontwikkelingen van de bancaire kredietverlening en anderzijds het belang om de accommoderende monetairbeleidskoers te handhaven.

Gedurende de zomer drukten de afnemende mondiale groeidynamiek en de zwakke internationale handel nog steeds de vooruitzichten voor het eurogebied. Bovendien bleven de aanhoudend heersende onzekerheden het ondernemersvertrouwen temperen, met name in de verwerkende industrie. De prijsontwikkelingen bleven op hun beurt gematigd, terwijl de maatstaven van de onderliggende inflatie zich stabiliseerden. De marktgebaseerde indicatoren van de inflatieverwachtingen op langere termijn stagneerden op het na de vergadering van juni bereikte historische dieptepunt, terwijl enquêtes wezen op een aanzienlijke verslechtering van de langeretermijnverwachtingen.

De Raad van Bestuur merkte op dat de werkelijke en de verwachte inflatiecijfers aanhoudend onder de inflatiedoelstelling lagen

Tegen die achtergrond merkte de Raad van Bestuur tijdens de vergadering van juli op dat de inflatie (zowel de werkelijke als de verwachte) voortdurend onder de inflatiedoelstelling lag. Bovendien beschouwde de Raad van Bestuur de symmetrie van de middellangetermijndoelstelling als een belangrijk element om een duurzame aanpassing van de inflatie aan de inflatiedoelstelling te verwezenlijken. Voor de Raad van Bestuur werd het dan ook belangrijk geacht zijn vastberadenheid en vermogen te tonen om in te grijpen alsook zijn bereidheid om de beleidskoers verder te versoepelen door al zijn instrumenten, zo nodig, aan te passen teneinde de inflatiedoelstelling te bereiken. Tegelijkertijd verklaarde de Raad van Bestuur zich vastbesloten op te treden indien de inflatievooruitzichten op middellange termijn onder de doelstelling bleven uitkomen, overeenkomstig het belang dat de Raad hecht aan symmetrie in de inflatiedoelstelling. In dat verband besloot de Raad van Bestuur dan ook om in de forward guidance over de beleidsrentes opnieuw een zogenoemde beleidsverruimende vertekening in te voeren, door te verklaren dat hij de basisrentetarieven van de ECB op het huidige of een lager niveau zou handhaven. Bovendien gaf de Raad de desbetreffende comités van het Eurosysteem de opdracht opties te onderzoeken, waaronder manieren om de forward guidance over de beleidsrentes te versterken, verzachtende maatregelen (bijvoorbeeld het ontwerpen van een gelaagd systeem voor de vergoeding van reserves) en mogelijkheden inzake de omvang en samenstelling van potentiële nieuwe nettoaankopen van activa. Deze aankondigingen effenden het pad voor de eventuele tenuitvoerlegging van een veelomvattend beleidspakket op de volgende monetairbeleidsvergadering van de Raad van Bestuur, indien de inflatievooruitzichten niet in de richting van de inflatiedoelstelling verbeterden.

Een derde ronde van beleidsaccommodatie met een omvangrijk pakket maatregelen als reactie op de aanhoudend lage inflatie

De door medewerkers van de ECB samengestelde macro-economische projecties van september 2019 wezen op een verdere verlaging van de inflatievooruitzichten. Al met al had de Raad van Bestuur te kampen met een langdurige vertraging van de economie in het eurogebied, aanhoudende neerwaartse risico’s en inflatievooruitzichten die nog steeds achterbleven bij de inflatiedoelstelling op middellange termijn. De opeenvolgende en aanzienlijke neerwaartse bijstellingen van de inflatievooruitzichten verlaagden met name de inflatieverwachtingen voor 2021 van 1,8% in de prognoses van december 2018 tot 1,5% in de prognoses van september 2019. De verdere verlaging van de inflatievooruitzichten — ondanks het feit dat de in de prognoses opgenomen financiële voorwaarden al sterke aanwijzingen gaven omtrent een verdere beleidsversoepeling — betekende dat de inflatie volgens de prognoses verder zou afwijken van een niveau dat de Raad van Bestuur in overeenstemming achtte met zijn inflatiedoelstelling. De maatstaven van de onderliggende inflatie waren nog steeds gematigd en de indicatoren van de inflatieverwachtingen bleven laag. Tegen die achtergrond werd in de Raad van Bestuur overeengekomen dat een derde versoepeling van de monetairbeleidskoers gerechtvaardigd was om de terugkeer van de inflatie naar een duurzame convergentie in de richting van de inflatiedoelstelling te ondersteunen. De Raad van Bestuur nam in september derhalve de volgende beslissingen:

Een alomvattende beleidsreactie werd noodzakelijk geacht om de terugkeer van de inflatie naar een duurzame convergentie in de richting van de doelstelling op middellange termijn te ondersteunen

Ten eerste besloot de Raad de rente op de depositofaciliteit met 10 basispunten te verlagen tot -0,50% (zie Grafiek 17). De verlaging van de rente op de depositofaciliteit ging gepaard met een herformulering van de forward guidance van de Raad van Bestuur over het verwachte verloop van de beleidsrentes. De Raad verwachtte toen dat de basisrentetarieven van de ECB op hun huidige niveau of lager zouden blijven tot zou blijken dat de inflatieverwachtingen binnen de projectieperiode krachtig convergeerden naar een niveau dat voldoende dicht bij maar onder 2% ligt, en dat een dergelijke convergentie stelselmatig in de onderliggende inflatiedynamiek tot uitdrukking kwam.

Grafiek 17

Basisrentetarieven van de ECB

(procenten per jaar)

Bron: ECB.
Toelichting: De meest recente waarnemingen betreffen 31 december 2019.

Ten tweede besloot de Raad de nettoaankopen van obligaties in het kader van het APP vanaf 1 november te hervatten in een maandelijks tempo van €20 miljard (zie Grafiek 18), met het vooruitzicht de nettoaankopen te beëindigen kort vóór de Raad van Bestuur de basisrentetarieven van de ECB zou beginnen te verhogen. De Raad van Bestuur herhaalde ook het voornemen om de hoofdsommen van de op vervaldag gekomen effecten die waren aangekocht in het kader van het APP, integraal te blijven herinvesteren, en wel tot lang na het tijdstip waarop de Raad de basisrentetarieven van de ECB zou beginnen te verhogen, en in ieder geval zolang als nodig om de gunstige liquiditeitsvoorwaarden en een ruime mate van monetaire accommodatie te handhaven.

Grafiek 18

Maandelijkse nettoaankopen van activa en totale aflossingen in het kader van het APP in 2019

(EUR miljard)

Bron: ECB.
Toelichting: Maandelijkse nettoaankopen tegen boekwaarde en maandelijkse aflossingsbedragen. Tijdens de herinvesteringsfase houdt het Eurosysteem zich aan het principe van marktneutraliteit via een vlotte en flexibele tenuitvoerlegging. Daartoe worden de herinvesteringen van hoofdsommen over het jaar gespreid om een regelmatige en evenwichtige marktaanwezigheid mogelijk te maken. Bovendien kunnen supplementaire nettoaankopen van activa ook over de belendende maanden worden gespreid om in te spelen op de verwachte lagere marktactiviteit in sommige maanden (bijvoorbeeld december). Bijgevolg zijn de maandelijkse nettoaankopen niet precies gelijk aan de maandelijkse doelstelling voor de nettoaankopen van activa. De meest recente waarnemingen betreffen 31 december 2019.

Ten derde besloot de Raad de derde reeks TLTRO's te herijken met een aantrekkelijker rente voor de deelnemende banken (banken waarvan de kredietverlening een minimale maatstaf overtreft, zouden nu kunnen lenen tegen een rente die zo laag zou kunnen zijn als de gemiddelde rente op de depositofaciliteit gedurende de looptijd van de transactie) en een langere looptijd (drie jaar in plaats van twee jaar). De voordeligere TLTRO-voorwaarden beoogden gunstige bancaire kredietvoorwaarden in stand te houden, de soepele doorwerking van het monetair beleid te waarborgen en de accommoderende monetairbeleidskoers verder te ondersteunen.

Om ten slotte de transmissie van het monetair beleid via de banken te vrijwaren, werd een tweeledig systeem voor de vergoeding van reserves ingevoerd, dat een deel van de door de banken aangehouden overreserves in contanten vrijstelt van de negatieve rente op de depositofaciliteit.

Alle elementen van het op de monetairbeleidsvergadering van de Raad van Bestuur in september goedgekeurde pakket maatregelen waren erop gericht elkaar aan te vullen bij het verschaffen van monetaire impulsen en de convergentie van de inflatie in de richting van de doelstelling van de Raad van Bestuur te ondersteunen. De verlaging van de rente op de depositofaciliteit en de aangescherpte situatiegebonden forward guidance droegen bij tot het verankeren van de rentetarieven op korte tot middellange termijn, die belangrijk zijn voor de tarifering van leningen aan bedrijven in het eurogebied. De vernieuwde nettoaankopen van activa en de verwachte herinvesteringstermijn verankerden de rentetarieven op middellange tot langere termijn, die belangrijk zijn voor de tarifering van hypothecaire leningen aan huishoudens. TLTRO III werd herijkt om gunstige bancaire kredietvoorwaarden in stand te houden, een soepele doorwerking van het monetair beleid te waarborgen en de banken aan te moedigen om hun cliënten krediet te blijven verstrekken. Ten slotte had het tweeledig systeem voor de vergoeding van reserves tot doel de directe kosten van de negatieve rente voor banken te verlichten, om de transmissie van het monetair beleid via de banken te ondersteunen. Bijgevolg bleven de soepeler marktfinancieringsvoorwaarden doorwerken in de voor bedrijven en huishoudens geldende kredietvoorwaarden.

Toezicht op het inflatieverloop in het licht van een voorzichtige stabilisatie van de groeivooruitzichten, en bereidheid om op te treden

Tegen het einde van het jaar bleven de maatstaven van de onderliggende inflatie, na drie opeenvolgende versoepelingen van het monetair beleid in de loop van 2019, over het algemeen gematigd en was de groeidynamiek van het eurogebied nog steeds zwak, hoewel er enkele eerste aanwijzingen waren dat de groeivertraging zich stabiliseerde en de onderliggende inflatie licht toenam in overeenstemming met eerdere projecties. Gelet op die ontwikkelingen en aangezien het enige tijd vergde alvorens alle maatregelen hun volledige effect uitoefenden, kondigde de Raad van Bestuur op zijn vergadering van december aan nauwlettend toe te zien op het inflatieverloop en de doorwerking in de economie van de in september genomen monetairbeleidsmaatregelen. In ieder geval werd beklemtoond dat de Raad steeds klaarstond om, zo nodig, al zijn instrumenten aan te passen, teneinde ervoor te zorgen dat de inflatie zich op duurzame wijze ontwikkelde in de richting van de doelstelling, overeenkomstig het belang dat de Raad hecht aan symmetrie.

In het licht van de aanhoudende onzekerheden en de neerwaartse risico’s werd het monetair beleid gedurende het jaar 2019 in aanzienlijke mate verder versoepeld. Alle elementen van de genomen maatregelen bleven samen hun invloed uitoefenen en droegen bij tot een verdere daling van de financieringskosten van de banken (zie Grafiek 19). De zeer gunstige financieringsvoorwaarden voor de banken kwamen ten goede aan de ruimere economie, waarbij de kredietvoorwaarden voor bedrijven en huishoudens op — of in de buurt van — hun historische dieptepunt lagen (zie Grafiek 20). Alle besluiten die in de loop van 2019 werden genomen, droegen bij tot de in 2014 ingevoerde ruime monetairbeleidsversoepeling en bleven de verbetering van de economische resultaten van het eurogebied ondersteunen.

Grafiek 19

Samengestelde kosten van schuldfinanciering voor de banken

(samengestelde kosten van deposito’s en ongedekte schuldfinanciering via de markt; procenten per jaar)

Bronnen: ECB, Markit iBoxx en berekeningen van de ECB.
Toelichting: De samengestelde kosten van deposito’s worden berekend als het gemiddelde van de rentetarieven op nieuwe contracten van onmiddellijk opvraagbare deposito’s, deposito’s met een vaste looptijd en deposito’s met een opzegtermijn, gewogen naar de respectieve uitstaande bedragen. De meest recente waarnemingen betreffen 31 december 2019.

  

Grafiek 20

Samengestelde rentetarieven voor bankkredieten aan NFC’s en huishoudens

(procenten per jaar)

Bron: ECB.
Toelichting: De samengestelde rentetarieven voor bankkredieten worden berekend door de korte- en langetermijnrentes te aggregeren aan de hand van een 24-maands voortschrijdend gemiddelde van de volumes van de nieuwe contracten. De meest recente waarnemingen betreffen 31 december 2019.


2.2 De dynamiek van de balans van het Eurosysteem bij de hervatting van de nettoaankopen van activa

De omvang van de balans van het Eurosysteem bleef in 2019 onveranderd

Sinds het uitbreken van de wereldwijde financiële crisis in 2007-2008 heeft het Eurosysteem een hele reeks zowel conventionele als niet-conventionele monetairbeleidsmaatregelen genomen, die mettertijd een rechtstreeks effect hebben gehad op de omvang en de samenstelling van de balans van het Eurosysteem. De niet-conventionele maatregelen omvatten herfinancieringstransacties met een oorspronkelijke looptijd tot vier jaar om financiering te verstrekken aan tegenpartijen, alsook aankopen (in het kader van het APP) van door private en openbare entiteiten uitgegeven activa. In december 2018 zette het Eurosysteem de nettoaankopen van activa in het kader van het APP stop, en in 2019 herinvesteerde het volledig de hoofdsommen van de op vervaldag gekomen effecten. Vanaf 1 november 2019 hervatte het Eurosysteem de nettoaankopen van activa ten belope van gemiddeld €20 miljard per maand. De balans van het Eurosysteem beliep eind 2019 €4,7 biljoen en bleef daarmee ongewijzigd ten opzichte van eind 2018.

Eind 2019 bedroegen de met het monetair beleid verband houdende activa €3,3 biljoen, of 70% van de totale activa op de balans van het Eurosysteem (tegen 72% eind 2018). Die met het monetair beleid verband houdende activa omvatten kredietverleningen aan kredietinstellingen van het eurogebied, die 13% van de totale activa uitmaakten (tegen 16% eind 2018), en voor monetairbeleidsdoeleinden aangekochte activa, die ongeveer 56% van de totale activa vertegenwoordigden, eenzelfde percentage als eind 2018 (zie Grafiek 21). Andere financiële activa op de balans bestonden hoofdzakelijk uit door het Eurosysteem aangehouden vreemde valuta’s en goud en in euro luidende niet-monetairbeleidsportefeuilles.

Aan de passiefzijde bleef het totale bedrag van de door de tegenpartijen aangehouden reserves en hun beroep op de depositofaciliteit grotendeels ongewijzigd op €2 biljoen; eind 2019 maakte het 39% van de passiva uit, evenveel als eind 2018. Na de aankondiging van het tweeledig systeem voor de vergoeding van reserves, dat vanaf 30 oktober 2019 van kracht is, verschoof een aanzienlijk deel van de liquide middelen die tegenpartijen bij het Eurosysteem aanhouden, naar reserves ten koste van het beroep op de depositofaciliteit. Eind 2019 bedroeg dit beroep 15% van de totale bij het Eurosysteem aangehouden kasvoorraad, tegen 34% eind 2018. De bankbiljetten in omloop namen toe in overeenstemming met de historische groeitendens, zodat hun aandeel in de passiva steeg van 26% eind 2018 tot 28% eind 2019. De overige passiva, met inbegrip van kapitaal en herwaarderingsrekeningen, beliepen 34% en bleven onveranderd ten opzichte van eind 2018 (zie Grafiek 21).

Grafiek 21

Verloop van de geconsolideerde balans van het Eurosysteem

(EUR miljard)

Bron: ECB.
Toelichting: Positieve cijfers hebben betrekking op activa, negatieve op passiva. De lijn voor liquiditeitsoverschotten stelt een positieve waarde voor, hoewel die lijn verwijst naar de som van de volgende passiefposten: rekening-couranttegoeden bovenop de reserveverplichtingen en beroep op de depositofaciliteit.

Gemiddelde looptijd van de APP-portefeuille en verdeling over activa en rechtsgebieden

Het APP omvat vier actieve programma’s voor de aankoop van activa: het derde programma voor de aankoop van gedekte obligaties (covered bond purchase programme - CBPP3), het programma voor de aankoop van effecten op onderpand van activa (asset-backed securities purchase programme - ABSPP), het programma voor de aankoop van door de publieke sector uitgegeven schuldbewijzen (public sector purchase programme - PSPP) en het programma voor de aankoop van door de bedrijvensector uitgegeven schuldbewijzen (corporate sector purchase programme - CSPP). Ingevolge de besluiten van de Raad van Bestuur zijn de maandelijkse doelstellingen voor de nettoaankopen in het kader van het APP mettertijd veranderd.

Eind 2019 beliepen de in het kader van het APP aangehouden effecten €2,6 biljoen.

Eind 2019 beliepen de in het kader van het APP aangehouden effecten €2,6 biljoen (tegen geamortiseerde kostprijs). Het ABSPP vertegenwoordigde aan het einde van het jaar 1% (€28 miljard) van de totale APP-portefeuille, het CBPP3 10% (€264 miljard) en het CSPP 7% (€185 miljard). Onder de aankoopprogramma’s van de private sector droeg het CSPP in de laatste twee maanden van 2019 het meest bij tot de toename van de APP-effecten, met nettoaankopen voor €7,7 miljard. De aankopen in het kader van het CSPP berusten op een maatstaf die de marktkapitalisatie van alle in aanmerking komende uitstaande obligaties weerspiegelt.

Het PSPP maakte 82% van de totale APP-portefeuille uit

Het PSPP vormde het grootste deel van de APP-portefeuille; eind 2019 bedroeg het €2,1 biljoen of 82% van alle in het kader van het APP aangehouden effecten, hetzelfde percentage als eind 2018. Voor het PSPP werd de toerekening van de aankopen aan de rechtsgebieden bepaald door de kapitaalverdeelsleutel van de ECB op basis van de uitstaande bedragen. Binnen het individueel aan de nationale centrale banken van het eurogebied (NCB’s) toegewezen aandeel konden de NCB’s flexibel kiezen tussen aankopen van effecten van de centrale overheid, effecten van regionale overheden en effecten die werden uitgegeven door in de respectieve rechtsgebieden gevestigde overheidsgerelateerde instanties. Sommige NCB’s kochten ook effecten aan die door supranationale instellingen van de EU werden uitgegeven. De ECB kocht geen door supranationale instellingen van de EU uitgegeven schuldbewijzen of obligaties van regionale overheden aan. De gewogen gemiddelde looptijd van de in het kader van het PSPP aangehouden effecten kwam eind 2019 op 7,12 jaar uit, iets minder dan de 7,37 jaar aan het einde van 2018, met enige variatie tussen de rechtsgebieden.[23]

Het Eurosysteem herinvesteerde de hoofdsommen van de op vervaldag gekomen effecten die in de APP-portefeuilles worden aangehouden. De aflossingen in het kader van de aankoopprogramma’s van de private sector beliepen €37,2 miljard in 2019, terwijl de aflossingen in het kader van het PSPP €167,3 miljard bedroegen.[24] De via het PSPP, het CSPP en het CBPP3 aangekochte activa werden verder beschikbaar gesteld voor effectenleningen[25] teneinde de liquiditeit op de obligatie- en repomarkt te ondersteunen.[26]

Verloop van de herfinancieringstransacties van het Eurosysteem

Het uitstaande bedrag van de herfinancieringstransacties van het Eurosysteem is sinds eind 2018 met €109,3 miljard gedaald, tot €624,1 miljard eind 2019. Dit kan grotendeels worden toegeschreven aan de vrijwillige aflossingen van TLTRO II-transacties ten belope van €208 miljard. Het in de eerste twee transacties van de TLTRO III-reeks toegewezen bedrag van €101,1 miljard compenseerde slechts gedeeltelijk de daling van de uitstaande herfinancieringstransacties ten gevolge van TLTRO II-aflossingen. De gewogen gemiddelde looptijd van de uitstaande herfinancieringstransacties van het Eurosysteem liep terug van ongeveer 1,8 jaar eind 2018 tot ongeveer 1,2 jaar eind 2019.


2.3 De aan het APP verbonden financiële risico's worden getemperd door passende risicobeheersingskaders

Risico-efficiëntie is een basisprincipe van de risicobeheerfunctie van het Eurosysteem

De belangrijkste doelstelling van de vernieuwde nettoaankopen van activa in het kader van het APP bestaat erin de robuuste convergentie van de inflatie in de richting van de middellangetermijndoelstelling van de Raad van Bestuur te ondersteunen. Tegelijkertijd zouden de aankopen van activa zowel noodzakelijk als proportioneel moeten zijn om het mandaat van de ECB te vervullen en haar doelstelling van prijsstabiliteit te verwezenlijken. Indien de beleidsdoelstellingen op diverse manieren kunnen worden bereikt, moet een manier worden gekozen die zowel uit operationeel oogpunt als uit risico-oogpunt efficiënt is. Tegen die achtergrond streeft de risicobeheerfunctie van het Eurosysteem risico-efficiëntie na: de beleidsdoelstellingen halen met zo weinig mogelijk risico’s voor het Eurosysteem.[27]

Aan alle monetairbeleidsinstrumenten, inclusief de outright activa-aankopen, zijn inherent financiële risico’s verbonden, die door het Eurosysteem worden beheerd en beheerst. De outright activa-aankopen vergen specifieke kaders ter beheersing van de financiële risico’s die afhankelijk zijn van de specifieke beleidsdoelstellingen en van de kenmerken en risicoprofielen van de verschillende types van activa. Ieder kader bestaat uit toelaatbaarheidscriteria, kredietrisicobeoordelings- en zorgvuldigheidsprocedures, waarderingskaders, benchmarks en limieten. De APP-risicobeheersingskaders zijn van toepassing op de aankoop van aanvullende activa, de herinvestering van de hoofdsommen van in het kader van het APP aangekochte effecten die hun vervaldag bereiken en van APP-effecten zolang ze op de balans van het Eurosysteem zijn opgenomen.

Outright activa-aankopen vergen specifieke risicobeheersingskaders

De risicobeheersingskaders hebben niet alleen tot doel de financiële risico's te beperken, maar dragen ook bij tot een succesvolle realisatie van de beleidsdoelstellingen door de activa-aankopen te sturen in de richting van een gediversifieerde, marktneutrale portefeuillesamenstelling. Bovendien zijn de risicobeheersingskaders zodanig ontworpen dat ze ook rekening houden met niet-financiële risico’s zoals juridische, operationele en reputatierisico’s.

Hieronder worden de huidige risicobeheersingskaders voor financiële risico's beschreven die de tenuitvoerlegging van het APP bepalen.[28] In Tabel 1 worden de kernelementen van de toepasselijke kaders samengevat.

Tabel 1

Kernelementen van de risicobeheersingskaders voor het APP

Bron: ECB.
Toelichting: CQS: credit quality step - kredietkwaliteitscategorie zoals in de geharmoniseerde ratingschaal van het Eurosysteem (zie het kredietbeoordelingskader van het Eurosysteem); CAC: collective action clause - collectieve-actieclausule.
1) Effecten op onderpand van activa met een rating lager dan kredietkwaliteitscategorie 2 moeten aan aanvullende vereisten voldoen, waaronder: (i) geen niet-renderende leningen als onderpand voor de effecten op onderpand van activa bij de uitgifte of toegevoegd tijdens de looptijd ervan; (ii) de kasstroom genererende activa die worden aangewend als onderpand voor de effecten op onderpand van activa mogen niet gestructureerd of gesyndiceerd zijn en geen hefboomwerking hebben; en (iii) er moeten bepalingen inzake aflossingscontinuïteit zijn.
2) Zie de pagina “Implementation aspects of the public sector purchase programme (PSPP)” op de website van de ECB.

Toelaatbaarheidsvereisten voor outright activa-aankopen

De beleenbaarheidscriteria gelden voor alle activacategorieën

Enkel verhandelbare activa die worden aanvaard als onderpand voor krediettransacties van het Eurosysteem, komen potentieel in aanmerking voor outright activa-aankopen. De beleenbaarheidscriteria inzake onderpand voor krediettransacties van het Eurosysteem worden vermeld in het algemeen beleidskader voor monetairbeleidsinstrumenten. In aanmerking komende activa moeten onder meer voldoen aan hoge kredietkwaliteitsnormen waarbij ze beschikken over ten minste één kredietrating[29] van een binnen het kredietbeoordelingskader van het Eurosysteem (Eurosystem credit assessment framework - ECAF) aanvaarde externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) die behoort tot de kredietkwaliteitscategorie 3 (CQS 3) van de geharmoniseerde ratingschaal van het Eurosysteem of hoger (CQS 1 en CQS 2). De activa moeten bovendien in euro luiden en worden uitgegeven en afgewikkeld in het eurogebied. Voor effecten op onderpand van activa (asset-backed securities - ABS’s), moeten de debiteuren van de respectieve vorderingen hoofdzakelijk in het eurogebied gevestigd zijn.

Behalve de bovengenoemde toelaatbaarheidscriteria zijn specifieke toelaatbaarheidscriteria van toepassing, afhankelijk van het aankoopprogramma. Zo gelden voor het PSPP en het CSPP minimale en maximale looptijden. Voor het CSPP komen activa die worden uitgegeven door kredietinstellingen of door emittenten waarvan de moederonderneming een kredietinstelling is, niet in aanmerking voor aankoop. Voor het CSPP en het CBPP3 komen door afwikkelingsentiteiten en vermogensbeheermaatschappijen uitgegeven activa bovendien niet in aanmerking voor aankopen. In het CBPP3 moeten de activa voldoen aan de noodzakelijke voorwaarden om als onderpand voor eigen gebruik ten behoeve van krediettransacties van het Eurosysteem te worden aanvaard, wat betekent dat ze door de uitgevende kredietinstelling als onderpand kunnen worden gebruikt.[30] Voorts komen “conditional pass-through covered bonds” vanaf 1 januari 2019 niet langer in aanmerking voor aankoop. Daarnaast mogen de activa-aankopen het in artikel 123, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie omschreven verbod op monetaire financiering van overheden niet omzeilen.

Kredietrisicobeoordelingen en zorgvuldigheidsprocedures

Kredietrisicobeoordelingen en zorgvuldigheidsonderzoeken vinden voortdurend plaats

Voor de aankoopprogramma's van de private sector onderwerpt het Eurosysteem het voor aankoop in aanmerking komende universum voortdurend aan passende kredietrisicobeoordelingen en zorgvuldigheidsprocedures. De monitoringkaders steunen op bepaalde risico-indicatoren. Die beoordelingen en procedures stemmen overeen met het evenredigheidsbeginsel, waarbij risicovollere activa aan een diepgaander analyse worden onderworpen. Zo nodig kunnen aanvullende risicobeheersingsmaatregelen worden toegepast, die ook voldoen aan het evenredigheidsbeginsel. Deze omvatten met name beperkingen op of de opschorting van aankopen en, in uitzonderlijke gevallen, zelfs de verkoop van activa, waarvoor een beoordeling per geval door de Raad van Bestuur vereist is.

Waarderingskaders

De waarderingskaders garanderen dat de aankopen plaatsvinden tegen marktprijzen

De waarderingskaders voor het APP garanderen dat de aankopen tegen marktprijzen plaatsvinden teneinde marktverstoringen tot een minimum te beperken en op een vlottere manier risico-efficiëntie te realiseren. In deze waarderingskaders wordt rekening gehouden met de beschikbare marktprijzen, de kwaliteit van die prijzen en de reële waarde. Voorts worden achteraf prijscontroles uitgevoerd om na te gaan of de transactieprijzen stroken met de marktprijzen op het tijdstip van de transacties.

Aankopen van in aanmerking komende schuldinstrumenten met een negatief effectief rendement zijn toegestaan in alle programma’s voor de aankoop van activa, ook in die, voor zover nodig, met een rendement dat lager ligt dan de rente op de depositofaciliteit.[31]

Benchmarks

Benchmarks worden gebruikt om diversificatie te waarborgen

Benchmarks worden gebruikt om een gediversifieerde portefeuille uit te bouwen; ze helpen ook de risico’s beperken. De benchmarks voor de aankoopprogramma's van de private sector worden bepaald door de marktkapitalisatie van het voor aankoop in aanmerking komende universum, dat zijn de nominale uitstaande bedragen van de toelaatbare activa die aan de risicovereisten voldoen. Voor het PSPP bepaalt de kapitaalverdeelsleutel van de ECB de toerekening van de aankopen aan de rechtsgebieden op basis van de uitstaande bedragen.

Limieten

Emissie- en emittentenlimieten zijn een doeltreffend instrument om risicoconcentratie te beperken

Voor het APP gelden limietenraamwerken. Bij de kalibratie van de emissie- en emittentenlimieten[32] wordt rekening gehouden met beleidsmatige, operationele en juridische overwegingen en risicobeheersingsoverwegingen. De limieten worden afgestemd op de activaklasse, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen activa van de publieke sector en activa van de private sector.

In het PSPP worden emissie- en emittentenlimieten toegepast om de marktwerking en de prijsvorming te vrijwaren, risicoconcentratie te beperken en te garanderen dat het Eurosysteem geen dominante schuldeiser van de overheden van het eurogebied wordt. De emissielimiet voor supranationale obligaties die in aanmerking komen voor het PSPP, bedraagt 50% van het uitstaande bedrag van het uitgegeven activum. Voor alle andere voor het PSPP in aanmerking komende obligaties werd de emissielimiet vastgesteld op 33% van het uitstaande bedrag van de emissie, waarbij per geval moet worden nagegaan of die limiet er niet toe zou leiden dat het Eurosysteem een blokkeringsminderheid zou hebben voor de toepassing van collectieve-actieclausules. Anders bedraagt de emissielimiet 25%. De emittentenlimiet voor supranationale emittenten werd vastgesteld op 50% van het uitstaande bedrag van beleenbare activa die door de respectieve instellingen werden uitgegeven; voor andere in aanmerking komende emittenten beloopt die limiet 33%.

Voor de aankoopprogramma's van de private sector bedraagt de emissielimiet 70%. In het CSPP gelden in specifieke gevallen lagere emissielimieten, bijvoorbeeld voor activa die worden uitgegeven door overheidsbedrijven; deze worden op een soortgelijke wijze behandeld als in het kader van het PSPP. Naast die emissielimieten worden voor het CBPP3 en het CSPP emittentenlimieten toegepast. Voor het CSPP worden de emittentenlimieten bepaald op basis van een op benchmarking gebaseerde toewijzing die samenhangt met de marktkapitalisatie van een emittentengroep, dit teneinde een gediversifieerde toewijzing van aankopen te waarborgen. Bovendien kunnen lagere limieten van toepassing zijn indien, zoals hierboven toegelicht, het resultaat van de kredietrisicobeoordeling en de zorgvuldigheidsprocedures dat rechtvaardigt.


3 De financiële sector van het eurogebied: toenemende weerbaarheid van de banken tegen risico’s

De risico’s voor de financiële sector van het eurogebied bleven in 2019 een uitdaging vormen. Enerzijds ondersteunden verscheidene factoren de financiële stabiliteit, waaronder de groeiende economie en een solide kapitalisatie van de banken in het eurogebied. Anderzijds hadden de steeds grotere neerwaartse risico’s voor de toekomstige groei een nadelige invloed op de financiële stabiliteit. De grote risico’s die op de financiële markten en de vastgoedmarkten werden genomen, bleven de groei van kwetsbaarheden voor activaprijzen in de hand werken, terwijl de risico’s in de groeiende niet-bancaire financiële sector verder opliepen. In die omgeving voerden de landen van het eurogebied, in overleg met de ECB, een aantal macroprudentiële maatregelen uit om systeemrisico's te temperen en de weerbaarheid ertegen te verhogen. ECB-Bankentoezicht nam daarnaast microprudentiële maatregelen en droeg verder bij tot een stabiele Europese banksector. In 2019 bleef de ECB ook deelnemen aan de besprekingen over de voltooiing van de bankenunie en de kapitaalmarktenunie, en beklemtoonde ze dat het belangrijk is instrumenten te ontwikkelen om de risico's in de niet-bancaire financiële sector te beperken.


3.1 De omgeving voor de financiële stabiliteit in 2019

De omgeving voor de financiële stabiliteit bleef uitdagend in 2019. De wereldwijde economische vooruitzichten verslechterden in de loop van het jaar en de verhoogde politieke en beleidsmatige onzekerheid brachten grote neerwaartse risico’s met zich mee. In deze context werden de markten in toenemende mate gestuurd door de verwachting van een verdere versoepeling van het monetaire beleid en van een vlucht naar veiligheid. Dit leidde tot aanzienlijk lagere rendementen op overheidsobligaties en bedrijfsobligaties met een hoge rating. De omgeving gekenmerkt door een lage (of negatieve) rente en lage rendementen op veilige activa vormde een uitdaging voor de winstgevendheid van de financiële instellingen. In reactie daarop namen investeringsfondsen en verzekeraars grotere risico’s. De verslechterende groeivooruitzichten en de bijbehorende verwachte “voor langere tijd lagere” renteomgeving zwakten de winstvooruitzichten van de banken verder af. Banken werden echter gesteund door afnemende financieringsnoden tegen de achtergrond van lagere financieringskosten en een verbeterde toegang tot de obligatiemarkt, en ze bleven voldoende gekapitaliseerd, met een tier 1-kernkapitaalratio (Common Equity Tier 1 – CET1) van 14,2 %.

Voor de financiële stabiliteit werden vier belangrijke risico’s vastgesteld

De ECB stelde in 2019 vier belangrijke risico's voor de financiële stabiliteit van het eurogebied vast over een periode van twee jaar en besprak die in haar halfjaarlijkse Financial Stability Review (zie Figuur 1):

Figuur 1

Belangrijkste risico’s voor de financiële stabiliteit in het eurogebied

Bron: ECB.
Toelichting: Beoordeling van de financiële stabiliteit op 20 november 2019.

  • Ten eerste bleven kwetsbaarheden in de activaprijzen in 2019 prominent aanwezig, waarbij de ECB de nadruk legde op het risico van verstorende prijsaanpassingen op de mondiale financiële markten. In 2019 nam de zoektocht naar rendement toe, waarbij de aandelenkoersen in het eurogebied met ongeveer 20% stegen ondanks de lagere bedrijfswinsten en het verslechterende macro-economische klimaat, en minder dan 10% van de wereldwijd uitstaande obligaties een rendement van 3% of meer boden. Abrupte correcties in de aandelenmarkten en de lager gewaardeerde vastrentende markten bleven bijgevolg een risico, vooral gezien de hoge economische en politieke onzekerheid. Als gevolg van de lagerenteomgeving bleven de vastgoedprijzen in het eurogebied in 2019 stijgen. De waarschuwingen en aanbevelingen van het Europees Comité voor Systeemrisico’s over kwetsbaarheden van het residentieel vastgoed wezen er inderdaad op dat een aanhoudende sterke prijsdynamiek, in combinatie met een vrij krachtige groei van de hypothecaire kredietverlening en een hoge schuldenlast van de huishoudens, in een aantal landen belangrijke risico’s vormden (zie Paragraaf 3.2).
  • In de tweede plaats hield de bezorgdheid over de houdbaarheid van de overheidsschuld en de schuld in de private sector in verschillende landen aan, aangezien het schuldniveau in de publieke sector en/of niet-financiële private sector, zowel naar historische als naar internationale maatstaven, vaak hoog bleef. Hoewel de lage financieringskosten de druk op de houdbaarheid van de schuld op korte termijn verlichtten, bleven de publieke en private financiën blootgesteld aan het risico van een plotselinge verandering in de stemming op de financiële markten of verslechterende macro-economische omstandigheden. Een plotselinge opwaartse correctie van de heel lage rentetarieven zou bijzonder schadelijk kunnen zijn voor huishoudens en niet-financiële vennootschappen in landen waar leningen met een variabele rente de overhand hebben.
  • Ten derde namen de kwetsbaarheden toe in de banksector van het eurogebied. De winstgevendheid van de banken in het eurogebied bleef in 2019 laag en de winstvooruitzichten zwakten af tegen de achtergrond van de verslechterende groeivooruitzichten en de aanhoudende lagerenteomgeving. Hoewel het aantal niet-renderende leningen in een gematigd tempo bleef dalen, waren in delen van de banksector verdere verbeteringen nodig. Ook overcapaciteit en kosteninefficiënties bleven in veel gevallen de winstvooruitzichten op lange termijn van de banken drukken.
  • Ten vierde bleven kwetsbaarheden zich opbouwen in de niet-bancaire financiële sector doordat er meer risico’s werden genomen. Beleggingsfondsen en verzekeraars bleven risico’s nemen als gevolg van de dalende opbrengsten op activa met een hogere rating. Tegelijkertijd gaf de daling van de zeer liquide activa en de grote hefboomwerking in de beleggingsfondsensector aanleiding tot bezorgdheid over het potentieel voor plotselinge en grote aflossingen en beleggingsgedrag dat elke marktvolatiliteit zou kunnen versterken.

De ECB wees in de loop van 2019 ook op andere kwetsbaarheden die buiten de korte tot middellange termijn liggen en die mogelijk negatieve gevolgen hebben voor de financiële sector. Er werden met name meer inspanningen geleverd om de gevolgen van de klimaatverandering voor de financiële stabiliteit te beoordelen en er werd beter gecommuniceerd over dit onderwerp. De ECB streeft ernaar binnen haar mandaat een bijdrage te leveren aan de algemene inspanningen om de potentiële negatieve gevolgen van de klimaatverandering te beperken, en focust daarbij op verschillende belangrijke gebieden (zie Kader 3). De ECB wil ook haar eigen impact op het milieu verminderen en verlaagde haar CO2-uitstoot per werkplek tussen 2008 en 2018 met 74% (zie ook Kader 3). Daarnaast onderzocht de ECB in de loop van 2019 de gevolgen van de ontwikkelingen in de financiële technologie op het microprudentiële en macroprudentiële niveau (zie Kader 4).

Kader 3
De ECB en de klimaatverandering

Klimaatgerelateerde risico’s (of risico’s als gevolg van de opwarming van de aarde) zijn steeds belangrijker geworden voor het financieel stelsel en de economie als geheel via twee belangrijke kanalen: de fysieke risico’s en de transitierisico’s. Fysieke risico’s houden onder andere verband met de toegenomen ernst en frequentie van ongunstige weersomstandigheden. Als deze risico’s werkelijkheid worden, heeft dat negatieve gevolgen voor de waarde van activa, de prijzen van goederen en het onderpand in de getroffen gebieden, en ondervinden talrijke economische actoren, waaronder ook verzekeringsondernemingen, banken en andere financiële instellingen, daar nadelen van. De fysieke risico’s zijn nu al merkbaar en nemen wereldwijd toe.[33] Transitierisico’s hebben te maken met de mogelijke neveneffecten en kosten van beleidsmaatregelen die erop gericht zijn de klimaatrisico’s in te perken. De daaruit voortvloeiende aanpassing naar een koolstofarme economie kan op een ordelijke of wanordelijke manier plaatsvinden. Een abrupte invoering van beleidsmaatregelen of de impact van nieuwe technologieën kunnen bijvoorbeeld aanleiding geven tot marktrisico’s voor banken en andere beleggers, als gevolg van onverwachte dalingen van de activaprijzen en van potentiële paniekverkopen van koolstofintensieve activa. Bovendien kunnen het transitiebeleid of het daarmee gerelateerde beleid de winstgevendheid van koolstofintensieve bedrijven verlagen, wat leidt tot hogere kredietrisico’s voor banken die aan deze sectoren zijn blootgesteld. Dit kan ook leiden tot outputverliezen en relatieve prijswijzigingen.

Beleidsmakers moeten een beslissing nemen als ze de klimaatverandering willen aanpakken: ze kunnen nu van start gaan met wellicht dure beleidsmaatregelen ter beperking van de klimaatrisico's om een tijdige en ordelijke transitie naar een koolstofarme economie te garanderen, of ze kunnen geen actie ondernemen en het risico lopen op het “tragedie van de horizon”-scenario, waarin klimaatgerelateerde risico’s te laat zullen worden aangepakt en forse transitierisico’s en fysieke risico’s tegelijkertijd werkelijkheid kunnen worden.[34] Er is al erkend dat milieu-externaliteiten in de eerste plaats moeten worden gecorrigeerd door middel van een “first best”-beleid, zoals belastingen, maar dat alle autoriteiten in hun eigen bevoegdheidsgebied moeten nadenken over een passende reactie op de klimaatverandering en de daaraan verbonden risico’s.[35] De ECB zal in haar evaluatie van de monetairbeleidsstrategie de mogelijke deelname van het Eurosysteem aan de aanpak van de klimaatveranderingsrisico’s beoordelen en nagaan of en hoe ze – binnen haar mandaat – hiertoe kan bijdragen.

Tegen deze achtergrond kan de ECB binnen haar mandaat een bijdrage leveren aan de algemene inspanningen om de potentiële negatieve gevolgen van de klimaatverandering te beperken in gebieden waar dat het meest doeltreffend kan zijn en waar dat operationeel haalbaar is. Meer in het bijzonder zijn de inspanningen van de ECB toegespitst op de volgende belangrijke gebieden: (1) versterking van economische analyse, prognosemodellen en risicobeoordeling; (2) ontwikkeling van het toezicht op en de beoordeling van risico’s voor de financiële stabiliteit, met inbegrip van stresstests van de klimaatrisico’s; (3) bankentoezicht; (4) in aanmerking nemen van klimaatrisico’s in de eigen beleggings- en bedrijfstransacties; (5) beoordeling van de impact van de klimaatverandering op haar monetairbeleidskoers; (6) ondersteuning van Europese en internationale fora, wetgevers en normbepalers bij hun aanpak van de risico's van de klimaatverandering en de integratie van duurzaamheidsoverwegingen in de financiële besluitvorming; en (7) bescherming van het milieu met haar milieumanagementsysteem.

1. Economische analyse, prognosemodellen en risicobeoordeling

Het is voor de ECB belangrijk en steeds relevanter om bij haar beoordeling van de vooruitzichten voor de prijsstabiliteit in haar monetairbeleidsvoering rekening te houden met de gevolgen van de klimaatverandering en van het beleid inzake klimaatverandering. In dit verband zal de klimaatverandering deel uitmaken van de komende evaluatie van de monetairbeleidsstrategie. De ECB kon in haar economische kernanalyse al rekening houden met de impact van klimaatveranderingsschokken en gerelateerde beleidsmaatregelen. Technologische beleidsmaatregelen en fiscale mitigatie- en adaptatiebeleidsmaatregelen, zoals een koolstoftaks, hebben doorgaans een direct effect op de prijzen. Het effect op de inflatie kan ook indirect zijn, via de vraag- en aanbodsituatie in de economie, die op haar beurt de investerings- en productiviteitsgroei beïnvloedt. De vereiste klimaatvriendelijke beleidsmaatregelen hebben vandaar ook gevolgen voor de begrotingssaldi van de landen en de operationele kosten van ondernemingen in de blootgestelde sectoren, wat uiteindelijk gevolgen zal hebben voor de prijszetting. De klimaatverandering zelf kan ook resulteren in een geleidelijke transformatie van het gedrag en de consumptiepatronen van de huishoudens, met gevolgen voor de groeidynamiek, zowel wat het gemiddelde als de volatiliteit van de productiegroei betreft. Dergelijke effecten vertalen zich uiteindelijk in gevolgen voor het vermogen en de potentiële output. De ECB analyseert steeds meer de macro-economische implicaties van de klimaatverandering en het daarmee verbonden overheidsbeleid. De bevindingen van deze werkzaamheden zijn bedoeld om beter met dergelijke aspecten rekening te houden in de reguliere economische analyse, prognosemethoden en risicobeoordeling van de ECB. De gevolgen van de klimaatverandering voor de transmissiekanalen van monetair beleid en monetaire analyse, en met name voor kredietverlening, worden eveneens in aanmerking genomen.

2. Toezicht op en beoordeling van risico’s voor de financiële stabiliteit

Als onderdeel van de aanpassing aan de klimaatverandering, houdt de ECB actief toezicht op de fysieke risico’s en transitierisico’s voor banken en niet-bancaire financiële instellingen. Dit vereiste de ontwikkeling van een voldoende gedetailleerd inzicht in en toezicht op de koolstofintensiteit van de bankportefeuilles op bedrijfsniveau, op basis van blootstellingen aan niet-financiële vennootschappen en CO2-uitstoot.[36] Parallel hiermee wordt ook de focus gelegd op de ontwikkeling van een analytisch kader voor een proefanalyse van een klimaatstresstest voor de banksector van het eurogebied, die macroprudentieel van aard zal zijn.[37] Belangrijk is dat alle landen van de Europese Economische Ruimte hierbij betrokken zijn, onder leiding van een gezamenlijk projectteam voor klimaatrisicobeheer. Het team, dat verslag uitbrengt aan het technisch adviescomité van het Europees Comité voor Systeemrisico’s en het Comité voor financiële stabiliteit van het Europees Stelsel van Centrale Banken, heeft twee doelstellingen: (i) een toezichtraamwerk voor klimaatgerelateerde systeemrisico’s implementeren en (ii) toekomstgerichte scenario’s identificeren om klimaatrisico’s en transmissiekanalen te beoordelen in een stresstest. Aangezien de klimaatuitdaging een wereldwijde kwestie is, is het van cruciaal belang dat er een gemeenschappelijk inzicht in de financiële risico’s van de klimaatverandering wordt ontwikkeld. In dit verband zijn de ECB en verschillende nationale centrale banken van het Eurosysteem lid van het Netwerk voor vergroening van het financiële systeem (Network for Greening the Financial System - NGFS) en spelen ze, samen met de Raad voor Financiële Stabiliteit en het Bazels Comité voor Bankentoezicht (Basel Committee on Banking Supervision - BCBS), een belangrijke rol bij de beginnende klimaatrisicometingen voor de financiële stabiliteit.

3. Bankentoezicht

Klimaatgerelateerde risico’s zijn een significante risicodeterminant voor het bankenstelsel van het eurogebied.[38] Uit enquêtes die de ECB in 2019 bij de banken uitvoerde (die ongeveer 44% van de totale bankactiva in het eurogebied dekken) is gebleken dat de banken van het eurogebied steeds meer betrokken raken bij gezamenlijke initiatieven van de industrie om hun eigen methoden voor het meten van klimaatgerelateerde risico’s te versterken en bij te dragen tot bredere en meer vergelijkbare informatie. De ECB is van mening dat banken een tijdige en strategische benadering moeten volgen om deze risico’s in aanmerking te nemen, in overeenstemming met de beleidsboodschappen en verwachtingen die zijn opgenomen in het actieplan van de Europese Bankautoriteit (EBA) over duurzame financiering (EBA Action Plan on Sustainable Finance) dat in december 2019 werd gepubliceerd. De ECB werkt actief samen met nationale bevoegde autoriteiten, financiële toezichthouders (bv. de EBA en het BCBS) en andere centrale banken en toezichthouders (met name via het NGFS) om haar toezichtsbenadering van klimaatgerelateerde risico’s verder te ontwikkelen.[39]

4. Beleggingstransacties

De ECB draagt via haar eigen beleggingsbeslissingen bij tot de strijd tegen de klimaatverandering. Voor het pensioenfonds voor het ECB-personeel wordt een duurzaam investeringsbeleid gevolgd om de koolstofvoetafdruk van de ECB te verkleinen. Het brede beleggingsuniversum en de beleggingshorizon op de langere termijn van de pensioenfondsportefeuille voor het ECB-personeel maken een duurzaam en maatschappelijk verantwoord investeringsbeleid (DMVI) mogelijk, op basis van selectieve uitsluiting en richtlijnen voor het stemmen bij volmacht. De ECB machtigde haar externe vermogensbeheerders om voor hun aandelenbezit te stemmen bij volmacht. Die vermogensbeheerders sloten zich aan bij de door de Verenigde Naties gesteunde Principles for Responsible Investment, waardoor ze ecologische, sociale en bestuurlijke (governance) normen in hun stembeleid moeten opnemen. De ECB heeft ook besloten de huidige brede benchmarks voor de aandelenportefeuilles van haar pensioenfonds te vervangen door de koolstofarme versies van deze benchmarks. Ze werkt ook aan de praktische uitvoering van de DMVI-beginselen in haar eigen vermogensportefeuille, die bestaat uit haar gestorte kapitaal en haar algemene reservefonds, als onderdeel van haar deelname aan het NGFS en in overeenstemming met de onlangs gepubliceerde DMVI-handleiding voor het portefeuillebeheer van centrale banken.

5. Monetairbeleidstransacties

Volgens het beginsel van marktneutraliteit, kocht het Eurosysteem ook groene obligaties aan in het kader van haar vier programma's voor de aankoop van activa (dit zijn het programma voor de aankoop van effecten op onderpand van activa, het programma voor de aankoop van bedrijfsobligaties, het programma voor de aankoop van door de publieke sector uitgegeven schuldbewijzen en het derde programma voor de aankoop van gedekte obligaties) en ondersteunt ze hiermee de lopende inspanningen tegen de klimaatverandering. De ECB steunt initiatieven ter verbetering van de prijsstelling van de risico’s van de klimaatverandering en van de beoordeling van de daaraan verbonden transitierisico’s door private spelers. Dit houdt in dat externe kredietbeoordelingsinstellingen die erkend zijn door het kredietbeoordelingskader van het Eurosysteem, methodologieën en normen ontwikkelen en versterken voor de integratie van ESG-criteria in hun ratings, of andere meer specifieke ESG-scores ontwikkelen.

De ECB houdt kritisch toezicht op de mate waarin klimaatgerelateerde risico's worden geprijsd en bijgevolg geïntegreerd in de kredietvoorwaarden, en gaat na of er aanvullende maatregelen nodig zijn om de klimaatgerelateerde risico's te weerspiegelen in het universum van het onderpand dat in aanmerking komt voor krediettransacties van het Eurosysteem in het kader van verhandelbare activa. Meer in het algemeen worden de manieren waarop de klimaatverandering van invloed kan zijn op de monetairbeleidstransacties van de ECB naar verwachting in overweging genomen in de evaluatie van de monetairbeleidsstrategie van de ECB.

6. Europese en internationale initiatieven voor duurzame financiering

De ECB droeg bij aan verschillende Europese en internationale initiatieven ter verbetering van de collectieve respons op de klimaatverandering door duurzame en groene financiering te bevorderen. Op EU-niveau sloot de ECB zich aan bij het actieplan van de Europese Commissie voor de financiering van duurzame groei als een belangrijke stap in de richting van de integratie van duurzaamheid in de financiële besluitvorming en steunde zij de voorgestelde ontwikkeling van een gemeenschappelijke EU-taxonomie van duurzame activa als een belangrijke stap om groene financiering in omvang te doen toenemen. Als lid van de technische deskundigengroep over duurzame financiering, die werd opgericht om de initiatieven van de Europese Commissie naar aanleiding van haar actieplan te ondersteunen, heeft de ECB een in juni 2019 gepubliceerd technisch verslag helpen opstellen, waarin met name analytische input en technische ondersteuning worden verstrekt voor de beoordeling van de economische impact van de taxonomie. De ECB heeft breed samengewerkt met een grotere groep centrale banken en financiële toezichthouders in de hele wereld om groene financiering mainstream te maken en de bijdrage van de financiële sector aan de financiering van de transitie naar een groene economie op te schalen, met name binnen het raamwerk van het NGFS en in internationale fora zoals de G7.

7. Green ECB

Voor haar inspanningen om haar impact op het milieu te verminderen, ontving de ECB in 2019 opnieuw een certificaat in overeenstemming met het Europees milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS). Ze stelde ook nieuwe milieudoelstellingen voorop en nam maatregelen om haar inzet voor milieubescherming en de voortdurende verbetering van haar milieuprestaties te verhogen. In de loop van het jaar werden verschillende nieuwe maatregelen ingevoerd om de impact van het dagelijkse beheer op het milieu te beperken. De elektronische indiening voor openbare aanbestedingen is daar een voorbeeld van. De ECB heeft met het Europees Parlement ook een interinstitutionele samenwerking aangegaan om de residuele CO2-uitstoot gezamenlijk te compenseren en daarbij de vermijding en beperking van emissies als strategische prioriteiten van haar milieubeheersysteem gehandhaafd. De bewustmaking van de prangende uitdagingen van de klimaatverandering en van de noodzaak om zinvolle acties te ondernemen, bleef een centrale pijler van de inspanningen van de ECB op het gebied van milieubeheer. De ECB nam deel aan de EU-week van de mobiliteit en die van de afvalvermindering en bood haar personeel opleidingen over de klimaatverandering aan. In vergelijking met 2008 deden de milieu-inspanningen van de ECB in 2018 de CO2-uitstoot en het energieverbruik per werkplek met respectievelijk 74% en 54% dalen. Meer informatie over de milieuprestaties van de ECB is te vinden in haar milieuverklaring.


3.2 Macroprudentieel beleid om sectorbrede veerkracht op te bouwen

Macroprudentieel beleid is een belangrijk instrument om risico’s voor de financiële stabiliteit aan te pakken

Systeemrisico's in het financieel stelsel kunnen worden aangepakt met macroprudentieel beleid en de SSM-verordening kent de ECB in dit gebied een belangrijke rol en specifieke bevoegdheden toe. De ECB heeft met name de opdracht om de macroprudentiële maatregelen voor banken te beoordelen die zijn bepaald in de EU-wetgeving en die worden toegepast door de nationale autoriteiten van landen die deelnemen aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (Single Supervisory Mechanism – SSM). Ze heeft ook de bevoegdheid om dergelijke nationale maatregelen aan te scherpen. In reactie op de belangrijkste risico’s waarmee het eurogebied in 2019 werd geconfronteerd, voerden de nationale autoriteiten, in overleg met de ECB, opvallend meer macroprudentiële maatregelen uit dan in het voorgaande jaar, om de systeemrisico’s te beperken en de weerbaarheid ertegen te versterken.

Aanhoudende macroprudentiële inspanningen om de financiële stabiliteit te handhaven

De ECB beoordeelt macroprudentiële beleidsmaatregelen in de eurolanden

De ECB bleef zich zwaar inspannen op het gebied van macroprudentieel beleid en droeg zo in aanzienlijke mate bij tot het behoud van de financiële stabiliteit. Naast aanzienlijke analytische inspanningen, leverde de ECB een platform voor regelmatige gezamenlijke risicobeoordelingen en beleidscoördinatie tussen de ECB en de nationale autoriteiten in het eurogebied. De ECB en de nationale autoriteiten voerden opnieuw brede en open besprekingen over het gebruik van macroprudentiële instrumenten en over de ontwikkeling van de analytische toolkit voor het macroprudentieel beleid. Die inspanningen hebben het proces van, en de methoden voor de beoordeling van de systeemrisico’s en de toereikendheid van het macroprudentieel beleid in het eurogebied verder verbeterd.

Macroprudentiële buffers die kunnen worden vrijgegeven, kunnen een belangrijke anticyclische rol spelen

De macroprudentiële besprekingen in 2019 waren toegespitst op het belang van de veerkracht van banken en van hun vermogen om negatieve schokken in de macrofinanciële omgeving op te vangen. Alleen met buffers die kunnen worden vrijgegeven, kan macroprudentieel beleid een anticyclische rol spelen. Tegen die achtergrond is de anticyclische kapitaalbuffer (countercyclical capital buffer – CCyB) het belangrijkste instrument dat kan worden vrijgegeven wanneer cyclische risico’s bewaarheid worden. Een grotere beschikbaarheid van vrij te geven buffers in de vorm van CCyB’s zou dus een gelijktijdige schuldafbouw in het hele banksysteem - die tot een kredietschaarste zou kunnen leiden en de neergang zou kunnen verergeren - kunnen helpen vermijden. Dit onderstreept niet alleen de relevantie van het niveau van kapitaalbuffers, maar ook van de mogelijkheid om deze in tijden van financiële stress vrij te geven. Op dit moment bedragen de ingevoerde CCyB’s in het eurogebied 0,1% van de risicogewogen activa en blijven ze al met al klein in verhouding tot andere buffervereisten (zie Grafiek 22).

Grafiek 22

Uitsplitsing van kapitaalbuffers van banken

(in procenten)

Bron: ECB.
Toelichting: De minimumvereisten omvatten Pijler 1 CET1, de Pijler 2-vereiste en CET1-kapitaal om aan de tekorten voor Tier 1 en Tier 2 te voldoen. Structurele buffers omvatten kapitaalconserveringsbuffers, systeemrisicobuffers, alsook G-SII en O-SII-buffers. De managementbuffers zijn de buffers die de banken aanhouden boven deze wettelijke vereisten. De rechterbalk toont de aangekondigde CCyB-percentages vanaf maart 2020.

De ECB voltooide een evaluatie van het O-SII-bufferkader

In 2019 voltooide de ECB ook haar eerste evaluatie van het kader voor de minimumpercentages van de buffers voor andere systeemrelevante instellingen (O-SII) in het SSM-gebied. De O-SII-buffer moet de negatieve externe effecten beperken die een faillissement van systeemrelevante instellingen kan hebben op het binnenlandse financiële stelsel en de economie in het algemeen. De herziene methodologie voor de vaststelling van minimumpercentages voor de O-SII is gedetailleerder en verhoogt de minimale bufferpercentages voor de meest systeemrelevante banken (zie het Macroprudential Bulletin van maart 2020 voor meer details). Het nieuwe raamwerk zal ervoor helpen zorgen dat meer systeemrelevante banken in bepaalde rechtsgebieden hogere buffervereisten kunnen opgelegd krijgen, waardoor de risico's voor de financiële stabiliteit worden beperkt. Het zal geleidelijk worden ingevoerd vanaf 1 januari 2022.

Voorts versterkte de ECB haar communicatie over macroprudentiële beleidskwesties en verhoogde ze het bewustzijn door de lopende werkzaamheden en de opinies van de ECB ter zake transparanter te maken. De Financial Stability Review van november 2019 bevatte een paragraaf over hoe het macroprudentiële beleid kwetsbaarheden in het financiële stelsel kan aanpakken. Naast toespraken, persberichten en andere publicaties zoals Occasional Papers, publiceerde de ECB haar halfjaarlijks Macroprudential Bulletin, een belangrijk communicatiemiddel om het macroprudentieel beleidskader en de besluitvormingsprocedures van de ECB toe te lichten, alsook analytische ontwikkelingen en beoordelingen in dat domein. De ECB publiceerde op haar website ook een overzicht van de macroprudentiële maatregelen die momenteel gelden in de landen die onder het ECB-Bankentoezicht vallen.

Macroprudentiële beleidsbeslissingen in 2019

In 2019 beoordeelde de ECB 106 macroprudentiële beleidsbeslissingen

Overeenkomstig haar wettelijk mandaat, beoordeelde de ECB in 2019 kennisgevingen van de nationale autoriteiten in het eurogebied met betrekking tot 106 macroprudentiële beslissingen over instrumenten die gericht zijn op conjunctuurgebonden en structurele systeemrisico’s en andere instrumenten krachtens Artikel 458 van de Verordening Kapitaalvereisten (Capital Requirements Regulation - CRR). De meeste kennisgevingen betroffen de vaststelling van anticyclische kapitaalbuffers, de aanwijzing van mondiale en andere systeemrelevante instellingen (G-SII’s en O-SII’s) en de kalibratie van hun kapitaalbuffers. De Raad van Bestuur van de ECB maakte geen bezwaar tegen de macroprudentiële beslissingen die in 2019 door de nationale autoriteiten werden gemeld.

De nationale bevoegde autoriteiten van zeven eurolanden hadden aangekondigd dat ze tegen eind 2019 een CCyB-percentage van meer dan 0% zouden activeren, tegen vier landen in het voorgaande jaar. In 12 landen was de buffer aan het einde van 2019 nog niet geactiveerd. De kalibratie van de CCyB-percentages was gebaseerd op “guided discretion”, een combinatie van richtsnoeren uit belangrijke risico-indicatoren en meer discretionaire elementen die de specifieke economische en financiële omstandigheden weerspiegelen.

De landen die in 2019 CCyB-verhogingen aankondigden in beschouwing genomen, besloot de Haut Conseil de Stabilité Financière in Frankrijk het CCyB-percentage in maart 2019 te verhogen van 0,25% tot 0,5% bij wijze van preventieve maatregel en rekening houdend met een opwaartse trend in de schuldenlast van de private sector in Frankrijk. De Nationale Bank van België/Banque Nationale de Belgique besloot het CCyB-percentage in juni 2019 op te trekken van 0% tot 0,5%, met als voornaamste doel de veerkracht van banken tegen cyclische risico’s te vergroten. Hoewel de cyclische systeemrisico’s niet als acuut werden beschouwd, achtte ze het verstandig om een preventieve maatregel in te voeren om de continuïteit van de kredietverlening gedurende de hele cyclus te waarborgen. De Bundesanstalt für Finanzdienstleistungsaufsicht in Duitsland besloot in juni 2019 om een positief CCyB-percentage van 0,25% in te voeren. Zij was van oordeel dat de opbouw van cyclische systeemrisico’s (met name kwetsbaarheden als gevolg van de onderschatting van het kredietrisico, de overwaardering van het onderpand en het renterisico) een potentiële bedreiging voor de financiële stabiliteit vormde. In juli 2019 besloot Národná banka Slovenska het CCyB-percentage in Slowakije verder te verhogen van 1,5% tot 2%. De banksector en de winstgevendheid ervan waren meer blootgesteld aan cyclische risico’s en de autoriteit zag tekenen van uitbundigheid op de financiële markten. Ten slotte besloot de Commission de Surveillance du Secteur Financier in Luxemburg het CCyB-percentage in december 2019 te verhogen van 0,25% tot 0,5%, in het licht van de sterke stijging van de kredietverlening en de vastgoedprijzen.

Maatregelen gebaseerd op de kredietnemer kunnen ertoe bijdragen dat gezonde kredietvoorwaarden worden gehandhaafd

De lagerenteomgeving kan leiden tot een hogere risicobereidheid en minder strenge kredietvoorwaarden, vooral als de winstgevendheid van de banken onder druk staat. De verdere stijging van prijzen van residentieel vastgoed, in combinatie met trends in de hypothecaire kredietverlening en kwetsbaarheden van de huishoudens, leidde in 2019 in een aantal eurolanden tot een toename van de kwetsbaarheid van de vastgoedsector. In een dergelijke situatie kunnen richtsnoeren voor gezonde kredietvoorwaarden of de preventieve aanscherping van kredietnemerspecifieke maatregelen met passende vrijstellingen helpen om een potentiële toename van risico's in te dammen. Eind 2019 hadden 13 eurolanden dergelijke maatregelen ingevoerd, die onder de exclusieve bevoegdheid van de nationale autoriteiten vallen.

Wat betreft de macroprudentiële instrumenten die op andere risico’s zijn gericht, beoordeelde de ECB beslissingen van de nationale autoriteiten inzake O-SII-buffers, systeemrisicobuffers en macroprudentiële maatregelen overeenkomstig artikel 458 van de Verordening Kapitaalvereisten. Met betrekking tot de maatregelen die in 2019 in deze laatste categorie werden genomen, voerde Eesti Pank een nieuwe maatregel in om de weerbaarheid van banken tegen systeemrisico’s in verband met hypotheekleningen te waarborgen. Kredietinstellingen die de interneratingbenadering (IRB) gebruiken, moeten een blootstellingsgewogen gemiddeld risicogewicht van ten minste 15% toepassen op vorderingen op particulieren die gedekt zijn door hypotheken op onroerend goed die aan ingezetenen van Estland zijn verstrekt. De maatregel werd van kracht op 30 september 2019. De Finse financiële toezichthouder besloot in juni 2019 ook de toepassingsperiode te verlengen voor het kredietinstellingsspecifieke minimumniveau van 15% voor het gemiddelde risicogewicht op de woningkredieten, dat van toepassing is op kredietinstellingen die de IRB hebben aangenomen. De uitbreiding van het minimumniveau trad in werking op 1 januari 2020 en zal gedurende één jaar van toepassing zijn.

Samenwerking met het Europees Comité voor Systeemrisico's

Voortgezette nauwe samenwerking met en ondersteuning van het ESRB

De ECB bleef analytische, statistische, logistieke en administratieve ondersteuning bieden aan het secretariaat van het Europees Comité voor Systeemrisico’s (European Systemic Risk Board - ESRB), dat verantwoordelijk is voor de dagelijkse werkzaamheden van het ESRB. Dit laatste is verantwoordelijk voor het macroprudentieel toezicht op het financieel stelsel van de EU en voor het voorkómen en beperken van systeemrisico’s.

De ECB hielp het ESRB regelmatig bij het aanhoudend opsporen en monitoren van potentiële systeemrisico’s en verleende algemene steun aan het onderzoek van de ESRB. Zo was de ECB betrokken bij de werkzaamheden voor het opvullen van lacunes in onroerendgoedgegevens, die hebben geleid tot de goedkeuring van een Aanbeveling van het ESRB, alsook bij de ontwikkeling van een verbeterd toezichtskader voor relevante derde landen. Daarnaast ondersteunde de ECB de analyse van het ESRB van kwetsbaarheden op middellange termijn in de sector van het residentieel vastgoed, die heeft geleid tot vijf waarschuwingen en zes aanbevelingen van het ESRB aan geselecteerde EU-landen.

De ECB leverde ook een grote bijdrage aan de eerste overwegingen van het ESRB over de ontwikkeling van een gemeenschappelijk kader voor het macroprudentieel beleid. In april 2019 werd een specifiek rapport gepubliceerd als een eerste stap in de richting van een dergelijk gemeenschappelijk kader. Het legde een verband tussen het macroprudentiële beleid en de doelstelling van financiële stabiliteit. Daarnaast bleef de ECB bijdragen aan de tweede fase van deze werkzaamheden, als medevoorzitter van de deskundigengroep van het ESRB die werd belast met de ontwikkeling van operationele methoden om de beoordeling, bespreking en communicatie van het macroprudentieel beleid te vergemakkelijken.

Voorts is de ECB medevoorzitter van een analytische deskundigengroep die tot taak heeft de relevantie te beoordelen van de potentiële overlapping tussen macroprudentiële kapitaalbuffers, de minimale hefboomratio en de minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (minimum requirement for own funds and eligible liabilities - MREL). Dit werk is bedoeld om te beschrijven hoe de vereisten op elkaar inwerken en wat de gevolgen zijn voor de effectiviteit van macroprudentiële buffers.

Doorheen het jaar zat de ECB ook het redactieteam voor dat de ESRB-aanbeveling voorbereidde betreffende de uitwisseling en de verzameling van informatie voor macroprudentiële doeleinden over bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor in een andere lidstaat of in een derde land.

Er werd verder gewerkt aan macroprudentiële instrumenten voor gebruik buiten het bankwezen

De ECB steunde onophoudelijk de werkzaamheden van het ESRB voor macroprudentiële instrumenten die buiten de banksector kunnen worden gebruikt. De ECB droeg bij tot de analyse van gegevens en risico’s, met name wat betreft de gevolgen van marginingpraktijken voor verzekeraars, en tot het ontwerp van nieuwe macroprudentiële instrumenten voor de verzekeringssector, waarbij de nadruk werd gelegd op een aantal van de opties die werden geselecteerd in het verslag van 2018 over macroprudentiële bepalingen, maatregelen en instrumenten voor verzekeringen. Het resultaat van deze werkzaamheden zal als input dienen voor de lopende besprekingen over de herziening van Solvency II, met als doel het regelgevend kader voor verzekeraars en herverzekeraars uit macroprudentieel oogpunt te versterken.

De ECB droeg ook bij aan de verdere ontwikkeling van risicomaatstaven voor niet-banken en aan de opstelling van de vierde editie van de EU Non-bank Financial Intermediation Risk Monitor, die een overzicht geeft van de ontwikkelingen in de sector en de nadruk legt op de beoordeling van potentiële risico’s voor de financiële stabiliteit. Daarnaast heeft de ECB waardevolle bijdragen geleverd aan de tussentijdse nota over het beperken van de procycliciteit van margins en haircuts op derivatenmarkten en effectenfinancieringstransacties, zowel wat de opstelling als de ontwikkeling van de onderliggende analytische denkwijze betreft.

Meer aandacht voor de analyse van de gevolgen van de klimaatverandering voor de financiële sector

Voorts ontwikkelde en implementeerde de ECB samen met het ESRB methoden voor een impactstudie naar de manier waarop verschillende klimaatveranderingscenario’s de financiële sector in de EU zouden kunnen beïnvloeden. De ECB gaf ook een overzicht van de verschillende methodologieën, een beoordeling van de beschikbaarheid van gegevens en een overzicht van het type blootstellingen van de financiële instellingen dat moet worden geanalyseerd bij de uitvoering van de klimaatrisicoanalyse.

De ECB was voorzitter van de ESRB-taskforce voor de stresstests, die de ongunstige scenario’s voorbereidde voor de pensioenfonds-stresstest van de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen en voor de stresstests voor de geldmarktfondsen en de centrale tegenpartijen van de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten. Daartoe boden verschillende Directoraten-Generaal van de ECB kritische technische en modellerende ondersteuning aan de ESRB-taskforce.

Ten slotte nam de ECB actief deel aan de European Systemic Cyber Group van het ESRB, die een analytisch kader ontwikkelde voor de beoordeling van cyberrisico’s.

Meer informatie over het ESRB is beschikbaar op de website van dat comité en in zijn Jaarverslagen.


3.3 Microprudentiële activiteiten om de soliditeit van de individuele banken te waarborgen

In 2019 was het vijf jaar geleden dat ECB-Bankentoezicht werd opgericht. In die periode droegen zijn microprudentiële activiteiten bij tot het bevorderen van een stabiele Europese banksector en van een gelijk speelveld voor alle banken in het eurogebied. Dankzij de sinds 2014 geboekte vooruitgang evolueert het Europees banktoezicht naar een mature instelling.

Continuïteit en aanpassing van de toezichtprioriteiten van de ECB

Hoewel het herstel van de bankbalansen na de crisis flink gevorderd is, bleef het in 2019 toch hoog op de agenda van de toezichtprioriteiten staan. Andere prioriteiten betroffen de oorzaken van de lage winstgevendheid van de Europese banken, bestuursaangelegenheden - inclusief de conventionele risicobeheercapaciteiten van de banken - en de opkomende risico’s - vooral met betrekking tot de aan de gang zijnde digitalisering van de financiële diensten en de kwetsbaarheid van deze laatste voor IT-en cyberrisico’s.

De toezichtinstrumenten en -methoden werden verder verbeterd

Heel 2019 lang bleef ECB-Bankentoezicht zijn instrumenten en methoden verbeteren. In het kader van haar eerder gemaakte verbintenis herzag de ECB in augustus 2019 de toezichtverwachtingen ten aanzien van de prudentiële voorzieningen voor nieuwe niet-renderende posities (Non-Performing Exposures - NPE’s), zoals die zijn gespecificeerd in het Addendum bij de ECB Leidraad voor banken in verband met niet-renderende leningen, dit teneinde rekening te houden met de nieuwe Pijler 1-vereisten.[40] Na een openbare raadpleging en de publicatie van de gids voor algemene onderwerpen in november 2018, publiceerde de ECB in juli 2019 de finale risicospecifieke hoofdstukken van de ECB guide to internal models met betrekking tot het kredietrisico, het marktrisico en het tegenpartijkredietrisico. In februari 2019 publiceerde de ECB eveneens geaggregeerde stresstestresultaten voor alle deelnemende banken die onder haar toezicht vallen, als aanvulling op de EU-brede stresstest van 2018. En in oktober 2019 publiceerde ze de resultaten van de sensitiviteitsanalyse van het liquiditeitsrisico die ze in 2019 uitvoerde als jaarlijkse stresstest. De resultaten van beide oefeningen mondden uit in de Procedure voor Prudentiële Toetsing en Evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process – SREP) van respectievelijk 2018 (gepubliceerd in april 2019) en 2019.

Er werden voorbereidingen getroffen in het vooruitzicht van de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de EU

Terwijl de banken die onder rechtstreeks toezicht van de ECB staan, in 2019 overwegend stabiel bleven, waren er enkele onder hen die ingrijpende wijzigingen ondergingen in hun groepsstructuren en activiteiten vanwege het consolideren of verplaatsen van activiteiten van het Verenigd Koninkrijk naar het eurogebied van bankgroepen. Voor de banken die als gevolg daarvan significant werden, nam de ECB het rechtstreeks toezicht op zich en, voor sommige onder hen, werd in de tweede helft van 2019 de verplichte allesomvattende beoordeling gelanceerd. Tijdens de onzekere periode vóór de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de EU, focuste ECB-Bankentoezicht op de paraatheid van banken en toezichthouders ten opzichte van alle eventuele onvoorziene omstandigheden en, in het bijzonder, de uitvoering van de brexitplannen van de banken, zoals overeengekomen tussen de banken en de toezichthouders. Terwijl de banken in 2019 enige vooruitgang boekten in de richting van hun beoogde operationele modellen, waarschuwde de ECB herhaaldelijk voor verdere vertragingen en bleef ze haar toezichtverwachtingen meedelen via updates van de FAQs (veelgestelde vragen) op de website van ECB-Bankentoezicht, diverse artikelen in de Supervision Newsletter en bilaterale discussies met de onder toezicht staande entiteiten.

Er werd vooruitgang geboekt bij het tot stand brengen van nauwe samenwerking met Bulgarije en Kroatië

In 2019 werd ook vooruitgang geboekt bij het uitbreiden van het SSM buiten het eurogebied, nadat Bulgarije en Kroatië om nauwe samenwerking verzochten tussen de ECB en hun nationale bevoegde autoriteiten (NCA’s). ECB-Bankentoezicht rondde in juli 2019 zijn allesomvattende beoordeling van zes Bulgaarse banken af en stemde in augustus 2019 in met een allesomvattende beoordeling van vijf Kroatische banken, wat vereist is als onderdeel van het proces om een nauwe samenwerking tot stand te brengen met de EU-lidstaten waarvan de valuta niet de euro is. Parallel daarmee heeft de ECB nauw samengewerkt met Българска народна банка (de Bulgaarse Nationale Bank) en Hrvatska narodna banka (de Kroatische Nationale Bank) in het licht van hun potentiële toekomstige rol als NCA’s binnen het SSM.

Voor meer gedetailleerde informatie over ECB-Bankentoezicht wordt verwezen naar zijn website en naar het Jaarverslag van de ECB over haar toezichtswerkzaamheden van 2019.

Kader 4
Fintech

De financiële technologie levert de banken, hun klanten, het financieel stelsel en de ruimere economie aanzienlijke voordelen op, maar er zijn ook uitdagingen en risico’s aan verbonden. Het staat de financiële instellingen vrij om op een verantwoorde manier te innoveren, maar de ermee gepaard gaande risico’s moeten worden beperkt door efficiënte risicobeheersingskaders en toezicht.

De opkomst van fintech en van gespecialiseerde fintechbedrijven heeft de bestaande bedrijfsmodellen van de banken gewijzigd. In de Europese Unie zijn de fintechbedrijven tot dusver meestal partnerships aangegaan met banken, waardoor deze laatste de klantervaring konden verbeteren door op een betaalbaarder en efficiëntere manier een ruimere waaier aan financiële diensten en producten aan te bieden. Door de steeds grotere beschikbaarheid van gegevens en het gebruik van kunstmatige intelligentie alsmede door de geavanceerde rekenkracht om de gegevens te benutten, maken de banken bovendien ook steeds meer gebruik van fintech om hun eigen interne transacties te verbeteren.

Bijgevolg groeien de onderlinge verbanden tussen de fintechbedrijven en de banken, met name wat het aanbieden van outsourcingdiensten betreft, en zijn de operationele risico’s op zowel institutioneel als systeemniveau toegenomen. Sommige fintechbedrijven bieden ook nieuwe financiële diensten aan, vooral op het gebied van betalingen, waardoor de banken onder druk komen. Nog belangrijker is dat “big tech”-bedrijven met hun grote klantenbestanden en gevestigde technologieplatforms geleidelijk aan een aanslag vormen op de financiële diensten en nu reeds dominante aanbieders van cloud computing zijn geworden.

De ECB heeft gereageerd op de evoluerende uitdagingen en risico’s ten gevolge van de financiële innovatie op diverse fronten. Op macroprudentieel niveau bewaakt en beoordeelt de ECB de implicaties van fintech voor de financiële stabiliteit. De druk op de winstgevendheid als gevolg van de concurrentie met fintechbedrijven wordt opgevoerd door de behoeften van de banken aan investeringen in digitalisering, die tijd vergen om nettovoordelen op te leveren. De toenemende onderlinge verbanden met de fintechbedrijven kunnen maken dat ontwrichtingen in die bedrijven systemische implicaties zouden hebben voor het financieel stelsel, tenzij er afdoende voorzorgsmaatregelen worden genomen.

Via diverse Europese en internationale fora, waaronder de Europese Bankautoriteit, de Raad voor Financiële Stabiliteit, het Bazels Comité voor bankentoezicht en het Comité betalingen en marktinfrastructuur speelt de ECB ook een rol in het fintechgerelateerd beleid en bij de werkzaamheden rond financiële stabiliteit. Ze fungeert bovendien als een motor voor verandering, zoals blijkt uit de opstarting van de TARGET Directe betalingsregeling en de voortdurende verkenning van de toepassing van nieuwe technologieën op marktinfrastructuren.[41]

Op microprudentieel niveau is ECB-Bankentoezicht bezig met het verder ontwikkelen van een gemeenschappelijk begrip van fintechgerelateerde risico’s en met het uitstippelen van een consistente toezichtaanpak van die risico’s in het SSM. Dit betekent dat wordt nagegaan wat de impact is van fintech op de bedrijfsmodellen van de banken en wat de grootste risico’s zijn die daarmee gepaard gaan. Voor een betere toezichtbenadering van fintech, werkt ECB-Bankentoezicht samen met de SSM-banken om na te gaan op welke manier deze laatste gebruik maken van innovatieve technologieën en oplossingen, en wat de implicaties daarvan zijn voor hun bedrijfsmodellen en, belangrijker nog, hoe de grootste risico’s kunnen worden aangepakt via kaders voor risicobeheer.

Op 21-22 mei had de eerste ECB Fintech Industry Dialogue plaats, waar bankiers en toezichthouders uit het eurogebied, toezichthouders uit derde landen alsook vertegenwoordigers van regelgevende instanties zoals de Europese Commissie, de Europese Bankautoriteit en de Europese Autoriteit voor effecten en markten elkaar ontmoetten. De dialoog was gericht op: (i) credit rating op basis van kunstmatige intelligentie en big data; (ii) geautomatiseerd online beleggingsadvies (‘robo-advies’); en (iii) cloud computing. Het evenement was bedoeld als de eerste van diverse dergelijke dialogen waar banken de gelegenheid krijgen om toezichthouders hun mening te geven over de aanbevolen toezichtgebieden. Die input draagt ertoe bij de benadering van het toezicht op banken die innovatieve technologieën gebruiken, verder te ontwikkelen.

ECB-Bankentoezicht bleef ook zijn internationale samenwerking op het gebied van fintechaangelegenheden ontwikkelen, zowel binnen als buiten het SSM. Er werden bijvoorbeeld kennisuitwisselingsinitiatieven opgezet om de toezichthouders in de nationale bevoegde autoriteiten en bij de ECB vlotter toegang te verschaffen tot relevante fintechinformatie.


3.4 De bijdrage van de ECB aan de Europese beleidsinitiatieven

Het kader dat na de wereldwijde financiële crisis werd opgezet, is nog voor verbetering vatbaar

Vijf jaar geleden begon de eerste pijler van de bankenunie, het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme, te functioneren na een ambitieuze reeks institutionele en regelgevende initiatieven die werden genomen in de nasleep van de wereldwijde financiële crisis. Met die concrete stap bevorderden de EU-lidstaten en -instellingen de financiële integratie en stabiliteit, en maakten ze de economie weerbaarder.

Op dit ogenblik is er evenwel nog ruimte om de interne bankmarkt verder te integreren. Dat zou bijdragen tot een uniforme monetairbeleidstransmissie en het destabiliserend verband tussen banken en overheden, de voornaamste oorzaak van de soevereine schuldencrisis, verder afzwakken. Nieuwe vooruitgang op het gebied van ontwikkeling en integratie van de kapitaalmarkten is ook nodig opdat het financieel stelsel beter in staat zou zijn de risico’s te diversifiëren en de bankenunie te voltooien. Bovendien zouden de risico’s in de niet-bancaire financiële sector beperkt moeten worden door geschikte macroprudentiële hulpmiddelen.

Het voltooien van de bankenunie

In 2019 werd grondig gewerkt aan de voltooiing van de bankenunie

In 2019 nam de ECB volop deel aan de werkzaamheden van de EU-fora om de bankenunie te verstevigen. In juni 2019 erkende de Europese top in zijn verklaring de bij het uitdiepen van de Economische en Monetaire Unie geboekte vooruitgang en steunde hij de voortzetting van de technische werkzaamheden om de bankenunie te verstevigen. In de tweede helft van 2019 zette de High-Level Werkgroep voor een Europees Depositogarantiestelsel (European Deposit Insurance Scheme - EDIS) zijn werkzaamheden voort in verband met de korte- en langetermijnvooruitzichten ten aanzien van de oprichting van een EDIS, met de opties voor de regelgevende behandeling van soevereine risico’s, alsook met de vraag hoe de financiële stabiliteit kan worden verstevigd, het crisisbeheer kan worden verbeterd en de integratie kan worden bevorderd. De Eurogroep besloot zich bovendien te blijven inzetten om het pakket over de herziening van het Verdrag betreffende het Europees stabiliteitsmechanisme af te ronden, ook in het licht van de noodzaak om een gezamenlijk vangnet op te zetten voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds.[42]

De ECB nam uitgebreid deel aan de technische discussies op de EU-fora door input te leveren voor de diverse werkstromen. Wat het kader voor crisisbeheer betreft, drong de ECB erop aan de overlappingen in de regelgeving betreffende vroegtijdige interventiemaatregelen aan te pakken.[43] De ECB verleende ook haar steun aan de verdere analyse van de belemmeringen voor grensoverschrijdende integratie, meer bepaald de belemmeringen voor het vrij verkeer van kapitaal en liquiditeit binnen de bankenunie. De ECB bepleitte meer algemeen een compromispakket dat een eerste stadium van het EDIS zou omvatten in de vorm van liquiditeitsondersteuning, en een eindstadiumperspectief in de vorm van volledige verliesdekking. Dankzij een dergelijk veelomvattend akkoord zouden de Europeanen alle voordelen uit de bankenunie kunnen halen, inclusief marktintegratie en een gelijke bescherming van deposanten. Het bundelen van middelen voor depositoverzekeringen op Europees niveau zou het vertrouwen van de deposanten beter bewaren dan nationale regelingen; deze laatste zouden meer blootgesteld kunnen zijn in geval van een idiosyncratische schok, wat de geloofwaardigheid ervan en, bijgevolg, het vertrouwen van de deposanten eventueel zou kunnen verzwakken.

Conform het concept dat risicodeling en risicovermindering twee elkaar in de hand werkende processen zijn, droeg de ECB bij tot de verdere risicoreductie in de banksector. In het bijzonder ECB-Bankentoezicht zette zijn werkzaamheden rond het balansherstel van de banken voort met zijn follow-up van de begeleiding van niet-renderende leningen en het beoordeelde de kwaliteit van de acceptatiecriteria van de banken met een focus op nieuwe leningen. In 2019 bleef de ECB bijdragen tot de gezamenlijke monitoringverslagen over risicovermindering (zie de editie van mei en de editie van november), die werden opgesteld door de Europese Commissie en de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, en waaruit bleek dat in het domein van de risicovermindering verdere vooruitgang was geboekt.

Ook de tweede pijler van de bankenunie was een belangrijke focus tijdens het jaar. In december 2018 werd overeengekomen dat het Europees stabiliteitsmechanisme zou voorzien in het gemeenschappelijk vangnet voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds. Het afwikkelingskader vertoont echter nog steeds een aanzienlijke lacune omdat er in het eurogebied nog een kader moet worden gecreëerd voor de liquiditeitsverstrekking aan uit afwikkeling komende levensvatbare banken. Hoewel andere belangrijke rechtsgebieden over een dergelijk kader beschikken, in hoge mate gebaseerd op overheidswaarborgen aan de centrale bank als liquiditeitsverstrekker, is in het eurogebied tot dusver geen akkoord bereikt over een equivalente oplossing.

Vooruitgang boeken met de kapitaalmarktenunie

De KMU kan de monetairbeleidstransmissie vergemakkelijken

In 2019 bleef de ECB pleiten voor de voltooiing van de kapitaalmarktenunie (KMU). Een echte kapitaalmarktenunie zou, indien ze effectief wordt gerealiseerd, de financiële integratie aanzienlijk verdiepen, de Economische en Monetaire Unie verstevigen, en ook de internationale rol van de euro bevorderen. Een en ander zou een vlottere en meer homogene monetairbeleidstransmissie bewerkstelligen.

Diep geïntegreerde kapitaalmarkten zouden de veerkracht van het financieel stelsel verder vergroten door het minder afhankelijk te maken van banken en door alternatieve marktgebaseerde financieringsmiddelen aan te moedigen. Zoals de ECB in 2019 in haar Financial Stability Review beklemtoonde, is de voltooiing van de kapitaalmarktenunie een fundamentele voorwaarde om de risicodeling te verbeteren en het eurogebied weerbaarder te maken tegen economische schokken. Sinds 2015 opgetekende geopolitieke en economische ontwikkelingen, zoals de brexit en ook de digitalisering en de klimaatverandering, hebben geïntegreerde Europese kapitaalmarkten noodzakelijker gemaakt.

Toen de Europese Commissie het Actieplan voor de KMU in 2015 afrondde, finaliseerde ze, voor de wettelijke termijn 2014-19, een groot aantal wetgevende en niet-wetgevende voorstellen op de KMU-agenda. Hoewel op het gebied van wetgeving veel is gerealiseerd, is er voor sommige hoofdprioriteiten absoluut behoefte aan hernieuwde ambitie om dit project vooruit te helpen.

Om de KMU vooruit te helpen, zijn nieuwe inspanningen inzake harmonisering vereist

In 2019 beklemtoonde de ECB op EU-fora de hoofdprioriteiten om de kapitaalmarktenunie vooruit te helpen. Ze onderstreepte onder meer hoe essentieel de verdere harmonisering van de nationale belasting- en insolventiestelsels is om grensoverschrijdende kapitaalmarkttransacties vlot te laten verlopen, en ze benadrukte de verdere convergentie van het toezicht naar een gemeenschappelijk reglement, in het bijzonder voor niet-banken.[44] Op lange termijn zou het verlenen van extra toezichthoudende bevoegdheden aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten een echte kapitaalmarktenunie bevorderen met een consequente implementatie van het gemeenschappelijk reglement in de hele Europese Unie.

Macroprudentieel beleid voor de niet-bancaire financiële sector

Aanhoudende groei van de niet-bancaire financiële sector leidt tot bezorgdheid over de potentiële implicaties voor de financiële stabiliteit

Hoewel de ECB absoluut voorstander is van een meer marktgebaseerde financiering van de economie van het eurogebied, blijft ze bezorgd over de snelle groei van de niet-bancaire financiële sector en over de potentiële implicaties daarvan voor de financiële stabiliteit. Hoewel een belangrijker rol voor de niet-bancaire financiële bemiddeling bij de financiering van de economie op de KMU-agenda staat, blijft het van cruciaal belang dat die sector effectief wordt gevolgd.

Tegen die achtergrond is een gezond prudentieel kader voor niet-bancaire financiële instellingen onontbeerlijk om de systeemrisico’s die in deze sector zouden kunnen opduiken, adequaat aan te pakken. Zo bleef de ECB in 2019 pleiten voor een uitbreiding van het macroprudentieel kader tot buiten de banksector; ze droeg ook in hoge mate bij tot de daarmee verband houdende technische discussies in de EU en op internationale fora.


4 Soepel functioneren van marktinfrastructuur en betalingsverkeer

Een van de belangrijkste taken van het Eurosysteem is het waarborgen van de soepele werking van het betalingsverkeer. Deze taak is nauw verbonden met de verantwoordelijkheden van het Eurosysteem op het gebied van monetair beleid en financiële stabiliteit. Het Eurosysteem speelt een centrale rol bij de ontwikkeling en het functioneren van, en het toezicht op de marktinfrastructuur die het vrije verkeer van betalingen, effecten en onderpand door heel Europa faciliteert.


4.1 TARGET-diensten

De TARGET-diensten van het Eurosysteem bestaan momenteel uit drie componenten: TARGET2, een real-time bruto-vereveningssysteem voor betalingstransacties in euro die verband houden met de monetairbeleidstransacties van het Eurosysteem en met interbancaire en commerciële transacties; TARGET2-Securities (T2S), een gemeenschappelijk platform voor effectenafwikkeling op Europese schaal; en TARGET Instant Payment Settlement (TIPS), waarmee betaaldienstverleners hun klanten de mogelijkheid bieden om het hele jaar door 24 uur per dag in real-time geld over te maken.

Ruim 1000 banken gebruiken TARGET2 om transacties in euro te initialiseren, hetzij voor eigen rekening, hetzij voor die van hun klanten. Als bijkantoren en dochterondernemingen worden meegeteld, zijn ruim 45.000 banken over de hele wereld bereikbaar via TARGET2. In 2019 verwerkte TARGET2 gemiddeld 344.120 betalingen per dag, met een gemiddeld dagvolume van € 1,7 biljoen.

Als systeemkritisch betalingssysteem (systematically important payment system – SIPS) is TARGET2 niet alleen van essentieel belang voor de stabiliteit en de efficiëntie van de financiële sector en de economie van het eurogebied als geheel, maar ook voor een soepele uitvoering van het gemeenschappelijke monetaire beleid van het eurogebied en voor de stabiliteit van de gemeenschappelijke munt. Net als andere SIPSen staat TARGET2 onder doorlopend oversighttoezicht van het Eurosysteem. Dit toezicht is risicogebaseerd en omvat ook het bewaken van end-point security en cyberweerbaarheid.

In 2019 heeft het Eurosysteem een nieuw TARGET2-noodinstrument geïmplementeerd. Als TARGET2 uitvalt, en zelfs als dit langer duurt dan één dag, kan het Eurosysteem dankzij dit instrument de “kritische” en “zeer kritische” transacties nog steeds blijven verwerken. Het nieuwe instrument maakt deel uit van een bredere strategie ter versterking van de operationele- en cyberweerbaarheid van de marktinfrastructuur van het Eurosysteem.

In 2021 wordt TARGET2 vervangen door een nieuw real-time bruto-vereveningssysteem

Hoewel TARGET2 al tien jaar soepel functioneert, is het betaallandschap in die periode aanzienlijk veranderd als gevolg van technologische ontwikkelingen, nieuwe regelgeving en veranderende gebruikersbehoeften. Daarom zal TARGET2 in 2021 vervangen worden door een nieuw real-time bruto-vereveningssysteem (real-time gross settlement – RTGS). Tegelijkertijd zal het liquiditeitsbeheer van alle TARGET-diensten geoptimaliseerd worden. Het nieuwe RTGS-systeem is gebaseerd op de ISO 20022 messaging-standaard en maakt betalingen in meerdere valuta's mogelijk. Eind 2019 werd op basis van de feedback ontvangen in het kader van een openbare raadpleging een uitgebreide versie van de gedetailleerde functionele gebruikersspecificaties voor het toekomstige RTGS gepubliceerd. Daarnaast heeft het Eurosysteem contracten gesloten met twee netwerkdienstverleners om gebruikers een netwerkneutrale aansluiting op alle marktinfrastructuurdiensten van het Eurosysteem te kunnen bieden via de nieuwe Single Market Infrastructure Gateway (ESMIG) van het Eurosysteem.

De gefaseerde migratie van centrale effectenbewaarinstellingen (central securities depositories – CSD’s) naar het gemeenschappelijk TS2-platform is inmiddels ruim twee jaar geleden voltooid. T2S wordt momenteel gebruikt door 21 CSD’s, die 20 markten in heel Europa bedienen. In 2019 verwerkte T2S gemiddeld 606.938 transacties per dag, met een gemiddeld dagvolume van € 1.106,13 miljard.

In 2019 heeft een door de Raad van Bestuur van de ECB aangewezen onafhankelijke externe controleur voor het eerst een technisch en operationeel onderzoek naar het functioneren van de T2S-diensten verricht. De bevindingen van de controleur zijn gedeeld met het Eurosysteem en met de CSD’s en centrale banken buiten het eurogebied die gebruikmaken van T2S. Dit onderzoek zal voortaan jaarlijks herhaald worden.

Na een vooronderzoek in 2015 is in 2018 de eerste uitgebreide oversightbeoordeling van de werking van T2S van start gegaan, die in 2019 is afgerond. De conclusie van deze beoordeling is dat T2S grotendeels in overeenstemming is met de CPMI-IOSCO Principles for financial market infrastructures, wat aangeeft dat T2S veilig en efficiënt is. Hoewel er op bepaalde gebieden wel enkele tekortkomingen zijn vastgesteld, leiden deze niet tot zodanige risico's dat direct ingrijpen vereist is.

Na de start van TIPS in november 2018 hebben zeven markten in het eurogebied zich in het eerste jaar aangesloten bij de dienst, waardoor nu meer dan 1.000 aanbieders van betaaldiensten via TIPS bereikbaar zijn. Inmiddels bereiden meer markten in het eurogebied zich voor op aansluiting bij TIPS in 2020. Aangezien TIPS transacties in verschillende valuta ondersteunt, is de Sveriges Riksbank voornemens om ook de Zweedse kroon vanaf 2022 in het TIPS-systeem te laten opnemen.

Naast TARGET2, T2S en TIPS is het Eurosysteem bezig met de ontwikkeling van een nieuwe TARGET-dienst voor onderpandbeheer, het Eurosystem Collateral Management System (ECMS). Dit gemeenschappelijke systeem kan de activa beheren die bij alle krediettransacties van het Eurosysteem als onderpand worden gebruikt. In 2019 is de specificatiefase van het project volgens planning afgerond. Het ECMS zal naar verwachting in november 2022 in werking treden.


4.2 Innovatie en integratie in marktinfrastructuur en betalingen

De financiële sector ondergaat een aanzienlijke transformatie als gevolg van innovatie en digitalisering. Op de markt voor retailbetalingen bijvoorbeeld hebben nieuwe EU-wetgeving die toegang van derden tot betaalrekeningen mogelijk maakt, instant payments, en algemene technische vooruitgang geleid tot de opkomst van nieuwe marktspelers, nieuwe kanalen voor de toegang tot betaaldiensten en nieuwe manieren om betalingen te initiëren. (Zie Kader 5 voor informatie over crypto’s, stablecoins en digitaal centralebankgeld.) Het Eurosysteem fungeert enerzijds als katalysator, en staat in die zin voor de uitdaging om integratie en innovatie te bevorderen, en heeft anderzijds als toezichthouder de taak om de veiligheid en efficiëntie van de marktinfrastructuur en het betalingsverkeer te waarborgen.

Kader 5
Crypto's, stablecoins en digitaal centralebankgeld

Crypto's en hun mogelijke functie als vervanger van geld hebben de afgelopen jaren sterk in de belangstelling gestaan. Via crypto's kunnen particulieren en bedrijven onderling transacties verrichten zonder tussenkomst van een betrouwbare derde partij. Crypto's worden ook wel aangeduid als cryptovaluta en digitale valuta, wat in sommige gevallen tot valse verwachtingen ten aanzien van hun kenmerken en functionaliteiten heeft geleid. In algemene zin zijn crypto's activa die in digitale vorm geregistreerd worden en die door hun gebruikers als investerings- en/of ruilmiddel worden beschouwd, maar die in feite geen financiële vordering of financiële verplichting van een natuurlijke of rechtspersoon zijn.

Het grootste nadeel van crypto's is hun volatiliteit. De prijzen van crypto's hebben de afgelopen jaren veel sterker geschommeld dan bijvoorbeeld de prijzen op de verschillende grondstoffenmarkten. Beleggers in crypto's staan dan ook bloot aan hogere marktrisico's. Ook houdt deze hoge volatiliteit in dat crypto's de drie functies van geld – als waardedrager, betaalmiddel en rekeneenheid – niet naar behoren kunnen vervullen.

Om het volatiliteitsprobleem te omzeilen, hebben financiële dienstverleners en technologiebedrijven een nieuw soort crypto's ontwikkeld, de zogenoemde stablecoins, met ingebouwde stabilisatiemechanismen om prijsschommelingen te minimaliseren. Afhankelijk van het gebruikte stabilisatiemechanisme wordt de waarde van de stablecoin ondersteund door: (i) tegoeden (één valuta of een mandje van verschillende valuta’s); (ii) effecten en grondstoffen zoals goud; (iii) crypto's; of (iv) een mechanisme om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen (de zogenaamde algoritmische stablecoins). In 2019 was er veel aandacht voor initiatieven zoals de Libra, die snellere transacties tegen potentieel lagere kosten op wereldwijde schaal mogelijk zou maken op basis van een nieuw, losstaand betaalsysteem. Stablecoins zijn echter nog niet op grote schaal getest en leiden tot een aantal risico’s op het gebied van wetgeving, regelgeving en toezicht. Deze risico's zullen moeten worden aangepakt met een degelijk systeemontwerp, een goede governancestructuur en passende vereisten op het gebied van toezicht en regelgeving, voordat stablecoin-initiatieven daadwerkelijk van start gaan,

Crypto's en stablecoins hebben een breder debat aangezwengeld over innovaties in het betalingsverkeer en manieren om het betalingsverkeer betaalbaarder, efficiënter en inclusiever te maken, en de rol van overheid en bedrijfsleven daarin. De uitgifte van een digitale centralebankmunt (central bank digital currency – CBDC) zou tegemoet kunnen komen aan de maatschappelijke vraag naar nieuwe, innovatieve, efficiënte en stabiele betaalinstrumenten. De ontwerpkenmerken van een CBDC kunnen echter verstrekkende gevolgen hebben voor het financiële systeem als geheel en moeten daarom zorgvuldig onderzocht worden. Zo mag een CBDC de samenwerking met de particuliere sector in het retailbetalingsverkeer niet in de weg staan of marktgestuurde oplossingen voor snelle en efficiënte retailbetalingen in het eurogebied verdringen.

In 2019 publiceerde de ECB het rapport SEPA Migration Impact Assessment, waaruit bleek dat de ontwikkeling van het gemeenschappelijke eurobetalingsgebied (Single European Payment Area – SEPA) en de migratie naar pan-Europese betalingssystemen voor overboekingen en incasso's aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt in de richting van een veilige, efficiënte en geïntegreerde Europese betaalmarkt. Een gemeenschappelijk eurobetalingsgebied voor kaartbetalingen is echter nog niet gerealiseerd. Bovendien zijn de oplossingen voor eindgebruikers voor het initiëren van betalingen in heel Europa nog steeds versnipperd. Ook voor toonbankbetalingen (zowel elektronisch als online) bestaat er nog geen pan-Europese oplossing voor de behoeften van Europese gebruikers.

Nieuwe strategie voor retailbetalingen, kader voor toezicht op betaalinstrumenten en normen voor onderpandbeheer

Om dit laatste probleem aan te pakken, heeft het Eurosysteem in 2019 een nieuwe strategie voor retailbetalingen goedgekeurd. Deze strategie ondersteunt de ontwikkeling van een marktgestuurde pan-Europese oplossing voor toonbankbetalingen en zet de belangrijkste doelstellingen voor een dergelijke oplossing uiteen.

Op basis van het uitgangspunt dat entiteiten die dezelfde functies uitvoeren aan dezelfde toezichtsverwachtingen zouden moeten voldoen (dezelfde risico's, dezelfde vereisten), heeft het Eurosysteem besloten het oversightbeleid te herzien en een nieuw kader te ontwikkelen voor het toezicht op betaalinstrumenten, regelingen en systemen (payment instruments, schemes and arrangements – PISA). Deze nieuwe, holistische, flexibele en toekomstgerichte aanpak zal van toepassing zijn op zowel bestaande als nieuwe betalingsproducten, aanbieders en technologieën en draagt bij aan de veiligheid en efficiëntie van het betalingsverkeer.

Het Eurosysteem bevordert marktbrede harmonisatie op het gebied van ‘post-trade'-diensten om de verdere integratie van de financiële markten in Europa te ondersteunen. Het belangrijkste streven op het gebied van de harmonisatie van onderpandbeheer is de invoering van een gemeenschappelijk rulebook om het onderpandbeheer in Europa te standaardiseren. In 2019 heeft de Advisory Group on Market Infrastructures for Securities and Collateral van de ECB een eerste normenset vastgesteld, die betrekking had op onderpandbeheer van tripartiete partijen, corporate actions voor schuldpapier, en factureringsprocessen; deze zouden uiterlijk in november 2022 in werking moeten treden. De Nationale Stakeholdergroepen is gevraagd om aanpassingsplannen voor te bereiden, om aan die normen te kunnen voldoen.

Ook op het gebied van effecten is het Eurosysteem de harmonisatie van post-trade-diensten blijven bevorderen, met name door de voortgang op het gebied van de implementatie van harmonisatienormen nauwlettend in de gaten te houden en daarin tijdig bij te sturen. Eind 2019 voldeed 90% van de in T2S deelnemende markten aan de belangrijkste harmonisatienormen (tegenover 85 % in 2018).

Het Eurosysteem is betrokken bij de vergunningverlening aan alle CSD’s in het eurogebied

Op het gebied van effecteninfrastructuren is het Eurosysteem, als centrale bank van uitgifte voor de euro, verantwoordelijk voor de vergunningverlening aan CSD's en de regelmatige toetsing en monitoring van CSD’s op grond van de CSD-verordening. Het Eurosysteem is momenteel de enige autoriteit die betrokken is bij de vergunningverlening aan en de beoordeling van alle CSD’s van het eurogebied, wat bijdraagt aan een consistente aanpak van deze taken en de veiligheid en efficiëntie van effectenafwikkeling waarborgt.

Met betrekking tot centrale tegenpartijen (central counterparties – CCP's) is het Eurosysteem, als centrale bank van uitgifte voor de euro, blijven bijdragen aan de activiteiten van toezichtcolleges die zijn opgericht in het kader van de Europese marktinfrastructuurverdordening (EMIR), bijvoorbeeld aan de beoordeling van verzoeken van CCP’s om hun diensten uit te breiden of om wijzigingen in hun risicomodellen in te voeren. Daarnaast is het Eurosysteem vertegenwoordigd in crisismanagementgroepen die zijn opgericht of wereldwijd worden opgericht voor CCP’s die in meer dan één rechtsgebied systeemrelevant zijn.

In 2019 heeft het Eurosysteem besprekingen gevoerd over de herziening van het EMIR-kader, dat tot doel heeft het regelgevingskader voor CCP’s – en met name CCP’s van buiten de EU – te verbeteren, en dat op 1 januari 2020 in werking is getreden. Het Eurosysteem heeft ook bijgedragen aan de voorbereidingen voor een EU-verordening inzake herstel en afwikkeling van CCP’s en was betrokken bij EU-brede stresstests voor CCP’s, met name in verband met liquiditeitsrisico's.


5 Inspanningen ter bevordering van de werking van de markten, en aan andere instellingen verstrekte financiële diensten

In oktober 2019 is de ECB begonnen met de publicatie van de kortetermijnrente voor de euro (euro short-term rate – €STER), een nieuwe referentierente die volledig is gebaseerd op gegevens afkomstig uit statistische rapportage over de geldmarkten. De €STR zal geleidelijk de euro overnight index average (EONIA) vervangen en zal naar verwachting een van de belangrijkste referentierentes op de markten van het eurogebied worden. De invoering van de nieuwe referentierente was goed ingeschat door de financiële sector en leidde niet tot ernstige verstoringen. De dagelijkse productie van €STR heeft goed gewerkt en de methodologie is betrouwbaar gebleken. De ECB is in 2019 namens de EU verantwoordelijk gebleven voor het beheer van verschillende financiële transacties en heeft haar algemene coördinerende rol met betrekking tot het kader van de Reserve Management Services van het Eurosysteem voortgezet. Voorts heeft de ECB besloten in april 2020 te beginnen met de publicatie van aanvullende gegevens over haar valutamarktinterventies, teneinde de communicatie en transparantie op dit gebied te verbeteren en in lijn te brengen met haar verantwoording op andere beleidsterreinen (zie Kader 6).


5.1 De €STER, de nieuwe eendaagse (overnight) referentierente voor geldmarkten in het eurogebied

Op 2 oktober 2019 heeft de ECB een begin gemaakt met de publicatie van een nieuwe eendaagse (overnight) referentierente voor de markten van het eurogebied. Deze kortetermijnrente voor de euro ofwel €STR weerspiegelt de kosten voor ongedekte wholesale-leningen luidend in euro van banken in het eurogebied. Deze robuuste en betrouwbare rente, die dagelijks wordt berekend op basis van momenteel meer dan € 30 miljard aan in aanmerking komende transacties die worden gerapporteerd door 50 verschillende rapporteurs, moet de EONIA geleidelijk vervangen.

De methodologie van de €STR is bedoeld om de onderliggende dynamiek van de geldmarkt volledig te weerspiegelen. De rente wordt bepaald aan de hand van een breed scala aan in aanmerking komende door banken gerapporteerde transacties die met andere banken en met niet-bancaire financiële instellingen zijn uitgevoerd; hierdoor is zij bestand tegen structurele veranderingen in de ongedekte markt. In 2019 bedroeg het gemiddelde dagelijkse transactievolume dat de grondslag vormde van de €STR-berekening € 31,1 miljard. Het beleid met betrekking tot de toereikendheid van gegevens voor de €STR waarborgt dat de rente representatief is door te eisen dat: (a) ten minste 20 van de instellingen die momenteel rapporteren in het kader van de Verordening houdende geldmarktstatistieken gegevens indienen; en b) de vijf banken die het grootste deel van het volume rapporteren niet goed zijn voor meer dan 75% van de omzet van één dag. Indien aan een van deze vereisten niet wordt voldaan, wordt er een noodprocedure voor de korte termijn in werking gesteld, waardoor de beschikbaarheid van de rente wordt gewaarborgd. Ten slotte wordt de rente berekend als een naar volume gewogen getrimd gemiddelde, waarbij de bovenste en onderste 25% van het volume, die overeenkomen met de transacties met de laagste respectievelijk hoogste rente, worden uitgefilterd bij het berekenen van de rente, wat helpt om de invloed van uitschieters te verminderen (zie voor meer informatie over de manier waarop de €STR wordt bepaald Kader 7 in Hoofdstuk 7).

De €STR, een robuuste en betrouwbare rente gebaseerd op een breed scala aan in aanmerking komende transacties, zal de EONIA vervangen

De €STR vervangt geleidelijk de EONIA, die vanaf 3 januari 2022 niet meer zal worden gepubliceerd. Naar aanleiding van de aanbevelingen van de werkgroep risicovrije euroreferentierentes van de particuliere sector en een openbare raadpleging heeft de beheerder van de EONIA, het European Money Markets Institute, op 2 oktober 2019 de EONIA-methodologie gewijzigd, zodat deze rente, tot de beëindiging van de publicatie ervan op 3 januari 2022, is vastgesteld als de €STR plus een vast ecart van 8,5 basispunten. De werkgroep risicovrije euroreferentierentes, die in 2017 werd opgericht om risicovrije rentes te bepalen en aan te bevelen die als basis zouden kunnen dienen voor een alternatief voor bestaande benchmarks, heeft richtsnoeren verschaft voor de overgang van de EONIA naar de €STR. Deze omvatten aanbevelingen over de wijze waarop EONIA-gebonden contracten moeten worden benaderd, alsmede analyses van de gevolgen van de verandering voor producten, processen en modellen, voor financiële verslaglegging en risicobeheersing.

De inspanningen van de ECB om met benchmarkgebruikers te communiceren ter voorbereiding op de invoering van de €STR hebben, samen met de richtsnoeren en aanbevelingen van de werkgroep risicovrije euroreferentierentes, bijgedragen aan de vlotte start van de €STR. De invoering van de nieuwe referentierente en de wijziging van de EONIA-methodologie waren goed ingeschat door de financiële sector en leidden niet tot ernstige verstoringen. Zo werden bijvoorbeeld interne systemen aangepast om rekening te houden met het veranderde tijdstip van de publicatie van de referentierente, d.w.z. in de ochtend van de dag volgend op de transactiedatum. Bovendien zijn de eerste markttransacties die aan de €STR zijn geïndexeerd, waaronder de eerste uitgiften van effecten, met succes afgesloten. Op de derivatenmarkt werden de eerste ‘over-the -counter’-swaptransacties direct met de invoering van de rente uitgevoerd, terwijl een aantal van de centrale clearingtegenpartijen kort daarna, in oktober en november, begonnen met het aanbieden van clearing op basis van op de €STR gebaseerde producten.

De dagelijkse productie van de €STR heeft goed gewerkt en de methodologie is betrouwbaar gebleken

De dagelijkse productie van €STR heeft goed gewerkt en de methodologie is betrouwbaar gebleken. De betrouwbaarheid van de methodologie kan met twee voorbeelden worden geïllustreerd. Ten eerste werd de verlaging van de rente op de depositofaciliteit van de ECB op 18 september 2019 volledig en onmiddellijk weerspiegeld in de pre-€STR-gegevens en zijn het tempo en de verdeling van de onderliggende transacties in het middensegment sinds het begin van de publicatie van de €STR redelijk stabiel gebleven. Ten tweede had de officiële vrije dag voor banken in Duitsland op 3 oktober 2019 een te verwaarlozen invloed op de rente en de verschillende indicatoren ervan. Hoewel de waarde van de gerapporteerde transacties op die dag € 4,3 miljard lager was dan de dag ervoor, bleven zowel het aantal deelnemende banken als de concentratie van de omzet die werd gerapporteerd door de vijf banken met het grootste aandeel in het volume op comfortabele afstand van de drempelwaarden die bepalend zijn voor het hierboven uiteengezette beleid ten aanzien van de toereikendheid van gegevens. Daarbij bleef de volatiliteit van de €STR beperkt, wat de robuustheid van de methodologie in geval van dergelijke gebeurtenissen illustreert.

Grafiek 23

De €STR sinds 9 september 2019

(links: EUR miljard; rechts: basispunten)

Bron: ECB.
Toelichting: Pre-€STR t/m 30 september; €STR vanaf 1 oktober.

  

Grafiek 24

Indicatoren voor de toereikendheid van gegevens voor de €STR sinds 9 september 2019

(links: procenten; rechts: aantal banken)

Bron: ECB.
Toelichting: Pre-€STR t/m 30 september; €STR vanaf 1 oktober.

Marktdeelnemers zullen zich meer inspanningen moeten getroosten om voldoende liquide contante markten en derivatenmarkten op te bouwen die gebruikmaken van de €STR

Hoewel het gebruik van de €STR steeds meer terrein wint, zullen marktdeelnemers zich meer inspanningen moeten getroosten om voldoende liquide contante markten en derivatenmarkten op te bouwen die gebruikmaken van de €STR. De €STR dient in een breed spectrum aan marktsegmenten te worden gebruikt en moet derhalve niet alleen worden beschouwd als de vervanging van de EONIA op de derivatenmarkt, maar ook worden toegepast in gevallen waarin normaliter andere referentierentes zouden worden gehanteerd. Voorbeelden van dergelijk gebruik aan beide zijden van de balans zijn obligatie-uitgiftes en kredietverlening.

De €STR zou bij aan de EURIBOR gebonden contracten als uitwijkoptie kunnen dienen en als alternatieve referentierente voor de EURIBOR

De €STR biedt tevens de mogelijkheid om risico’s die zijn verbonden aan “interbank offered rates” of “IBORs” aan te pakken in het kader van de wereldwijde hervorming van deze indices. Zoals aanbevolen door de Raad voor Financiële Stabiliteit[45] moet het gebruik van eendaagse (overnight) vrijwel risicovrije rentes, waar van toepassing, worden aangemoedigd op mondiale rentemarkten, en moeten contracten die verwijzen naar IBORs over robuuste uitwijkvoorzieningen beschikken. In het eurogebied kon op grond van de autorisatie van de beheerder van de EURIBOR op 3 juli 2019 het gebruik van deze benchmark worden voortgezet; en bovendien zal de EURIBOR, in tegenstelling tot de LIBOR, gepubliceerd blijven worden. Toch kan de houdbaarheid van de EURIBOR op lange termijn niet als vanzelfsprekend worden beschouwd. Ten eerste hangt deze af van de stabiliteit van het panel van rapporterende banken en ten tweede hangt deze af van de ontwikkeling van de geldmarktactiviteit die de EURIBOR beoogt te meten. Hoewel de bevoegde autoriteiten uit hoofde van de Europese benchmarkverordening een tijdelijk vangnet kunnen bieden in de vorm van verplichte rapportage voor deze benchmark of verplicht beheer ervan, is deze achtervang beperkt qua aard en tijd. Daarom zouden de €STR – en termijnstructuren op basis van de €STR – kunnen fungeren als uitwijkoptie bij aan de EURIBOR gekoppelde contracten én als alternatieve rente voor de EURIBOR. Andere rechtsgebieden, waaronder de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland, bieden reeds goede voorbeelden van een toenemend gebruik van eendaagse (overnight) rentes die vergelijkbaar zijn met de €STR en het stimuleren hiervan als middel om onzekerheden in verband met de LIBOR aan te pakken.


5.2 Beheer van krediettransacties van de EU

De ECB is verantwoordelijk voor het beheer van de krediettransacties (zowel opgenomen als verstrekte kredieten) van de EU in het kader van de faciliteit voor financiële bijstand op de middellange termijn (medium-term financial assistance facility - MTFA)[46] en het Europees Financieel Stabiliteitsmechanisme (EFSM)[47]. In 2019 verwerkte de ECB rentebetalingen met betrekking tot de onder de MTFA verstrekte leningen. Per 31 december 2019 stond er uit hoofde van deze faciliteit een totaalbedrag van €200 miljoen uit. De ECB verwerkte in 2019 tevens diverse betalingen en rentebetalingen met betrekking tot de onder het EFSM verstrekte leningen. Per 31 december 2019 stond er uit hoofde van dit mechanisme een totaalbedrag uit van € 46,8 miljard.

De ECB verwerkt betalingen voor verschillende leningenprogramma’s van de EU

Op soortgelijke wijze is de ECB verantwoordelijk voor het beheer van de betalingen die voortvloeien uit transacties in het kader van de Europese Faciliteit voor Financiële Stabiliteit (European Financial Stability Facility - EFSF)[48] en het Europese stabiliteitsmechanisme (ESM)[49]. In 2019 verwerkte de ECB diverse rentebetalingen en vergoedingen met betrekking tot twee onder het EFSF verstrekte leningen. De ECB verwerkte ook betalingen in verband met de inschrijvingen van ESM-leden op de geautoriseerde kapitaalvoorraad van het ESM.

De ECB, tot slot, is ook verantwoordelijk voor het verwerken van alle betalingen in het kader van de kredietfaciliteitsovereenkomst voor Griekenland.[50] Per 31 december 2019 stond er uit hoofde van deze overeenkomst een totaalbedrag van € 52,9 miljard uit.


5.3 Diensten van het Eurosysteem inzake reservebeheer

Een aantal centrale banken van het Eurosysteem verlenen diensten uit hoofde van het ERMS-kader

In 2019 is wederom een veelomvattende reeks financiële diensten aangeboden uit hoofde van het in 2005 ingevoerde kader voor het beheer van in euro luidende reserveactiva (Eurosystem Reserve Management Services – ERMS) toebehorend aan cliënten. Het volledige pakket aan investeringsdiensten – dat beschikbaar wordt gesteld aan centrale banken, monetaire autoriteiten en overheidsinstanties buiten het eurogebied alsook aan internationale organisaties – wordt aangeboden door een aantal nationale centrale banken van het Eurosysteem (de “Eurosystem service providers”) onder geharmoniseerde voorwaarden en volgens marktstandaarden. De ECB vervult een algemene coördinerende rol, ziet toe op de vlotte werking van de diensten, bevordert veranderingen om het kader te verbeteren en stelt gerelateerde verslagen op voor de Raad van Bestuur van de ECB.

In 2019 is nog één centrale bank gestart met het aanbieden van ERMS-diensten, waardoor het totale aantal Eurosystem service providers op tien is komen te liggen. Eind 2019 was het aantal rekeningen van cliënten in het ERMS 273, tegen 277 eind 2018. De totale geaggregeerde aanhoudingen (met inbegrip van liquiditeiten en aangehouden effecten) die binnen het ERMS-kader werden beheerd zijn in 2019 met ongeveer 7,5% gedaald ten opzichte van 2018.

Kader 6
ECB verbetert verslaglegging over valutamarktinterventies

De Raad van Bestuur van de ECB heeft op 26 september 2019 besloten vanaf april 2020 aanvullende gegevens over de valutamarktinterventies van de ECB (foreign exchange interventions – FXI’s) te publiceren. Het doel van deze nieuwe publicatie is de communicatie en transparantie op dit gebied te verbeteren in lijn met de verantwoording op andere beleidsterreinen, en tegelijkertijd het vermogen van de ECB te waarborgen om op doeltreffende wijze interventies op de valutamarkt uit te voeren. Bij wijze van voorbeeld van verantwoording: met betrekking tot het programma voor de aankoop van activa verstrekt het Eurosysteem regelmatig gegevens over het volume en de verdeling van de aankopen over de programma’s en rechtsgebieden.

De wisselkoers is geen beleidsdoel voor de ECB. Sinds de invoering van de euro heeft de ECB tweemaal geïntervenieerd op de valutamarkt, in 2000 en 2011 (zie Tabel A). De ECB heeft in 2000 voor het eerst geïntervenieerd, wegens bezorgdheid over de mondiale en binnenlandse gevolgen van de wisselkoers van de euro, met inbegrip van de gevolgen daarvan voor de prijsstabiliteit. In eerste instantie heeft de ECB op 22 september in samenwerking met de Amerikaanse en Japanse autoriteiten geïntervenieerd, waarna de ECB in november eenzijdig heeft opgetreden. In het tweede geval hebben de ECB en de autoriteiten van de VS, het Verenigd Koninkrijk en Canada, op verzoek van de Japanse autoriteiten, op 18 maart 2011 gecoördineerd opgetreden als reactie op de bewegingen in de wisselkoers van de yen die verband hielden met de tragische gebeurtenissen in Japan.

Tabel A

Tot dusver door de ECB verrichte valutamarktinterventies

Bron: ECB.

Naar aanleiding van de wijziging in het publicatiebeleid zal de ECB gegevens over FXI’s verstrekken op basis van een gestructureerde en systematische aanpak wat betreft frequentie en gegevensdekking. De ECB heeft voorheen gebruikgemaakt van verschillende kanalen om informatie over FXI's te verstrekken, zoals haar weekstaten, jaarrekeningen en Jaarverslag. In de toekomst zal de ECB FXI-gegevens publiceren in een tabel op haar website en in haar Jaarverslag. De tabel op de website zal elk kwartaal worden bijgewerkt, met een vertraging van één kwartaal. Met de eerste publicatie van de tabel zullen alle historische FXI-gegevens sinds 1999 beschikbaar worden gemaakt. In het Jaarverslag van de ECB zal voortaan ook aanvullende achtergrondinformatie worden verstrekt en zullen nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot FXI’s zo nodig worden samengevat. Daarnaast zal in de jaarrekening van de ECB worden vermeld of er al dan niet FXI's hebben plaatsgevonden tijdens het verslagjaar. De toelichting op de weekstaat zal ook een algemene verwijzing bevatten naar elke interventie die de voorgaande week heeft plaatsgevonden, zoals bij de eerdere gevallen in 2000 en 2011.

Het nieuwe verslagleggingskader zal betrekking hebben op door de ECB eenzijdig of in coördinatie met andere autoriteiten uitgevoerde FXI’s, evenals FXI's tegen limietkoersen in het kader van het wisselkoersarrangement (ERM II)[51]. Het omvat het totale bedrag (netto en bruto), de richting (verkoop of aankoop), de uitsplitsing per valuta en de interventiedatum(s). Met het oog op volledige transparantie wordt het niet plaatsvinden van FXI’s ook expliciet vermeld in de kwartaaltabel.

Deze stap brengt het communicatiebeleid van de ECB met betrekking tot FXI’s in lijn met de verantwoordingspraktijk die zij in de loop der jaren op andere terreinen heeft ontwikkeld. Deze verantwoording gaat verder dan wat strikt vereist is volgens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Op deze manier verstrekt de ECB relevante informatie over haar strategie, beoordelingen en beleidsbeslissingen aan het bredere publiek en de financiële markten. Dit draagt bij aan de geloofwaardigheid van de ECB doordat zij transparant is over de wijze waarop zij haar taken vervult. Alle centrale banken van ERM II-lidstaten blijven verantwoordelijk voor de openbaarmaking van de gegevens met betrekking tot FXI's conform hun eigen praktijk.


6 Meer bankbiljetten en weinig vervalsingen

De ECB en de nationale centrale banken van het eurogebied zijn verantwoordelijk voor de uitgifte van eurobankbiljetten binnen het eurogebied, voor het garanderen van de beschikbaarheid van contant geld en voor het bestendigen van het vertrouwen in de munteenheid. Het aantal en de waarde van eurobiljetten in omloop is sinds de introductie van de munteenheid in 2002 gestegen. In het algemeen is deze stijging sterker dan de economische groei. In 2019 bleef het aantal vervalsingen laag vanwege een combinatie van factoren, waaronder verbeterde beveiligingskenmerken in de nieuwe Europa-serie, doorlopende samenwerking met rechtshandhavers, regelmatige communicatie met het publiek en de trainingen die werden verzorgd voor professionele geldverwerkers. In mei 2019 werden de nieuwe bankbiljetten van € 100 en € 200 ingevoerd met nieuwe, innovatieve veiligheidskenmerken. Daarmee was de Europa-serie compleet.


6.1 Steeds meer bankbiljetten in omloop

In 2019 steeg zowel het aantal als de waarde van de eurobankbiljetten in omloop, respectievelijk met rond de 6,4% en 5,0%. Aan het eind van het jaar waren er 24,1 miljard eurobankbiljetten in omloop, met een totale waarde van €1.293 miljard (zie grafiek 25 en 26). De biljetten van € 50 waren goed voor bijna de helft van zowel het aantal als de waarde van alle bankbiljetten in omloop. De grootste jaarlijkse groei was te zien bij de biljetten van € 200. Deze bedroeg 61,4% in 2019. De toegenomen vraag naar deze biljetten kan worden toegeschreven aan de stopgezette uitgifte van 500-eurobiljetten. De totale waarde van de 100-eurobiljetten in omloop bedroeg eind vorig jaar € 305 miljard, gelijk aan de gezamenlijke waarde van alle eurobankbiljetten in omloop in juli 2002. De groei van het aantal bankbiljetten van € 100 en € 50 bleef hoog, respectievelijk 8,8% en 7,4%.

Grafiek 25

Aantal en waarde van eurobankbiljetten in omloop

(links: EUR miljard; rechts: miljarden)

Bron: ECB.

Grafiek 26

Waarde van de eurobankbiljetten naar coupure

(EUR miljard)

Bron: ECB.

Gemeten naar waarde bevindt een derde van de eurobankbiljetten zich buiten het eurogebied

Geschat wordt dat in termen van waarde rond een derde van de eurobankbiljetten in omloop buiten het eurogebied wordt aangehouden. Dit betreft voornamelijk de grotere coupures en deze worden vooral in aangrenzende landen aangehouden. Deze worden gebruikt als waardeopslag en voor de afwikkeling van transacties op internationale markten.

De productie van eurobankbiljetten wordt gedeeld door de nationale centrale banken in het eurogebied, waaraan in 2019 de productie van in totaal 3,7 miljard bankbiljetten werd toegewezen.

Het totale aantal euromunten in omloop is in 2019 met 3,3% gestegen, tot 135,1 miljard aan het einde van het jaar. De waarde van alle munten in omloop steeg naar € 29 miljard, 3,4% hoger dan aan het einde van 2018.

In 2019 controleerden de nationale centrale banken van het eurogebied de echtheid en geschiktheid voor hercirculatie van ongeveer 30 miljard bankbiljetten, waarbij circa 5 miljard biljetten uit omloop werden gehaald. Het Eurosysteem heeft zich tevens opnieuw ingespannen om fabrikanten van bankbiljettenapparatuur te helpen ervoor te zorgen dat hun machines voldoen aan de door de ECB gehanteerde normen voor de controle van eurobankbiljetten op echtheid en geschiktheid voordat deze weer in omloop worden gebracht. In 2019 controleerden kredietinstellingen en andere professionele contantgeldverwerkers met behulp van dergelijke machines circa 38 miljard eurobankbiljetten op echtheid en geschiktheid voor hercirculatie.

Invoering van de nieuwe bankbiljetten van € 100 en € 200 en stopzetting van de uitgifte van biljetten van € 500

Op 28 mei 2019 zijn de nieuwe bankbiljetten van € 100 en € 200 in omloop gekomen. Met de invoering van de nieuwe biljetten was de Europa-serie compleet. Deze reeks werd in 2013 gelanceerd met het biljet van € 5.

In de periode van januari tot en met april 2019 hebben alle nationale centrale banken van het eurogebied de uitgifte van biljetten van € 500 opgeschort. Net als de andere coupures uit de eerste serie eurobankbiljetten blijft het 500-eurobiljet een geldig betaalmiddel. Het behoudt dus zijn waarde en kan nog steeds worden gebruikt bij financiële transacties. Bankbiljetten uit de eerste serie (inclusief het 500-eurobiljet) zullen altijd hun waarde behouden en kunnen voor onbeperkte tijd worden ingewisseld bij de nationale centrale banken van het eurogebied.


6.2 Ook in 2019 weinig vervalsingen van eurobankbiljetten

Het totale aantal valse eurobankbiljetten bleef in 2019 laag, en er werden circa 559.000 vervalsingen aan de omloop onttrokken. Dit lage aantal vervalsingen is het gevolg van een combinatie van factoren, waaronder verbeterde echtheidskenmerken in de nieuwe Europa-serie, samenwerking met rechtshandhavers en communicatie- en trainingsinspanningen op Europees en nationaal niveau. In vergelijking met het aantal echte eurobankbiljetten in omloop is het aantal vervalsingen zeer gering. Grafiek 27 toont de langetermijnontwikkelingen in het aantal vervalsingen dat uit de omloop wordt gehaald.

Grafiek 27

Aantal valse bankbiljetten per miljoen echte eurobiljetten in omloop

(aantal per miljoen)

Bron: ECB.

De 20- en 50-eurobiljetten vormen het belangrijkste doelwit van vervalsers en waren in 2019 gezamenlijk verantwoordelijk voor circa 70% van het totale aantal in beslag genomen vervalsingen. Het aandeel vervalste 50-eurobiljetten daalde in 2019.

De ECB adviseert het publiek om alert te blijven en aan de “voel-kijk-kantel”-test te denken.

Ondanks de afname van de bedrieglijkheid van vervalsingen die aan de omloop zijn onttrokken, blijft de ECB het publiek adviseren op de hoede te blijven voor mogelijke fraude, te denken aan de voel-kijk-kantel-test en niet af te gaan op slechts één echtheidskenmerk. Daarnaast worden, zowel in Europa als daarbuiten, continu trainingen verzorgd voor professionele geldverwerkers en wordt actueel informatiemateriaal verspreid ter ondersteuning van de door het Eurosysteem gevoerde strijd tegen valsmunterij. De ECB werkt daartoe ook samen met Europol, Interpol en de Europese Commissie.


6.3 Geld moet groener

In 2004 voerde het Eurosysteem al een levenscyclusbeoordeling van eurobankbiljetten uit op basis van de ISO 14040-standaarden. Daarmee vervulde het een pioniersrol bij de beoordeling van het effect dat bankbiljetten hebben op het milieu gedurende hun volledige levenscyclus. Deze complexe beoordeling is nog steeds de belangrijkste bron van informatie bij het beteugelen van de milieu-impact van bankbiljetten. Zo heeft het Eurosysteem bijvoorbeeld een accreditatiesysteem ingevoerd voor alle fabrikanten die betrokken zijn bij de productie van eurobankbiljetten. Dit systeem omvat ook een milieubeheersysteem en legt onder meer de nadruk op de target van 100% gebruik van duurzame katoenvezels bij de productie van eurobankbiljetten.

Het Eurosysteem houdt ook jaarlijks de belangrijkste verbruiks- en emissiegegevens van alle geaccrediteerde producenten in de gaten om het productieproces duurzamer te maker.


7 Statistieken

Bijgestaan door de NCB's houdt de ECB zich bezig met het ontwikkelen, verzamelen, samenstellen en publiceren van een breed spectrum aan statistieken en gegevens die nodig zijn ter ondersteuning van het monetair beleid van het eurogebied, de financiële stabiliteit en diverse andere taken van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) en de taken van het Europees comité voor systeemrisico's (ESRB). Van deze statistieken wordt tevens gebruikgemaakt door overheden, financiële marktpartijen, de media en het grote publiek, en ze dragen bij aan het vervullen van de transparantiedoelstelling van de ECB.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op manieren om de rapportagelast voor banken te beperken en op statistische gegevens met betrekking tot fintech, waaronder crypto's. In twee Kaders worden respectievelijk het onafhankelijke proces voor het vaststellen van de kortetermijnrente voor de euro (euro short term rate – €STR) op grond van het relevante Richtsnoer behandeld (Kader 7) en de middellangetermijnstrategie voor de statistiek betreffende de financiële rekeningen, inclusief de doelstellingen voor de komende jaren (Kader 8)


7.1 Beheersing van de rapportagelast

De financiële crisis heeft geleid tot een zwaardere rapportagelast

De financiële crisis heeft de beperkingen aan het licht gebracht van geaggregeerde statistieken met betrekking tot het verstrekken van de nodige informatie aan beleidsmakers in een situatie gekenmerkt door toenemende fragmentatie tussen landen, sectoren en markten. De ECB heeft op deze beperkingen gereageerd door nieuwe rechtshandelingen vast te stellen die haar in staat stellen aanvullende gedetailleerde gegevens te verkrijgen die beantwoorden aan het monetaire beleid en microprudentiële en macroprudentiële gegevensbehoeften, bijvoorbeeld statistische gegevens zoals de gegevensreeks van AnaCredit, statistieken over aangehouden effecten en geldmarktstatistieken. Dit heeft geleid tot een toename van de rapportagelast voor banken.

Een ander probleem waarmee het bankwezen wordt geconfronteerd is het gebrek aan harmonisatie tussen landen van de rapportageregelingen, die zijn voortgekomen uit de traditionele aanpak van het ESCB, waarbij de NCB’s via hun nationale verslagleggingskaders aan de Europese statistische vereisten kunnen voldoen.

Hoewel de statistische rapportage in het eurogebied conceptueel in hoge mate geharmoniseerd is, worden er in de praktijk een groot aantal afzonderlijke statistische rapporten ingediend bij de NCB’s, met verschillende transmissiefrequenties en termijnen, en verschillende aggregatieniveaus.

Bovendien overlappen de statistische rapporten elkaar deels doordat de bankentoezichthouders een breed scala aan rapporten nodig hebben. Dit leidt tot redundanties en overlappingen, naast complexe planningen en processen voor de verslaglegging.

Het is begrijpelijk dat het bankwezen deze situatie onder de aandacht heeft gebracht en heeft aangedrongen op een veel kostenefficiëntere opzet en uitvoering van de rapportagevereisten[52], met behoud van de doeltreffendheid van de regelgeving en zelfs een verdere verbetering van de gegevenskwaliteit.

Het kader voor geïntegreerde verslaglegging zorgt voor een consolidatie van de bestaande statistische vereisten voor banken van het ESCB

Tegen deze achtergrond is het ESCB in 2016 begonnen met het consolideren van de bestaande statistische vereisten voor banken door middel van de ontwikkeling van een kader voor geïntegreerde verslaglegging (Integrated Reporting Framework - IReF), bedoeld om een geïntegreerde oplossing voor de statistische rapportage van het ESCB in alle landen en statistiekdomeinen tot stand te brengen. Binnen het nieuwe kader, dat naar verwachting tussen 2024 en 2027 zal worden geïmplementeerd, zullen meer gedetailleerde gegevens worden verzameld dan in de bestaande gegevensverzamelingen[53], waardoor de afdekking van de bestaande vereisten binnen een uniek kader mogelijk wordt gemaakt en verdubbeling van de vereisten zoveel mogelijk wordt vermeden. Dit betekent dat het gegevensvolume weliswaar aanzienlijk zal toenemen, maar dat de banken minder statistische classificaties en aggregaties hoeven uit te voeren, die vaak veel middelen vergen. Dergelijke taken zullen in plaats daarvan door het ESCB worden uitgevoerd, waarbij een algemene toename van de gegevenskwaliteit wordt verwacht. Het IReF zal gebruik maken van een uniek gegevensmodel en -woordenboek, waarmee naar verwachting de definities volledig zullen worden gestandaardiseerd en de degelijkheid van de methoden gewaarborgd. Gedetailleerde gegevens zijn inherent flexibel in die zin dat zij op verschillende manieren kunnen worden gecombineerd om nieuwe producten en diensten te verstrekken. Verwacht wordt dat dit de frequentie van wijzigingen aan het wettelijk verslagleggingskader kan verminderen en tegelijkertijd de behoefte aan ad-hocverzoeken om gegevens door de autoriteiten kan verminderen.

Het Banks’ Integrated Reporting Dictionary vormt een aanvulling op het kader voor geïntegreerde verslaglegging

Zoals is te zien in Figuur 2, voorziet de algemene strategie van het ESCB voor het verzamelen van gegevens van banken ook in de ondersteuning van rapporteurs bij het optimaliseren van de organisatie van de informatie die is opgeslagen in hun interne operationele systemen (bijvoorbeeld voor boekhouding, risicobeheersing, effecten of deposito’s) in een “inputlaag”, die vervolgens de basis kan vormen voor het voldoen aan alle toepasselijke rapportagevereisten op basis van gestandaardiseerde omzettingsregels. Daartoe is een groep bestaande uit vertegenwoordigers van de ECB, enkele NCB’s van het eurogebied en het bankwezen bezig met de ontwikkeling van een Banks’ Integrated Reporting Dictionary (BIRD). Het toepassingsgebied van de BIRD reikt verder dan de statistische gegevensreeksen van het ESCB ter dekking van de toezichts- en afwikkelingsrapportage.

Figuur 2

ESCB-strategie voor het verzamelen van gegevens van banken

Toelichting: EBA: Europese Bankautoriteit; SSM: Single Supervisory Mechanism (gemeenschappelijk toezichtsmechanisme); SRM: Single Resolution Mechanism (gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme).

Het ESCB voert een kosten-batenanalyse uit van het kader voor geïntegreerde verslaglegging

In 2018 besloot het ESCB, in nauwe samenwerking met het bankwezen en andere relevante belanghebbenden, een kosten-batenanalyse van het IReF uit te voeren met het oog op een beoordeling van het effect van het initiatief op de aanbod- en vraagzijde. De eerste stap bestond uit een kwalitatieve inventariserende vragenlijst over de stand van zaken met betrekking tot de statistische rapportage over domeinen en landen om de belangrijkste kostenfactoren en potentiële voordelen van het IReF vast te stellen. In 2019 heeft het Comité statistieken van het ESCB de resultaten van de kwalitatieve inventariserende vragenlijst geëvalueerd en concrete scenario’s opgesteld voor het IReF met betrekking tot verschillende aspecten van gegevensverzameling en de productie van statistieken. De volgende stap zal zijn om in 2020 door middel van een vragenlijst de kosten en baten van deze scenario’s te beoordelen. De scenario’s zijn ontwikkeld door focusgroepen met daarin velddeskundigen van het ESCB en, voor bepaalde onderwerpen, vertegenwoordigers van het bankwezen. De nieuwe vragenlijst zal worden gebaseerd op een concept-rapportageregeling voor het IReF, zodat respondenten scenario’s kunnen beoordelen die zijn gebaseerd op concrete voorstellen voor rapportagevereisten. Het ESCB zal de resultaten vervolgens beoordelen en, indien hieruit steun blijkt voor het IReF, de kenmerken vaststellen die optimaal aansluiten op de behoeften van de sector en de gebruikers en samenstellers van het ESCB.

Als de uitkomst van de algehele kosten-batenanalyse bevredigend is, kan de Raad van Bestuur van de ECB besluiten door te gaan met het IReF. Er zal dan een ontwerpverordening van de ECB worden opgesteld voor een openbare raadpleging voorafgaand aan de vaststelling en tenuitvoerlegging ervan. De IReF-vereisten zouden van toepassing zijn op alle banken in het eurogebied.


7.2 Nieuwe en verbeterde statistieken voor het eurogebied

Fintech en crypto’s

De ECB houdt fintech en het fenomeen crypto’s nauwlettend in het oog

De statistieken over technologische innovaties die worden gebruikt om financiële diensten te ondersteunen of te verlenen (fintech) worden ontwikkeld en verbeterd om te kunnen blijven voldoen aan de behoeften van de gebruikers van statistieken in een digitaal getransformeerde wereld. Specifiek heeft het Directoraat-Generaal Statistieken van de ECB begin 2019 een interne gegevensreeks over crypto’s opgezet en een reeks indicatoren vastgesteld die in eerste instantie zijn gebaseerd op openbaar beschikbare geaggregeerde gegevens. Deze gegevensreeks en indicatoren hebben, na een kwaliteitscontrole te hebben ondergaan en te zijn aangevuld met andere gegevens afkomstig uit commerciële bronnen[54], de input gevormd voor de observatie door de ECB van het fenomeen crypto’s[55]. Met behulp van ‘big data’-technologieën was het voor de ECB mogelijk een geautomatiseerd pakket procedures op te zetten voor het verzamelen, verwerken en integreren van diverse dataverzamelingen met betrekking tot crypto's. Een belangrijk onderdeel van deze werkzaamheden is onderzoek naar de statistische classificatie van crypto's. Wat fintech betreft, wordt de discussie over statistische definities voor fintech en de daarmee verband houdende gegevensbehoeften gevoerd in internationale fora[56], terwijl daarnaast de ECB een experimentele interne gegevensreeks heeft opgezet over fintech-entiteiten in het eurogebied[57], in lijn met soortgelijke initiatieven die bij verschillende NCB’s van het eurogebied plaatsvinden. Het doel is inzicht te verwerven in de verbanden tussen de financiële sector en fintech, de kansen die deze laatste biedt en de risico’s ervan.

Kader 7
Onafhankelijk proces voor het vaststellen van de kortetermijnrente voor de euro (€STR)

Na twee jaar aan intensieve voorbereidingen door het Eurosysteem en rapporterende banken heeft de ECB op 2 oktober 2019 voor het eerst de kortetermijnrente voor de euro (euro short-term rate – €STR) gepubliceerd (zie Paragraaf 5.1). De €STR, die een afspiegeling is van de kosten voor ongedekte eendaagse (overnight) wholesale-leningen luidend in euro van banken in het eurogebied, wordt berekend en gepubliceerd door de statistiekfunctie van de ECB, hetgeen waarborgt dat de vaststelling van de rente losstaat van de beleidsfuncties van de ECB. In overeenstemming met het €STR-richtsnoer is een controlekader opgezet om de integriteit en onafhankelijkheid van het vaststellingproces te waarborgen en om bestaande of potentiële belangenconflicten aan te pakken.

In het €STR-richtsnoer is de verantwoordelijkheid van de ECB voor het beheer van de rente vastgelegd, evenals de taken en verantwoordelijkheden van de ECB en de NCB’s met betrekking tot hun bijdrage aan het vaststellingsproces van de €STR en andere bedrijfsprocessen. Overeenkomstig het €STR-richtsnoer is er een intern oversightcomité in het leven geroepen om alle aspecten van het €STR-vaststellingsproces te evalueren, te toetsen en daarover verslag uit te brengen. Daarnaast is het €STR-vaststellingsproces onderworpen aan regelmatige interne en externe audits. Om te waarborgen dat de €STR-procedures in overeenstemming zijn met de internationale beste praktijken, zijn de beginselen voor financiële benchmarks van de International Organisation of Securities Commissions (IOSCO) voor financiële benchmarks in het €STR-richtsnoer verwerkt, voor zover relevant en passend.

Op 2 oktober 2019 publiceerde de ECB voor het eerst de €STR, waarin de handelsactiviteiten van 1 oktober 2019 tot uiting kwamen. De €STR wordt elke TARGET2-werkdag om 08:00 Midden-Europese tijd op de website van de ECB[58] gepubliceerd en wordt gebaseerd op transacties die op de voorgaande TARGET2-werkdag zijn verricht en afgewikkeld. Indien na de publicatie van de €STR fouten worden ontdekt die deze met meer dan 2 basispunten beïnvloeden, wordt de €STR herzien en op dezelfde dag om 09:00 Midden-Europese tijd opnieuw gepubliceerd. De €STR wordt na dit tijdstip niet meer herzien. Onmiddellijk na publicatie door de ECB wordt de €STR door commerciële gegevensverstrekkers beschikbaar gesteld via real-time marktgegevensverstrekking. Om de transparantie van het vaststellingsproces van de benchmark te ondersteunen, publiceert de ECB periodiek summiere informatie over fouten van meer dan 0,1 basispunten die na de standaardpublicatie worden ontdekt en niet voldoen aan de criteria voor herpublicatie.

De €STR is geheel gebaseerd op daadwerkelijke transacties in euro die door banken worden gerapporteerd conform de Verordening houdende geldmarktstatistieken, die onlangs is gewijzigd om de beschikbaarheid van hoogwaardige statistieken op de eurogeldmarkt te verbeteren.[59] De rapporteurs voor de statistische rapportage over de geldmarkten (Money Market Statistical Reporting Agents – MMSR's) – dit waren er 50 op de afsluitdatum voor gegevens in dit rapport – dienen vóór 07:00 Midden-Europese tijd (CET), ofwel indirect gegevens in via de betreffende NCB (de Deutsche Bundesbank, de Banco de España, de Banque de France of de Banca d’Italia), ofwel direct bij de ECB (zie Figuur A). De gegevens doorlopen vervolgens een kwaliteitsborgingsproces dat een reeks technische controles, een groot aantal consistentiecontroles en een aantal gerichte gegevenskwaliteitscontroles omvat om vast te stellen of er transacties – en zo ja, welke – moeten worden uitgesloten van de berekening van de €STR. Het proces waarmee de transacties worden bevestigd vindt plaats tussen 07:15 en 07:45 CET. Tijdens dit proces verzoekt de ECB, in samenwerking met de NCB’s, de rapporterende instellingen om te verifiëren dat de geïdentificeerde transacties correct zijn.

Figuur A

Bedrijfsproces €STR

Bron: ECB.

  

Kader 8
Middellangetermijnstrategie voor de statistiek betreffende de financiële rekeningen

In 2019 heeft het Comité statistieken (Statistics Committee) van het ESCB de ontwikkeling afgerond van een nieuwe middellangetermijnstrategie voor de statistiek betreffende de financiële kwartaalrekeningen. Het doel van dit initiatief was na te gaan hoe de statistieken voor de financiële rekeningen verder moeten worden ontwikkeld, rekening houdend met nieuwe analytische behoeften en lopende verbeteringen aan de statistische capaciteit (bijvoorbeeld de toegenomen granulariteit van gegevens) en hoe de uitdagingen van de globalisering en de toegenomen internationale onderlinge afhankelijkheid kunnen worden aangepakt. Het opzetten van de middellangetermijnstrategie omvatte een grondig onderzoek van de analytische behoeften, de gegevensbronnen en de opties voor de compilatie, in nauwe samenwerking met de gebruikers van de gegevens en de deskundigen uit de verschillende statistiekdomeinen, bijvoorbeeld de samenstellers van betalingsbalansstatistieken of MFI-balansgegevens.

De strategie omvat vijf doelstellingen die de komende jaren zullen worden aangepakt. In de eerste plaats zullen de uitdagingen worden aangepakt die de globalisering voor de statistieken van de financiële rekeningen met zich meebrengt, en die verband houden met de verdieping van internationale onderlinge afhankelijkheden en economische integratie, door deze statistieken beter af te stemmen op de betalingsbalansstatistieken en statistieken over de internationale investeringspositie, een toename van de granulariteit van gegevens over grensoverschrijdende activiteiten, en een specifieke statistische focus op multinationale ondernemingen. Ten tweede zal aan de behoefte om meer licht te werpen op niet-bancaire financiële bemiddeling worden voldaan door een meer gedetailleerde uitsplitsing per sector en een verhoogde granulariteit van gegevens over financiële instrumenten. Ten derde zal aan de toenemende analytische behoeften voor het verwerven van inzicht in onderlinge verwevenheid op macroniveau – met de nadruk op onderlinge afhankelijkheden met betrekking tot beleggingen en financiering, kanalen voor de doorwerking van beleid en besmettingsketens – worden voldaan door een verbetering van het “van-wie-naar-wie”-kader, dat de verbanden tussen crediteuren en debiteuren zichtbaar maakt, door middel van een meer gedetailleerde sectorale en/of geografische uitsplitsing. Ten vierde zal de statistische analyse van de sector huishoudens worden verbeterd door de invoering van distributionele statistieken voor de vermogens en schuldenlast van de huishoudens, naast de ontwikkeling van een analyse ter identificatie van de indirecte blootstelling van de huishoudens aan de onderliggende beleggingen van beleggingsfondsen in effecten, aandelen en andere activa (de zogenoemde “look-through” van beleggingsfondsen). Ten vijfde wordt met de strategie beoogd de onderhoudbaarheid van de gegevens van financiële rekeningen te vergroten, bijvoorbeeld wat betreft tijdigheid en de beschikbaarheid van historische gegevens.

De werkstromen gericht op deze doelstellingen houden rekening met de vereisten in het kader van de tweede fase van het Data Gaps Initiative[60] van de G20 en zullen profiteren van lopende initiatieven in ondersteunende statistische domeinen. De ontwikkelingsfase, die in 2019 van start is gegaan, staat algemeen gepland voor de komende drie tot vijf jaar, en zal ook een evaluatie omvatten van de bestaande statistische verordeningen en richtsnoeren van de ECB voor zover dit relevant is voor de realisatie van de nieuwe statistische outputs met betrekking tot de financiële rekeningen. In een snel veranderende omgeving moet de strategie van meet af aan worden beschouwd als dynamisch en aanpasbaar.

De uitvoering van de middellangetermijnstrategie voor de statistiek betreffende de financiële rekeningen zal een collectieve inspanning zijn om de verschillende uitdagingen op gecoördineerde wijze het hoofd te bieden, met een duidelijke reeks doelstellingen, waarbij de mogelijkheden worden benut die worden geboden door veranderingen in de beschikbaarheid van gegevens en de statistische capaciteit, en die erop gericht zal zijn om de statistiek betreffende de financiële rekeningen relevant en geschikt voor het beoogde doel te houden.


8 Onderzoek bij de ECB

Economisch onderzoek levert een belangrijke bijdrage aan de analyse van de economische ontwikkelingen. Daarnaast draagt het bij aan de overdracht van beleidsmaatregelen, en daarmee aan de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen. Met het oog op het economisch klimaat in 2019 vormden de inflatiedynamiek, de financiële stabiliteit van de huishoudens, en de wisselwerking tussen het monetaire beleid, de financiële stabiliteit en de reële sectoren van de economie ook afgelopen jaar weer de kern van de onderzoeksprioriteiten.


8.1 Onderzoeksnetwerken

Drie onderzoeksclusters en verschillende onderzoeksnetwerken spelen een belangrijke rol bij het coördineren van het onderzoek dat wordt gedaan binnen het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB), en bij het onderhouden van betrekkingen met academische onderzoekers. Ook in 2019 organiseerden de drie onderzoeksclusters van het ESCB op het gebied van monetair beleid, financiële stabiliteit en het concurrentievermogen van de economieën binnen het eurogebied weer workshops over relevante onderwerpen. Daarnaast is in het kader van het Centre for Economic Policy Research (zie ook Paragraaf 11.2) een Research and Policy Network on Central Bank Communication opgericht. Dit netwerk wordt mede geleid door de ECB.

Wat is de wisselwerking tussen monetair en macroprudentieel beleid?

Een van de onderzoeksgebieden waar de ECB zich met name op richt is het macroprudentieel beleid en de wisselwerking daarvan met het monetair beleid. In 2019 bestudeerde een taskforce de verschillende overloopeffecten tussen deze twee soorten beleid, waaronder de effecten van het monetaire beleid op de financiële stabiliteit en de impact van macroprudentieel beleid op de reële economie. In 2020 zal de nadruk liggen op het bereiken van een optimale coördinatie tussen de twee beleidslijnen.[61]

Wat kunnen microdata op het gebied van prijszetting ons vertellen over de inflatiedynamiek?

Het onderzoeksnetwerk PRISMA (price-setting microdata analysis) bestudeert het prijszettingsgedrag van individuele ondernemingen en in de detailhandel met behulp van microdatasets over prijzen. Het onderzoek heeft betrekking op het verband tussen de prijsstelling van individuele bedrijven en de geaggregeerde inflatiedynamiek. Daarbij wordt met name gekeken naar de vraag of het prijszettingsgedrag wordt beïnvloed door lage inflatie, het monetaire beleid en de conjunctuurcyclus.

Hoe beïnvloedt de heterogeniteit van huishoudens de overdracht van monetair beleid?

Het Household Finance and Consumption Network (HFCN) heeft zijn werkzaamheden afgerond met betrekking tot de derde golf van de Household Finance and Consumption Survey (HFCS), waarvan de resultaten in 2020 zullen worden bekendgemaakt. Tijdens het onderzoek is onder meer gekeken naar de mate waarin de heterogeniteit van huishoudens de overdracht van monetair beleid beïnvloedt. Daarbij ging het bijvoorbeeld over de rol die heterogeniteit speelt bij beleidsoverdracht met betrekking tot verschillende inkomensgroepen. De HFCS is ook gebruikt als essentiële input voor microsimulatiemodellen waarmee de effecten van stresstestscenario’s voor huishoudens kunnen worden gekwantificeerd.

Het Competitiveness Research Network (CompNet), een onderzoeksforum voor onderzoek naar productiviteit en concurrentievermogen in EU-landen, heeft een nieuwe ronde aan gegevensuitvraag voltooid om de dekking en vergelijkbaarheid tussen landen te verbeteren van zijn gegevensverzameling van indicatoren van concurrentievermogen op bedrijfsniveau. In 2019 werd de gegevensverzameling van CompNet bijvoorbeeld gebruikt voor onderzoek naar de rol van handel en fiscaal- en arbeidsmarktbeleid bij de reallocatie van kapitaal en arbeid.

In 2019 heeft de ECB een project gelanceerd waarbij, via een regelmatig afgenomen online enquête, gegevens over de verwachtingen van de consument in het eurogebied zullen worden verzameld. De enquête zal worden afgenomen in samenwerking met de nationale centrale banken en zal betrekking hebben op de verwachtingen op het gebied van inflatie, de arbeidsmarkt, het consumptie- en spaargedrag, en de persoonlijke financiën van consumenten. De resultaten zullen de ECB in staat stellen de rol van de verwachtingen van de consumenten in hun economische en financiële beslissingen nader te onderzoeken.


8.2 Congressen en publicaties

De ECB organiseerde opnieuw een aantal congressen, waaronder het Sintra-forum over 20 jaar EMU

De ECB heeft in 2019 opnieuw een aantal onderzoeksevenementen voor topexperts georganiseerd. Zo werd tijdens het 2019 ECB Forum on Central Banking in Sintra gesproken over de lessen die zijn geleerd tijdens het 20-jarige bestaan van de Europese Economische en Monetaire Unie (EMU), met bijzondere aandacht voor de verschillende soorten vooruitgang op het gebied van economische convergentie en de rol van het begrotings- en monetair beleid bij macro-economische stabilisatie (zie ook Kader 12 in Hoofdstuk 12). Tijdens het vierde jaarlijkse onderzoekscongres van de ECB werd innovatief onderzoek gepresenteerd met betrekking tot seculiere stagnatie, financiële marktstructuren en de economische rol van big data. Andere belangrijke congressen hadden betrekking op onderwerpen zoals structurele hervormingen in het eurogebied, de ontwikkeling van de inflatie, de mondiale handel, de arbeidsmarkten, het begrotingsbeleid en het bestuur van de EMU, enquêtes over consumentenverwachtingen, het verband tussen geslacht en loopbaanontwikkeling, en monetair en macroprudentieel beleid.

Het onderzoek van de ECB is gepubliceerd in verschillende publicatiereeksen

In 2019 werden 129 papers van medewerkers van de ECB gepubliceerd in de Working Paper-serie. Daarnaast zijn er een aantal meer op beleid gerichte analyses in de Occasional Paper-serie, de Statistics Paper-serie en de Discussion Paper-serie verschenen. Veel van de onderzoeksactiviteiten van de ECB hebben tevens geleid tot publicaties in wetenschappelijke tijdschriften. Bovendien werden onderzoeksresultaten ook gedeeld met een breder publiek, bijvoorbeeld via 12 artikelen die in het Research Bulletin van de ECB werden gepubliceerd. In Kader 9 en Kader 10 wordt een samenvatting gegeven van twee reeksen onderzoeksresultaten uit 2019.

Kader 9
Marktconcentratie, marktmacht en werkgelegenheidsdynamiek in het eurogebied

Er woedt momenteel een verhitte maatschappelijke discussie over de marktmacht binnen het bedrijfsleven. Uit onderzoek naar de situatie in de Verenigde Staten blijkt dat de marktconcentratie is toegenomen in de afgelopen decennia. Dat betekent dat een steeds kleinere groep bedrijven een steeds groter marktaandeel naar zich toe heeft getrokken. Daardoor is de mate van concurrentie afgenomen, waardoor ondernemingen hun prijzen steeds verder hebben kunnen opdrijven ten opzichte van de productiekosten, terwijl de werkgelegenheidsdynamiek is verzwakt.

Bij een recent onderzoek van de ECB[62] is gekeken naar vergelijkbare ontwikkelingen in de vier grootste economieën van het eurogebied (Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje). Het onderzoek heeft geen bewijs gevonden van een toename van de marktmacht van het bedrijfsleven in deze landen ten opzichte van de jaren ‘90. Waar de prijsophoging ten opzichte van de kosten in de Verenigde Staten toenam van 15% naar 20%, is in het eurogebied over dezelfde periode juist een lichte daling te zien (zie Grafiek A). Dit is grotendeels het gevolg van ontwikkelingen in de verwerkende industrie, mogelijk aangedreven door de verdieping van de handel en de monetaire integratie in het eurogebied. Bovendien is de marktconcentratie in het eurogebied overwegend stabiel gebleven, in tegenstelling tot in de Verenigde Staten. Dit geldt voor zowel de afzonderlijke landen als voor het hele eurogebied.

Grafiek A

Ontwikkeling van de prijsophoging in het eurogebied en de Verenigde Staten

(verhoging van de prijzen ten opzichte van de productiekosten)

Bron: Cavalleri et al. 2019
Toelichting: De grafiek laat zien dat een ophoging van 15% overeenkomt met een bruto ophogingswaarde van 1,15.

Hoewel in het algemeen wordt aangenomen dat een toename van de marktmacht gepaard gaat met welvaartsvermindering (prijzen stijgen en de productie daalt), kan het juist ook een gunstig effect hebben op de innovatieve sectoren, aangezien het vooruitzicht van meer marktmacht een belangrijke prikkel voor ondernemingen is om te innoveren. Zo bleek uit het onderzoek dat een hoge marktconcentratie in de high-techsector gepaard gaat met een grotere groei van de totale factorproductiviteit.

Ten slotte is de dynamiek van de arbeidsmarkt (gemeten aan de hand van de verhouding tussen het aantal geschepte en verdwenen banen) de afgelopen twee decennia in de Verenigde Staten aanzienlijk verzwakt, waar deze in het eurogebied gelijk is gebleven. Toch blijft de arbeidsmarkt in de Verenigde Staten nog steeds aanzienlijk dynamischer dan die in het eurogebied. In het algemeen zijn er geen tekenen te zien van belangrijke verschuivingen in de marktmacht en de werkgelegenheidsdynamiek in de grote economieën van het eurogebied.

  

Kader 10
Verhouding tussen mannen en vrouwen in de loopbaanontwikkeling

De afgelopen jaren is er steeds meer aandacht gekomen voor de kloof tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt. In een recente working paper van de ECB[63] wordt deze kloof onderzocht in het centrale bankwezen, waarin mannen traditioneel oververtegenwoordigd zijn. In de paper wordt de loopbaanontwikkeling van mannen en vrouwen bij de ECB geanalyseerd, waarbij gebruik wordt gemaakt van vertrouwelijke geanonimiseerde gegevens over het personeel die werden verzameld tussen 2003 en 2017. De analyse is toegespitst op vakdeskundig personeel verspreid over vier verschillende salarisschalen, met functies op vergelijkbare afdelingen gerelateerd aan economische analyse. Zo werd een homogene groep personeel wat betreft menselijk kapitaal en ervaring verzameld.[64]

Uit het onderzoek blijkt dat vrouwen vóór 2011 minder kans hadden om te worden bevorderd naar een hogere salarisschaal dan mannen. Dat verschil was na 2011 grotendeels verdwenen. In dat jaar werden verschillende maatregelen genomen om de gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bevorderen en verklaarde de ECB diversiteit te willen ondersteunen als werkgever. Grafiek A laat zien hoe de kloof tussen mannen en vrouwen zich heeft ontwikkeld wat betreft salarisgroei. Daarbij gaat het om het percentage vrouwen dat tien jaar na indiensttreding is bevorderd naar een hogere salarisschaal (vakdeskundig personeel begint bij de ECB in salarisschaal F/G). Voor 2011 bedroeg het verschil tussen mannen en vrouwen op dit gebied 36%, maar na 2011 daalde dit tot 8%.

Grafiek A

De promotiekloof tussen mannen en vrouwen voor en na 2011

(in procenten; aantal jaar na binnenkomst)

Bron: Hospido, Laeven en Lamo (2019).
Toelichting: De grafiek toont de ontwikkeling van de genderkloof wat betreft de gemiddelde jaarlijkse kans op bevordering naar een hogere salarisschaal vanuit schaal F/G binnen tien jaar na indiensttreding (voor en na 2011). De promotiekloof tussen mannen en vrouwen is het verschil tussen de gemiddelde bevorderingspercentages op jaarbasis van mannen en vrouwen in verhouding tot de bevorderingskansen van mannen.

Met de gegevens van na 2011 kan een nog gedetailleerder inzicht worden verkregen in het promotieproces. Zo blijkt uit deze gegevens dat vrouwen die solliciteerden naar een hogere functie meer kans van slagen hadden dan mannen. Ook deden vrouwen het beter wat betreft salarisgroei na bevordering, wat suggereert dat de grotere kans op bevordering gebaseerd is op inhoudelijke kwaliteit, en dus niet op positieve discriminatie.

Vrouwen zijn echter minder snel geneigd te solliciteren naar een hogere functie. Deze sollicitatiekloof zou kunnen worden toegeschreven aan een mogelijke terughoudendheid onder vrouwen bij het solliciteren naar een functie met veel concurrentie. Zo solliciteerden vrouwen bijvoorbeeld minder vaak op vacatures waar ook externe kandidaten op konden solliciteren. Hetzelfde gold voor functies waarop veel directe collega's met een relatief hoog salarisniveau solliciteerden. Alles bij elkaar genomen, wijzen deze resultaten erop dat institutionele maatregelen met als doel het verkleinen van de kloof tussen mannen en vrouwen zich misschien ook zouden moeten richten op het verlagen van drempels voor vrouwen die willen solliciteren naar een hogere functie. (Zie Paragraaf 12.1 voor informatie over de inspanningen van de ECB om genderdiversiteit in 2019 te bevorderen.)


9 Juridische werkzaamheden en taken

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie ten aanzien van de ECB, rapporten over adviezen van de ECB en gevallen van niet-naleving van de verplichting de ECB te raadplegen over voorgenomen wetsvoorstellen op gebieden waarop zij bevoegd is, en het monitoren van naleving van het verbod op monetaire financiering en bevoorrechte toegang.


9.1 Bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie ten aanzien van de ECB

Het Hof van Justitie heeft een besluit van het Letse bureau voor corruptiebestrijding nietig verklaard voor zover het de heer Ilmārs Rimšēvičs verbood zijn ambt als president van de Latvijas Banka uit te oefenen

Op 26 februari 2019 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) het besluit van de Korupcijas novēršanas un apkarošanas birojs (Letse dienst voor corruptiebestrijding) van 19 februari 2018 nietig verklaard voor zover het de heer Ilmārs Rimšēvičs verbood zijn taken uit te voeren als president van de Latvijas Banka. De afzonderlijke beroepen die Rimšēvičs (C-202/18) en de ECB (C-238/18) tegen dat besluit hadden ingediend, waren de eerste zaken die door het HvJ-EU werden gehoord op grond van de bevoegdheid die het was toegekend op basis van de tweede alinea van Artikel 14.2 van de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank (Statuut van het ESCB). Ten eerste oordeelde het HvJ-EU dat een maatregel – ook als het, zoals in dit geval, een tijdelijke maatregel betreft – die het de president van een nationale centrale bank verbiedt om zijn taken uit te voeren gezien moet worden als een ontheffing van zijn mandaat. Derhalve is het aan het HvJ-EU om de rechtmatigheid van dat verbod te toetsen. In de tweede plaats heeft het HvJ-EU geoordeeld dat het in Artikel 14.2, tweede alinea, van de ESCB-statuten bedoelde beroep tot doel had een handeling van nationaal recht nietig te verklaren wegens de „bijzondere institutionele context” waarbinnen het ESCB actief is. In de derde plaats heeft het HvJ-EU geconcludeerd dat Letland niet heeft aangetoond dat de ambtsontheffing van Rimšēvičs was gebaseerd op het feit dat er voldoende aanwijzingen waren dat hij een grove fout had begaan in de zin van Artikel 14.2, tweede alinea, van de ESCB-statuten.

Het Gerecht heeft een vordering tot schadevergoeding tegen de ECB afgewezen met betrekking tot een advies van de ECB in het kader van de Griekse schuldherstructurering in 2012

Op 23 mei 2019 heeft het Gerecht het door verschillende obligatiehouders ingestelde beroep tot schadevergoeding tegen de ECB verworpen (zaak T-107/17). De schade die werd geclaimd had betrekking op het surpluspercentage dat van invloed is op bepaalde Griekse staatsobligaties in het kader van een gedeeltelijke herstructurering van de Griekse overheidsschuld in 2012. De verzoekers voerden aan dat de ECB in haar advies van 17 februari 2012 (CON/2012/12) heeft nagelaten te wijzen op de onrechtmatigheid van de beoogde schuldherstructurering van de Helleense Republiek. Het advies van de ECB betrof het ontwerp van de Griekse wetgeving inzake het achteraf toevoegen van collectieve-actieclausules aan overheidsobligaties die onder het Griekse recht vallen. Het Gerecht heeft vastgesteld dat de herstructurering niet in strijd was met het door Artikel 17 van het Handvest van de grondrechten beschermde grondrecht van verzoekers op eigendom. Zij heeft ook alle andere door de verzoekers aangevoerde onwettigheidsvorderingen afgewezen. Het Gerecht heeft dan ook geconcludeerd dat de ECB niet aansprakelijk kan worden gesteld voor schade omdat zij in haar advies niet heeft gewezen op de vermeende onwettigheid van de Griekse wet. Tegen de uitsprak werd bij het Hof van Justitie beroep ingesteld.

Het Gerecht heeft geoordeeld dat een beoordeling door de ECB van de vraag of een kredietinstelling faalt of waarschijnlijk zal falen, een voorbereidende handeling is die niet voor de Unierechter kan worden aangevochten

Op 6 mei 2019 oordeelde het Gerecht in twee verschillende zaken (T-283/18 Bernis e.a./ECB en T-281/18 ABLV Bank/ECB) dat een in het kader van de afwikkeling van een kredietinstelling aangenomen beoordeling „faalt of zal waarschijnlijk falen” een voorbereidende maatregel is die niet openstaat voor onafhankelijke rechterlijke toetsing. In deze gevallen zijn door een kredietinstelling en haar directe en indirecte aandeelhouders vorderingen ingesteld tegen een beoordeling door de ECB van de vraag of ABLV Luxembourg faalt of waarschijnlijk zal falen in de zin van Artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds. Het Gerecht heeft het standpunt van de ECB bevestigd dat een dergelijke beoordeling moet worden beschouwd als een louter feitelijke beoordeling die op zich geen rechtsgevolgen heeft en dus niet voor de rechterlijke instanties van de Unie kan worden aangevochten.

Het Hof van Justitie bevestigde de exclusieve bevoegdheid van de ECB voor het toezicht op alle kredietinstellingen binnen het SSM

Op 8 mei 2019 heeft het HvJ-EU in zaak C-450/17 P (Landeskreditbank Baden-Württemberg/ECB) het arrest van het Gerecht bevestigd waarbij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring van een besluit van de ECB heeft verworpen. In dat besluit heeft de ECB de Landeskreditbank meegedeeld dat zij wegens haar omvang uitsluitend onderworpen was aan het toezicht van de ECB en niet aan gemeenschappelijk toezicht in het kader van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (Single Supervisory Mechanism – SSM), overeenkomstig Artikel 6, lid 4, van Verordening (EU) Nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013, waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen. Het beroep tegen dit besluit door de Landeskreditbank werd door het Gerecht verworpen. Het HvJ-EU heeft bevestigd dat de ECB uitsluitend bevoegd is voor het toezicht op alle kredietinstellingen op grond van Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1024/2013. De nationale bevoegde autoriteiten verlenen de ECB bijstand bij de uitvoering van de haar bij Verordening (EG) nr. 1024/2013 opgedragen taken, via een gedecentraliseerde uitvoering van sommige van deze taken met betrekking tot minder belangrijke kredietinstellingen, in de zin van Artikel 6, lid 4, eerste alinea, van die verordening.

Het Hof van Justitie heeft het arrest van het Gerecht waardoor de aandeelhouders van een kredietinstelling werden gemachtigd beroep aan te tekenen tegen een besluit van de ECB om de bankvergunning van de kredietinstelling in kwestie in te trekken, gedeeltelijk vernietigd.

Op 5 november 2019 heeft het HvJ-EU een arrest van het Gerecht gedeeltelijk teruggedraaid. Het betrof het arrest waardoor de aandeelhouders van een kredietinstelling procesbevoegdheid voor de Unierechter hadden om een besluit van de ECB tot intrekking van de bankvergunning van die kredietinstelling te betwisten (gevoegde zaken C-663/17 P, C-665/17 P en C-669/17 P, Trasta Komercbanka e.a./ECB). Na een beroep van de ECB moest het HvJ-EU voor het eerst uitspraak doen over de ontvankelijkheid van een door de aandeelhouders van een kredietinstelling ingesteld beroep tot nietigverklaring van een toezichtbesluit van de ECB met betrekking tot de kredietinstelling waarin zij aandelen bezitten. Het HvJ-EU oordeelde dat het besluit niet rechtstreeks betrekking heeft op de aandeelhouders in de zin van artikel 263, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Bijgevolg is het namens hen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het HvJ-EU oordeelde ook dat het door de wettelijke vertegenwoordiger van het voormalige management namens Trasta Komercbanka ingestelde beroep ontvankelijk moet worden geacht met het oog op het recht op effectieve rechterlijke bescherming, zoals bepaald in Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten.


9.2 Adviezen van de ECB en gevallen van niet-naleving

Krachtens Artikel 127, lid 4 en 282, lid 5 van het Verdrag betreffende het functioneren van de Europese Unie moet de ECB worden geraadpleegd over communautaire of nationale wetsvoorstellen op gebieden die onder haar bevoegdheid vallen. Alle adviezen van de ECB worden gepubliceerd op de website van de ECB. Adviezen van de ECB over communautaire wetsvoorstellen worden ook gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.

In 2019 heeft de ECB zes adviezen uitgebracht over EU-wetsvoorstellen en 40 adviezen over nationale wetsvoorstellen op gebieden die onder haar bevoegdheid vallen.

Duidelijke en belangrijke gevallen van niet-raadpleging

Acht gevallen van niet-naleving van de verplichting de ECB te raadplegen over nationale wetsvoorstellen zijn geregistreerd, waarbij zeven gevallen duidelijk en belangrijk werden geacht[65]. De ECB werd niet geraadpleegd door: i) de Bulgaarse autoriteiten over een voorstel tot wijziging van de wet inzake kredietinstellingen met betrekking tot de toezichtbevoegdheden van de Българска народна банка (de Bulgaarse centrale bank) en haar bevoegdheden om administratieve sancties op te leggen; ii) de Italiaanse autoriteiten over een wetsbesluit inzake dringende fiscale aangelegenheden en andere dringende behoeften; iii) de Litouwse autoriteiten over een wet op de vennootschapsbelasting voor financiëlemarktdeelnemers; iv) de Portugese autoriteiten over een wet tot wijziging van de regels inzake het bankgeheim in het kader van parlementaire onderzoekscommissies en tot vaststelling van de bekendmaking van concrete acties waarbij gebruik wordt gemaakt van openbare middelen in kredietinstellingen, noch over een wet tot hervorming en uitbreiding van het organisatie- en informatiesysteem van de staat (SOIS); v) de Roemeense autoriteiten over een wet tot wijziging van de statuten van de Banca Naţională a României met betrekking tot het houden van door de Banca Naţională a României beheerde goudreserves; en vi) de Zweedse autoriteiten over een wet betreffende de verplichtingen van bepaalde kredietinstellingen en bijkantoren om cashdiensten te verrichten. Er werd geen enkel geval van niet-naleving van de verplichting tot raadpleging bij voorgestelde rechtshandelingen van de Unie vastgesteld.

De ECB heeft adviezen over voorgenomen communautaire en nationale wetgeving uitgebracht

De ECB heeft adviezen uitgebracht over de voorstellen van de EU betreffende een governancekader voor het begrotingsinstrument voor convergentie en concurrentievermogen voor het eurogebied, de sluiting van de overeenkomst inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie en de benoeming van een nieuwe president van de ECB en nieuwe leden van de directie van de ECB.

De ECB heeft adviezen uitgebracht over nationale wetsvoorstellen op het gebied van nationale centrale banken, waaronder: hervormingen van de governancestructuren van de Nationale Bank van België/Banque Nationale de Belgique, de Central Bank of Cyprus, de Banca d’Italia, Latvijas Banka en de Banco de Portugal; de deelname van de Българска народна банка (Bulgaarse centrale bank) in het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme; de financiële onafhankelijkheid van de centrale bank van Cyprus; vereisten inzake lobbying die van toepassing zijn op de Česká národní banka (Tsjechische centrale bank); de eigendomsrechten van de goudreserves van Italië; de rol van de Banque centrale du Luxembourg bij de bescherming van de euro tegen valsemunterij en de echtheidscontrole van euromunten; het toezicht van de centrale bank van Malta op betalingsdiensten; de eisen op het gebied van vrijheid van informatie die op De Nederlandsche Bank van toepassing zijn; de beloning van leidinggevenden en het hoger management van de Narodowy Bank Polski; auditvereisten voor de Banco de Portugal; de aansprakelijkheid van de Banka Slovenije voor buitengewone maatregelen met betrekking tot afwaarderingen van banken; en de overdracht van nieuwe taken aan de NCB’s met betrekking tot het toezicht op verstrekkers van microkredieten (de centrale bank van Griekenland), kredietagentschappen (de centrale bank van Malta) en de compliance van kredietinstellingen met de vereisten wat betreft de herstructurering van in Zwitserse frank luidende leningen (Banka Slovenije).

De ECB heeft adviezen uitgebracht over nationale wetsvoorstellen inzake bedrijfseconomische en financiële toezichtsaangelegenheden, waaronder: het opzetten van nauwe samenwerkingsregelingen tussen de ECB en de Hrvatska narodna banka binnen het kader van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme; hervormingen van het institutionele kader voor het bankwezen en financieel toezicht in Oostenrijk, Letland en Portugal; hervormingen van het institutionele kader voor macroprudentieel toezicht in Portugal en Spanje; hervormingen van het toezicht op entiteiten die kredietfaciliteiten (waaronder niet-renderende leningen) verwerven en verkopen in Cyprus, van microkredietverstrekkers in Griekenland en van kredietagentschappen in Malta; en de uitwisseling van informatie tussen de ECB en de Deense autoriteiten met betrekking tot de bestrijding van witwaspraktijken.

De ECB heeft adviezen uitgebracht over een nationaal wetsvoorstel inzake betaalmiddelen, met inbegrip van de beperkingen op het gebruik van contant geld in Griekenland, Spanje en Nederland, het verbod op het eurobiljet van € 500 in Denemarken en het uitgebreide aanbod van cashdiensten in Zweden.

De ECB heeft adviezen uitgebracht over ontwerpen van nationale wetgeving inzake bancaire en financiële regelgeving, waaronder: het juridische kader voor gedekte obligaties in Estland; een garantieregeling voor securitisaties van niet-renderende leningen die zijn geïnitieerd door kredietinstellingen in Griekenland; de bescherming van primaire woningen in Griekenland en Ierland; beperkingen op de overdracht van woninghypotheken in Ierland en Polen; speciale belastingen of heffingen die van toepassing zijn op banken en/of financiële instellingen in Litouwen, Roemenië en Slowakije; macroprudentiële instrumenten voor woninghypotheken in Luxemburg; vereisten die van toepassing zijn op het beloningsbeleid van financiële ondernemingen in Nederland; de rentevoetbenchmark voor consumentenkredietovereenkomsten in Roemenië; en de herstructurering van consumentenleningen in Zwitserse frank in Slovenië. De ECB heeft ook adviezen uitgebracht over de gevolgen van nationale wetsvoorstellen op het gebied van cyberbeveiliging voor marktinfrastructuren en kredietinstellingen in Cyprus en Spanje.


9.3 Naleving van het verbod op monetaire financiering en bevoorrechte toegang

Overeenkomstig Artikel 271(d) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, heeft de ECB de taak toe te zien op de naleving, door de nationale centrale banken van de EU (NCB’s), van de verbodsbepalingen voortvloeiend uit de Artikelen 123 en 124 van het Verdrag en uit Verordeningen (EG) Nr. 3603/93 en Nr. 3604/93 van de Raad. Artikel 123 verbiedt de ECB en de NCB’s voorschotten in rekening-courant of andere kredietfaciliteiten aan overheden en instellingen of organen van de EU te verlenen, net als van hen rechtstreeks schuldbewijzen te kopen. Artikel 124 verbiedt alle niet op overwegingen van bedrijfseconomisch toezicht gebaseerde maatregelen waardoor overheden en instellingen of organen van de EU bevoorrechte toegang tot financiële instellingen zouden krijgen. Naast de Raad van Bestuur van de ECB ziet de Europese Commissie erop toe of de lidstaten de bovengenoemde bepalingen naleven.

De ECB controleert ook de aankopen die de centrale banken van de EU op de secundaire markt verrichten van schuldbewijzen die zijn uitgegeven door de binnenlandse publieke sector, de publieke sector van andere lidstaten en door instellingen en organen van de EU. Krachtens de overwegingen van Verordening (EG) Nr. 3603/93 van de Raad mag de aankoop van door de publieke sector uitgegeven schuldbewijzen op de secundaire markt niet worden gebruikt om het doel van Artikel 123 van het Verdrag te ontwijken. Dergelijke aankopen mogen geen vorm van indirecte monetaire financiering van de publieke sector worden.

De verbodsbepalingen van de artikelen 123 en 124 van het Verdrag werden in het algemeen nageleefd

De voor 2019 uitgevoerde controle door de ECB bevestigde dat de Artikelen 123 en 124 van het Verdrag in het algemeen werden nageleefd.

Uit de controle kwam naar voren dat de meeste NCB’s in 2019 beschikten over een rentevergoedingsbeleid voor overheidsdeposito’s dat volledig in overeenstemming was met de voor rentevergoedingen geldende plafonds. Enkele NCB’s moeten er echter voor zorgen dat de vergoeding op overheidsdeposito’s niet hoger is dan het plafond.

Nadat de ECB in haar Jaarverslagen van 2014 en de daaropvolgende jaren haar bezorgdheid had geuit, is ze blijven toezien op programma’s die de Magyar Nemzeti Bank in 2014 en 2015 heeft opgestart. In 2019 bleef de Magyar Nemzeti Bank acties ondernemen om de bezorgdheid van de ECB over de omvang van haar betrokkenheid in het Pallas Athéné Public Thinking Programme te verminderen. Dit geval mag echter geen precedent scheppen. De ECB zal de betrokkenheid van Magyar Nemzeti Bank bij de Budapest Stock Exchange op de voet blijven volgen, aangezien de aankoop van een meerderheidsbelang in de Budapest Stock Exchange door Magyar Nemzeti Bank in november 2015 nog altijd kan worden beschouwd als reden tot bezorgdheid over monetaire financiering.

De vermindering van de activa die verband houden met de Irish Bank Resolution Corporation door de Central Bank of Ireland in 2019, door middel van verkopen van langlopende obligaties met variabele rente, is een belangrijke stap in de richting van de noodzakelijke volledige afstoting van deze activa. Een voortgezette verkoop in een gepast tempo zou de aanhoudende ernstige bezorgdheid over het risico van monetaire financiering verder wegnemen.


10 De ECB binnen de EU en in een internationale context

De ECB bleef in 2019 een intensieve dialoog voeren met diverse Europese instellingen, waaronder het Europees Parlement, dat een belangrijke rol speelt in de verantwoordingsplicht van de ECB voor haar besluiten. In internationale fora nam de ECB constructief deel aan de G20-besprekingen over de vooruitzichten voor de wereldeconomie en bij het Internationale Monetaire Fonds (IMF) droeg de ECB actief bij aan een Europese visie op thema’s die verband houden met het internationale monetaire en financiële stelsel en op de beoordelingen van het IMF van de beleidsmaatregelen van de ECB binnen haar toezichts- en kredietverleningskader. De ECB blijft samenwerken met en bijstand verlenen aan de centrale banken van buiten de EU over de hele wereld.


10.1 De verantwoordingsplicht van de ECB tegenover de burgers

Verantwoording is de noodzakelijke tegenhanger van onafhankelijkheid.

Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie geeft de ECB een duidelijk mandaat om de prijsstabiliteit in het eurogebied te handhaven en stelt dat de ECB onafhankelijk mag bepalen welke instrumenten ze daartoe geschikt acht. Het mandaat en de onafhankelijkheid van de ECB werden in het Verdrag verankerd via een democratisch proces. Deze onafhankelijkheid stelt de ECB in staat om haar taken uit te voeren zonder politieke druk en kortetermijnoverwegingen die haar ervan zouden kunnen afbrengen haar mandaat te vervullen. Tegelijkertijd is verantwoording de noodzakelijke tegenhanger van onafhankelijkheid: om de legitimiteit van haar besluiten te waarborgen, heeft de ECB de plicht ze uit te leggen aan de burgers en de door hen gekozen vertegenwoordigers. Deze verantwoordingsplicht wordt aangevuld met rechterlijke toetsing van de ECB-besluiten door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Onafhankelijkheid en verantwoordingsplicht zorgen er met andere woorden voor dat de ECB in overeenstemming met haar mandaat kan handelen en dat effectief doet. In een klimaat waarin de onafhankelijkheid van de centrale banken opnieuw aandacht kreeg, hielden de leden van de Directie van de ECB in 2019 verscheidene lezingen over het verband tussen onafhankelijkheid en verantwoording.[66]

De ECB legt via meerdere kanalen verantwoording af aan het Europees Parlement

Het Europees Parlement speelt een centrale rol in de verantwoordingsplicht van de ECB. In 2019 hield de Commissie economische en monetaire zaken van het Europees Parlement (Committee on Economic and Monetary Affairs – ECON) drie van zijn periodieke hoorzittingen met de president van de ECB, waaronder de eerste met Christine Lagarde (zie Figuur 3 hieronder).[67] In januari 2019 woonde President Mario Draghi ook het plenaire debat in het Parlement over het jaarverslag van de ECB voor 2017 bij, waarna het Europees Parlement een resolutie aannam. De ECB gaf feedback op deze resolutie. In 2019 ontving de ECB 28 brieven met schriftelijke vragen van leden van het Europees parlement. De antwoorden daarop publiceerde ze op haar website en ze boden de ECB de kans haar standpunt over een breed scala aan thema’s te verduidelijken. De ECB moet voor haar bankentoezichtactiviteiten verantwoording afleggen aan zowel het Europees Parlement als de EU-Raad.[68] Bovendien hebben de Europese Rekenkamer en de ECB een memorandum van overeenstemming gesloten dat voorziet in praktische regelingen voor informatie-uitwisseling tussen de twee instellingen over audits van de toezichthoudende taken van de ECB.

Figuur 3

Aantal vragen aan de president van de ECB tijdens de reguliere hoorzittingen van de ECON in 2019 naar onderwerp

Bron: Berekeningen van de ECB.

In 2019 was de steun voor de euro groter dan ooit

In 2019, het jaar van de 20e verjaardag van de euro, bleek uit de Eurobarometer-peilingen dat de steun van de burgers van het eurogebied voor de euro een nieuw recordpeil had bereikt: ruim 75% van de respondenten was voorstander van de gemeenschappelijke munt. Deze trend is bemoedigend voor de ECB, die haar dialoog met de burgers en hun vertegenwoordigers zal blijven versterken.


10.2 Internationale betrekkingen

G20

In 2019 gingen de G20-besprekingen onder het Japanse voorzitterschap vooral over de vooruitzichten voor de wereldeconomie en de beleidsmaatregelen die kunnen worden genomen om een gesynchroniseerde vertraging aan te pakken in tijden van geopolitieke onzekerheden, handelsconflicten en afnemende manoeuvreerruimte voor het macro-economisch beleid. De handelsspanningen kwamen in elke G20-bijeenkomst aan bod, maar er werd slechts beperkte vooruitgang geboekt. Hoewel de leiders dezelfde bezorgdheden hadden over de risico’s voor de wereldeconomie, waren ze verdeeld over een aantal thema’s, waaronder de noodzaak van extra maatregelen in de strijd tegen de klimaatverandering. De G20 bleef zich inspannen om sterke, duurzame, inclusieve en evenwichtige groei te bevorderen om de economische vooruitzichten op middellange termijn te verbeteren. De groep stelde vooruitgang vast in het programma voor de hervorming van de financiële regelgeving, maar ook problemen die nog moeten worden aangepakt, waaronder de risico’s van de toenemende niet-bancaire financiële bemiddeling. De G20 boekte aanzienlijke vooruitgang in de internationale samenwerking op belastinggebied en streeft ernaar om voor het eind van 2020 een akkoord te bereiken.

De G20 gaf ook gevolg aan het verslag van de Eminent Persons Group on Global Financial Governance van de G20 (EPG) met als titel “Making the Global Financial System Work for All”, waarin de focus in 2019 lag op ontwikkelingsproblemen. De werkzaamheden worden onder het huidige G20-voorzitterschap voortgezet. Van de EPG-voorstellen zijn vooral de voorstellen ter verbetering van de mondiale financiële veerkracht interessant voor de ECB.

Beleidskwesties in verband met het IMF en de internationale financiële architectuur

De ECB bleef een actieve rol spelen in de besprekingen over het internationale monetaire en financiële stelsel bij het IMF en in andere fora, waarbij ze het centralebankperspectief promootte in gemeenschappelijke Europese standpunten. Een veelbesproken thema in 2019 waren de middelen van het Fonds. De ECB is van mening dat een adequate financiering van het IMF een essentieel onderdeel is van het wereldwijde financiële vangnet. In oktober 2019 keurden de IMF-leden een pakket maatregelen goed voor de hervorming van de middelen en de governance van het IMF. De leden verleenden daarbij hun steun aan het behoud van de huidige hoeveelheid middelen door de New Arrangements to Borrow te verdubbelen, en nieuwe tijdelijke bilaterale leningen na 2020. Dit pakket maatregelen moet in de loop van 2020 worden geïmplementeerd om te vermijden dat de middelen van het IMF zouden afnemen. De Raad van Bestuur van het IMF stelde zijn Raad van Gouverneurs een resolutie voor waarmee de 15e algemene quotaherziening werd afgesloten zonder quotaverhoging, en deze werd in februari 2020 aangenomen. Bij de 16e algemene quotaherziening, die medio december 2023 wordt afgerond, zal de toereikendheid van de quota worden herbekeken en het proces van de hervorming van het IMF-bestuur worden voortgezet.

Het IMF zette een aantal belangrijke beleidsherzieningen voort binnen zijn toezichts- en kredietverleningskader. Ten eerste rondde het IMF zijn recente onderzoek naar de voorwaarden en het ontwerp van door het Fonds gesteunde programma’s af, waarbij een verslag van het Comité voor internationale betrekkingen van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) het Europese standpunt hielp vorm te geven. Uit het onderzoek kwam naar voren dat de programmavoorwaarden realistischer, trapsgewijzer en spaarzamer zouden moeten zijn, met een scherpere schuldhoudbaarheidsanalyse, en tegelijk een sterke nationale betrokkenheid moeten waarborgen en rekening moeten houden met landspecifieke omstandigheden. Ten tweede was er vooruitgang in de herziening van het kader voor de houdbaarheid van de schuldenlast voor landen met markttoegang, dat zijn de landen die vlotte toegang tot de internationale kapitaalmarkten hebben. Ten derde startte het IMF ook met de vijfjaarlijkse uitgebreide evaluatie van het toezicht en de herziening van het Financial Sector Assessment Program.

Internationale samenwerking tussen centrale banken

De ECB zette haar samenwerking met de centrale banken van buiten de EU over de hele wereld voort. Dit weerspiegelt de wereldwijde belangstelling voor de standpunten, analytische kaders en werkprocessen van de ECB. Besprekingen op het niveau van de medewerkers waarbij ook beleidsmakers waren betrokken hadden betrekking op kerntaken van de ECB, maar ook op technische aangelegenheden en governancekwesties. De betrekkingen met belangrijke Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse centrale banken werden verder uitgebouwd op basis van bestaande bilaterale memoranda van overeenstemming, terwijl de samenwerking met regionale organisaties en het IMF binnen de bestaande regelingen werd voortgezet. Daarnaast vond in november in Colombia een beleidsdialoog op hoog niveau plaats tussen het Eurosysteem en centrale banken van Latijns-Amerika.

De ECB bleef als EU-instelling bijdragen aan het uitbreidingsproces van de EU door gerichte besprekingen te voeren met centrale banken in landen van de westelijke Balkan die naar een toetreding tot de EU toewerken. Een reeks regionale workshops biedt daarvoor het belangrijkste platform, en de besprekingen worden indien mogelijk in nauwe samenwerking met de nationale centrale banken van de EU georganiseerd. Bovendien ging in maart 2019 een door de EU gefinancierd programma van start ten voordele van deze centrale banken. Het is erop gericht de capaciteit van de centrale banken in de westelijke Balkan te versterken met het oog op hun integratie in het ESCB.

Kader 11
Gevolgen van de brexit

Hoewel de ECB niet bij de onderhandelingen betrokken is, bleef ze de brexit-ontwikkelingen nauwlettend volgen en de risico’s voor de economie en het financiële stelsel van het eurogebied in alle mogelijke scenario's beoordelen. De ECB zorgde ervoor dat ze operationeel voorbereid was vóór de aanvankelijk voorziene einddatum van het Artikel 50-proces, met name 29 maart 2019, en bijgevolg vóór de einddata van meerdere verlengingen ervan (12 april 2019, 31 oktober 2019 en 31 januari 2020). Sinds de ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU op 31 januari 2020, spitst de ECB zich toe op de follow-up van de onderhandelingen over de toekomstige relatie tussen de EU en het VK en de inschatting van de gevolgen van de brexit voor de financiële sector in de EU, met name wat betreft de noodzaak om de kapitaalmarktenunie te voltooien.

In de analyse in de ECB Financial Stability Reviews van mei en november 2019 kwamen de risico’s van een potentiële no-dealbrexit aan bod, en de mate waarin de private sector daarop was voorbereid.

Op het gebied van bankentoezicht gingen de ECB en de nationale toezichthouders door met het communiceren van de toezichtsverwachtingen over brexitgerelateerde kwesties, beoordeelden ze de operationele voorbereiding op een no-dealscenario, rondden ze de meerderheid van de procedures voor brexitgerelateerde vergunningen af en volgden ze de implementatie van de brexitplannen van de banken (zie het Jaarverslag van de ECB over haar toezichtswerkzaamheden van 2019).

In maart 2019 besloot de Bank of England om Britse banken euro’s aan te bieden in wekelijkse transacties op basis van de vaste valutaswaplijn met de ECB. In een persbericht daarover verklaarde het Eurosysteem bereid te zijn kredieten in Britse pond te verlenen aan banken uit het eurogebied, mocht dat nodig blijken. Tot dusver heeft de ECB deze leningstransacties in Britse pond niet geactiveerd. Tijdens zijn hoorzitting in het Europees Parlement in september 2019 benadrukte de president van de ECB Mario Draghi dat de ECB en de Bank of England verder zouden samenwerken om alle scenario’s, waaronder een no-dealbrexit, aan te pakken.

De situatie op de afsluitdatum voor de gegevens in dit verslag was dat een uittredingsovereenkomst was goedgekeurd door beide partijen en dat daarmee een overgangsperiode inging.


11 De communicatie verbeteren

“De ECB moet naar de mensen luisteren en ze begrijpen. Een munt is immers een publiek goed dat de mensen toebehoort.” – President Christine Lagarde

Communicatie is een kernelement van het beleidsinstrumentarium van de ECB. Door deskundigen van de financiële markten te informeren over haar huidige beleidskoers en de verwachtingen voor haar toekomstige besluiten, verhoogde de ECB de effectiviteit van haar beleid. Er zijn veel aanwijzingen dat de communicatie van de ECB met de financiële markten en deskundigen succesvol is. De nieuwe uitdaging voor de communicatie van de centrale banken is aansluiting vinden bij het grote publiek. Centrale banken, en dus ook de ECB, moeten beter worden begrepen door de mensen die zij uiteindelijk dienen. Dit is van cruciaal belang om het vertrouwen van de burgers in de ECB te herstellen, in het bijzonder tegen de achtergrond van toegenomen publieke controle op en controversiële debatten over haar beleidsbeslissingen.

Met de verandering in het leiderschap van de ECB in 2019 kreeg de communicatie van de bank met andere dan de traditionele groepen van deskundigen en financiëlemarktspecialisten een nieuwe impuls. De ECB leverde inspanningen om meer te communiceren, om zo beter te worden begrepen en uit te leggen waarom wat ze doet belangrijk is voor de burgers en hun leven. Ze zette ook haar inspanningen voort om groepen in de samenleving te bereiken waarop de ECB haar communicatie tot dusver niet toespitste, zoals jongeren en maatschappelijke organisaties, en ging aandachtiger luisteren naar de bezorgdheden van de burgers. Voor de toekomst zijn er aanzienlijke mogelijkheden om de ECB te doen aansluiten bij thema’s die burgers grote bezorgdheid baren, waaronder ongelijkheid, digitaal geld en klimaatverandering – en duidelijkere antwoorden te bieden over de manier waarop de ECB, binnen de grenzen van haar mandaat, op deze gebieden kan bijdragen. Communicatie zal ook een essentieel onderdeel zijn in de evaluatie van de monetairbeleidsstrategie van de ECB.


11.1 Innovatie in de communicatie van de ECB

Om een breder en jonger publiek te bereiken, maakt de ECB gebruik van innovatieve communicatievormen.

Zo zette de ECB begin 2019, als een van de initiatieven ter gelegenheid van de 20e verjaardag van de euro, een campagne op in samenwerking met de populaire app Quizduel. De #EUROat20-wedstrijd was bedoeld om het bewustzijn en het begrip van de missie van de ECB te vergroten, met name bij jongeren. Meer dan 1,6 miljoen mensen in de hele Europese Unie namen deel aan de quiz, verdiepten zich in en leerden over thema’s die verband houden met de euro en de ECB op een speelse manier.

De wedstrijd #EUROat20 in de Quizduel-app

De ECB relevant maken voor een breder publiek door de link te leggen tussen haar werk en de thema’s die mensen interesseren, met eenvoudige, herkenbare berichten.

De campagne was een groot succes wat de reikwijdte ervan betreft, maar bracht ook een aantal misvattingen en hiaten in de kennis over het institutionele kader en de missie van de ECB aan het licht. Dat toonde aan dat de ECB die hiaten moet opvullen door de link te leggen tussen haar werk en de onderwerpen die de mensen interesseren met eenvoudige, herkenbare berichten. In september 2019 publiceerde de ECB een nieuwe reeks één minuut durende videoboodschappen onder de titel “The ECB explains” waarin ECB-medewerkers in eenvoudige en toegankelijke bewoordingen uitleg geven over specifieke onderwerpen, zoals cryptoactiva en verantwoordingsplicht, en beschrijven waarom hun werk belangrijk is voor de burger. De reeks verschijnt op de Instagram-account van de ECB, zelf ook een innovatie die een ruimer publiek meer inzicht moet bieden in de ECB, en in 2019 één jaar bestond.

In september 2019 lanceerde de ECB ook de maandelijkse ECB Podcast. Aangezien podcasts snel aan populariteit winnen, bieden ze de ECB de kans om nieuwe doelgroepen te bereiken, diepgaande discussies aan te gaan over belangrijke thema’s voor de ECB, op een informelere toon.

In 2019 spande de ECB zich in om in haar communicatie onderwerpen en trends aan te snijden die verder gaan dan de essentie van het monetair beleid en van belang zijn voor de ECB en de burgers van het eurogebied. Zo publiceerde de ECB in mei een webpagina over klimaatverandering. Op die webpagina staat informatie over de acties van de ECB om de klimaatverandering in te perken, met een lijst van interne initiatieven en relevante publicaties (zie ook Kader 3).

De doelstelling van de ECB om te communiceren met een niet-deskundig publiek impliceert ook dat er vaker in de nationale talen zal worden gecommuniceerd om een nauwere band te scheppen met de burgers van het eurogebied. Om dat op een kostenefficiënte manier te doen, nam de ECB de technologie van machine learning in gebruik ter ondersteuning van haar interne vertaalprocessen.

Op Twitter en LinkedIn, verdubbelde het bereik van de ECB tot ruim 2,5 miljoen volgers dankzij de accounts van Christine Lagarde

Met de komst van Christine Lagarde als president van de ECB in november 2019 zijn de digitale voetafdruk en de reikwijdte van de bank sterk vergroot. Op Twitter en LinkedIn bijvoorbeeld, waarop de ECB als instelling al een account had, is het bereik van de ECB dankzij de persoonlijke accounts van Christine Lagarde meer dan verdubbeld tot ruim 2,5 miljoen volgers. Daarbovenop zorgt de aanwezigheid van mevrouw Lagarde op het Chinese platform Weibo voor nog eens 5,8 miljoen volgers. Deze accounts zijn krachtige versterkers van de inspanningen die de ECB levert om zichzelf verstaanbaar te maken.


11.2 Data-analyse om de impact van de ECB-communicatie te vergroten

Data en analyse als essentiële onderdelen van een empirisch onderbouwde aanpak voor de communicatieactiviteiten van de ECB

Opdat de communicatie van de ECB effectief zou zijn en de gewenste impact zou hebben, is het van essentieel belang beter te begrijpen wie de doelgroepen zijn, wat hen bezighoudt en via welke kanalen ze het best kunnen worden bereikt. Daarnaast is een grondigere analyse van het volledige communicatieproces nodig, namelijk een analyse van wat er gebeurt tussen de verzending en de ontvangst van de centralebankcommunicatie, van de bijbehorende dynamiek en feedbackmechanismen, en van de rol van tussenschakels zoals de media en de financiële markten. Tot slot kan de ECB door middel van geavanceerde data-analyse betrouwbare inzichten verwerven in het resultaat van haar eigen communicatie-inspanningen, en nagaan of haar boodschappen effectief worden begrepen en tot een gedragswijziging en een groter vertrouwen leiden.

In 2019 intensiveerde de ECB haar interne activiteiten op het gebied van onderzoek en data-analyse en breidde ze haar samenwerking voor extern onderzoek uit.

Uit een ECB-studie blijkt dat jongeren een oppervlakkige kennis van de ECB en weinig belangstelling voor economische en financiële thema’s hebben.

Om inzicht te krijgen in de manier waarop haar communicatie weerklank vindt bij het grote publiek, met name bij jongeren, zette de ECB een focusgroepstudie op onder 18- tot 35-jarigen in zes landen van het eurogebied. Daarmee wilde ze niet alleen naar het bewustzijn, de kennis en de perceptie van de ECB bij jongeren peilen, maar ook nagaan welke economische, financiële en sociale onderwerpen hen interesseren en welke communicatiekanalen ze daarvoor verkiezen. Deze studie wees uit dat jongeren niet alleen een zeer oppervlakkige kennis hebben van de ECB, maar ook nog eens een beperkte belangstelling voor economische en financiële thema’s. Zij hechten meer belang aan kwesties als klimaatverandering en sociale verantwoordelijkheid. Uit het onderzoek bleek ook dat de meerderheid van de jongeren er de voorkeur aan geeft met de ECB in contact te komen via sociale media, die – samen met hun eigen sociale netwerken (mond tot mond) – hun belangrijkste bronnen van informatie vormen.

Succesvolle “gelaagde” weergave van de belangrijkste boodschappen uit ECB-publicaties om een bredere belangstelling te wekken

Bij haar analyse van haar communicatie-inspanningen, testte en analyseerde de ECB ook hoe ze informatie het best kan aanbieden op de diverse digitale platforms. Ze streefde bijvoorbeeld “gelaagde” communicatie na voor haar publicaties, waarbij ze de publicatie van haar belangrijkste verslagen aanvulde met landingspagina’s op haar website en socialemediacampagnes om haar bevindingen toegankelijker, visueler en overzichtelijker te maken. De resultaten bewijzen dat deze aanpak werkt, aangezien hij meer mensen ertoe aanzet de publicatie zelf te raadplegen en, eenmaal ze dat doen, 50% meer tijd te besteden aan het lezen ervan. Dergelijke inzichten vormen de basis voor toekomstige, aangepaste communicatie.

Nieuwe landingspagina voor de Financial Stability Review van de ECB

Vruchtbare interactie met de academische wereld om interdisciplinair onderzoek naar centralebankcommunicatie te bevorderen

Bij het uitbreiden en verdiepen van haar onderzoeksinspanningen op het gebied van centralebankcommunicatie nam de ECB het initiatief voor en is ze medevoorzitter van het Research and Policy Network on Central Bank Communication, dat werd opgericht binnen het kader van het Centre for Economic Policy Research (zie ook Paragraaf 8.1). In oktober 2019 hostte de ECB een tweedaagse workshop van het netwerk, waarvoor communicatiemedewerkers van de ECB en andere centrale banken, financiëlemarktanalisten, journalisten en academici uit allerlei disciplines waaronder economie, psychologie en sociologie, samenkwamen. De besprekingen spitsten zich toe op de risico’s en opportuniteiten van communicatie met het grote publiek, de grenzen aan de transparantie van de centrale banken en de veranderende rol van de media als tussenschakels in de centralebankcommunicatie. Tegen die achtergrond was de ECB in oktober 2019 de eerste – en ze is tot dusver de enige – centrale bank die een voorgecompileerde, gebruiksvriendelijke en regelmatig bijgewerkte dataset beschikbaar stelt die alle toespraken van haar beleidsmakers omvat. Op deze manier wil de ECB nieuw onderzoek naar haar communicatie stimuleren en faciliteren, bijvoorbeeld door tekstanalyse.


12 Organisatie en goed bestuur

De ECB is een EU-instelling in het hart van het Eurosysteem en het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme. Ruim 3.500 personeelsleden uit heel Europa werken voor de ECB. De ECB wil haar mensen inspireren, hun betrokkenheid stimuleren en hen ontwikkelen, en zette in 2019 haar inspanningen voort voor meer diversiteit en inclusie als bepalende factoren voor een betere organisatie. Bovendien streefde de ECB voort naar het hoogste niveau van integriteit en bestuursnormen. De inwerkingtreding op 1 januari 2019 van de Gedragscode voor ECB-functionarissen van hoog niveau was op dat gebied een mijlpaal. Tot slot, maar niet onbelangrijk, vierde de ECB in 2019 de 20e verjaardag van de euro, de munt van 340 miljoen Europeanen (zie Kader 12).


12.1 Uitmuntendheid bereiken door leiderschap, inclusie en de ontwikkeling van mensen

Het is van vitaal belang dat de ECB gediversifieerde teams en inclusief gedrag aanmoedigt om de best mogelijke resultaten te kunnen boeken voor haar personeelsleden en voor de EU. Daarom zijn diversiteit, respect, een ethische cultuur en het welzijn van haar medewerkers strategische doelstellingen voor de ECB.

Diversiteit en inclusie zijn bepalende factoren voor een betere organisatie

In 2019 bleef de ECB diversiteit en inclusie aanmoedigen als bepalende factoren voor een betere organisatie. De ECB beschikt over een aantal langlopende diversiteitsnetwerken die vaak met Human Resources overleggen en alle aspecten van diversiteit trachten te behandelen. In 2019 werd een nieuw netwerk opgericht met de naam DiversAbility, het professionele netwerk van de ECB voor personen met langdurige gezondheidsproblemen en de mensen die hen ondersteunen.

Op het niveau van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) en het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (Single Supervisory Mechanism – SSM) blijft de ECB met nationale centrale banken en nationale toezichthoudende autoriteiten van gedachten wisselen over beste praktijken op het gebied van diversiteit en inclusie, zoals tijdens de vierde jaarvergadering van het diversiteitsnetwerk van het ESCB/SSM, dat de Bundesbank in september 2019 organiseerde in Eltville am Rhein. De ECB nam in mei 2019 ook deel aan een top over genderdiversiteit met de humanresourcesleiders van de centrale banken van de G7 en collega’s van het ESCB/SSM en het Internationaal Monetair Fonds.

Binnen haar uitgebreide programma van inclusie-activiteiten nam de ECB in 2019 voor het eerst deel aan de Christopher Street Day (Pride) parade in Frankfurt en organiseerde ze evenementen ter gelegenheid van de Internationale dag voor personen met een handicap, Coming-outdag en de Internationale dag voor de herdenking van de slachtoffers van de Holocaust. Terugkerende hoogtepunten op de ECB-kalender zijn onder meer de evenementen ter gelegenheid van de Internationale vrouwendag en de Internationale dag tegen homofobie, bifobie, interfobie en transfobie (International Day against Homophobia, Biphobia, Interphobia and Transphobia – IDAHOBIT).

De ECB blijft werken aan een genderevenwichtere werkomgeving en onderging in 2019 een onafhankelijke beoordeling waarna het in februari een ASSESS level (level 1) Economic Dividends for Gender Equality (EDGE) certificering ontving, een erkenning voor haar inzet op dat gebied.

Om het genderevenwicht te verbeteren, had de Directie van de ECB doelstellingen voor eind 2019 vastgesteld. Aan het einde van het jaar waren 30,3% van de managementfuncties ingenomen door vrouwen, tegen een streefpercentage van 35%. Voor functies in het senior management beliep het aandeel 30,8%, tegen een doelstelling van 28% (zie Tabel 2). Het totale aandeel van vrouwen in het personeelsbestand van de ECB op alle niveaus bedroeg 45,3%. Zie Kader 10 in Hoofdstuk 8 voor informatie over de verhouding tussen mannen en vrouwen in de loopbaanontwikkeling bij de ECB.

Tabel 2

Genderdoelstellingen en aandeel van vrouwen in het personeelsbestand van de ECB

Bron: ECB.
Toelichting: Het aandeel vrouwelijke personeelsleden wordt gemeten op basis van het aantal personeelsleden met een vaste en een tijdelijke functie. Gegevens per 1 januari 2020.

Om divers talent aan te trekken, heeft de ECB in 2019 haar vacatures herwerkt om ze inclusiever te maken door kandidaten uitdrukkelijk aan te moedigen te solliciteren onafhankelijk van hun leeftijd, beperking, etniciteit, gender, genderidentiteit, religie, seksuele geaardheid of andere kenmerken. De ECB bleef ook kandidaten zoeken via inclusieve wervingsplatformen, en nam zo onder meer deel aan Sticks & Stones, Europa’s grootste loopbaanbeurs voor LGBT+, en de European Women in Tech Conference.

De ECB zet zich in voor de groei en ontwikkeling van haar medewerkers en heeft altijd al een breed scala aan leer- en ontwikkelingsmogelijkheden aangeboden om hen te helpen de uitdagingen van een voortdurend veranderende wereld het hoofd te bieden. Het afgelopen jaar heeft de ECB op het niveau van het ESCB/SSM gewerkt aan een samenhangende opleidings- en ontwikkelingsstrategie voor het hele stelsel om haar talent binnen het stelsel te helpen resultaten te boeken voor Europa. De strategie bouwt voort op bestaande lokale opleidingsinitiatieven die werden aangeboden aan collega’s binnen het ESCB en het SSM, en is erop gericht bij te dragen aan een opleidingscultuur die opleiding en ontwikkeling koppelt aan productiviteit, bekwaamheid en efficiëntie.

Leiders spelen een centrale rol bij het verbeteren van de prestaties van zowel individuen als teams zodat de organisatie erop vooruitgaat. Met dit in het achterhoofd voerde de ECB de afgelopen jaren met succes een modulair Leadership Growth Programme uit, dat in november 2019 afliep. Aan het programma namen meer dan 600 leiders deel van alle niveaus, met inbegrip van niet-leidinggevende teamhoofden, met als doel het leiderschapsgedrag te versterken en op die manier de prestaties van de organisatie te verbeteren en sterke teams uit te bouwen rond een gedeelde visie, doelstelling en ambitie om de ECB sterker te maken.

In 2019 heeft de ECB de manier waarop ze de professionele groei van haar medewerkers ondersteunt grondig herzien met als resultaat de invoering van een nieuw omvattend loopbaankader. Het kader omvat nieuwe methoden voor de bevordering van personeelsleden en veranderingen in de processen en beleidsmaatregelen die mobiliteit (van functie wisselen in de bank of ervaring opdoen buiten de bank) vergemakkelijken en aanmoedigen als groeiopportuniteiten. Met deze veranderingen positioneert de ECB zich als voorkeurswerkgever, zorgt ze ervoor dat haar medewerkers geëngageerd blijven en steunt ze de ontwikkeling van de personen die de ECB gestalte geven.


12.2 Verdere versterking van de integriteit en de bestuursnormen

De maandelijkse agenda’s en belangenverklaringen van alle functionarissen van hoog niveau worden gepubliceerd op de website van de ECB

Met de inwerkingtreding van haar Gedragscode voor ECB-functionarissen van hoog niveau (de “Gedragscode”) op 1 januari 2019 bevestigde de ECB dat ze het hoogste niveau van integriteit en bestuursnormen nastreeft. De Gedragscode voerde niet alleen specifieke regels voor activiteiten na uitdiensttreding, persoonlijke financiële transacties en relaties met belangengroepen in, ze verplicht leden van ECB-organen van hoog niveau ook om hun maandelijkse agenda’s (vanaf januari 2019) te publiceren en jaarlijks hun ondertekende belangenverklaringen in te dienen bij het Ethisch comité voor evaluatie en daaropvolgende publicatie op de website van de ECB.

Daarnaast adviseert het Ethisch Comité[69] de leden van de ECB-organen van hoog niveau over alle andere aangelegenheden die te maken hebben met beroepsethiek, met name over activiteiten na uitdiensttreding en beroepswerkzaamheden tegen beloning van familieleden[70]. Omdat alles wat te maken heeft met goed gedrag en goed bestuur steeds relevanter wordt, introduceerde de ECB voor alle leden van ECB-organen van hoog niveau die in of uit dienst treden introductie- en eindmeetings met de chef van het Bureau Naleving en Governance om aan de verplichtingen uit de Gedragscode te voldoen.

De samenwerking tussen de centrale banken van het eurogebied en de nationale toezichthoudende autoriteiten via de Ethics and Compliance Officers’ Task Force (ECTF) won verder aan stootkracht in 2019. De ECTF ontwikkelde zich tot een knooppunt voor informatie-uitwisseling en een forum dat bijdraagt aan de coherente toepassing van de Gedragscode in het hele Eurosysteem en het Europese bankentoezicht. Met als doel extra gelegenheden te creëren om van elkaar te leren, organiseerde de ECTF themasessies met externe partners zoals het UN Ethics Office, het Bureau van de Europese Ombudsman en de Europese Rekenkamer. Die laatste lichtte daarbij haar verslag toe over de ethische kaders van een selectie gecontroleerde EU-instellingen.

Voor de personeelsleden werd in 2019 bij de jaarlijkse controle van de naleving van de regels voor persoonlijke financiële transacties een willekeurig gekozen groep van 10% van alle personeelsleden onderzocht, onder wie de leden van ECB-organen van hoog niveau. Daarnaast volgde de ECB het advies van haar externe dienstverlener en voerde ze in 2019 een ad-hoccontrole van de naleving uit, die zich richtte op een specifieke groep personeelsleden.

In overeenstemming met zijn mandaat bleef het Auditcomité van de ECB bijstand verlenen aan de Raad van Bestuur bij haar taken en verantwoordelijkheden in verband met de integriteit van financiële informatie, het toezicht op de interne controles, de naleving van toepasselijke wet- en regelgeving en gedragscodes en de uitvoering van auditfuncties. In 2019 besteedde het Auditcomité vooral aandacht aan cyberrisico’s en de toereikendheid van het risicobeheersingskader voor financiële risico's van het Eurosysteem en moedigde ze een proactieve aanpak aan bij het nagaan of de auditaanbevelingen werden gevolgd.

Met de beginselen van transparantie en verantwoordingsplicht als leidraad houden de leden van de hoge organen van de ECB regelmatig contact en interactie met het publiek en gespecialiseerde doelgroepen uit de publieke en private sector, de academische wereld, belangengroepen en representatieve verenigingen. Deze dialogen en debatten vinden plaats binnen een gevestigd en openbaar kader dat een degelijk niveau van transparantie en goed bestuur waarborgt.

In 2019 reageerde de ECB op 113 verzoeken om toegang van EU-burgers en willigde ze die in voor meer dan 200 documenten (waarvan sommige gedeeltelijk werden vrijgegeven).

Bovendien, besloot de ECB in 2019, als onderdeel van haar voortdurende inzet voor goed bestuur en transparantie, een nieuw beleid in te voeren waarbij de documenten van het Comité van Presidenten en het Europees Monetair Instituut – die al dateren van voor de oprichting van de ECB in juni 1998 –, zouden worden uitgeroepen tot historische documenten, om het voor het grote publiek makkelijker te maken ze te raadplegen.

Kader 12
20 jaar euro

Op 1 januari 2019 vierde onze gemeenschappelijke munt, de euro, haar 20e verjaardag. Twintig jaar eerder, op 1 januari 1999, legden 11 landen van de Europese Unie (EU) hun wisselkoersen vast en namen ze een gemeenschappelijk monetair beleid aan, dat aan de ECB werd toevertrouwd. De euro bestond in eerste instantie alleen in elektronische vorm en werd alleen gebruikt voor niet-contante betalingen en door de financiële markten. De eurobankbiljetten en -munten kwamen drie jaar later in omloop, op 1 januari 2002. Vandaag is de euro de munteenheid van 19 EU-landen en meer dan 340 miljoen Europeanen. Als op één na belangrijkste munteenheid ter wereld – na de Amerikaanse dollar – maakt de euro deel uit van ons dagelijkse leven als het meest tastbare symbool van het Europese project. De steun voor de euro bij de burgers van het eurogebied was nog nooit zo groot: 76% van de respondenten uit de Eurobarometer-peiling vindt dat de euro goed is voor de EU (Eurobarometer-peiling, november 2019).

20 jaar gemeenschappelijke munt

De EU-landen die de euro op 1 januari 1999 aannamen, en de landen die later volgden, hebben samen een lange weg afgelegd. De laatste 20 jaar waren uitzonderlijk voor het eurogebied. Het eerste decennium kan worden beschouwd als de culminatie van een 30 jaar durende opleving van de wereldwijde financiële cyclus. Het tweede decennium daarentegen werd getekend door de ergste economische en financiële crisis sinds de jaren 30 van de vorige eeuw – waarbij een wereldwijde financiële crisis overging in een staatsschuldencrisis.

Het Europese project met inbegrip van de Economische en Monetaire Unie (EMU) is een proces dat met de tijd verandert. Gezien de economische structuren 20 jaar na de invoering van de euro kan worden gesteld dat de mondiale financiële crisis en de staatsschuldcrisis de veerkracht van de economische structuren van het eurogebied hebben aangetoond. De landen van het eurogebied leverden aanzienlijke inspanningen om de crisis het hoofd te bieden en deze veerkracht te vergroten. De dynamiek van de crisis werd ook aangegrepen om de EMU te versterken. Met name de oprichting van het Europese bankentoezicht was een belangrijke verwezenlijking. De EMU is echter nog steeds niet voltooid. Er is verdere vooruitgang nodig om de voordelen van de gemeenschappelijke munt optimaal te benutten voor alle Europeanen.

De ECB vierde de #EUROat20

De 20e verjaardag van de euro was een belangrijke mijlpaal voor de ECB, die meermaals werd gevierd. Met evenementen zoals kunst- en muziekvoorstellingen (in het kader van de Europese culturele dagen van de ECB, die in 2019 gewijd waren aan de gemeenschappelijke cultuur en identiteit van Europa) tot socialemediacampagnes – zie de ECB-Quizduel-wedstrijd – en centralebankconferenties op hoog niveau, met name het ECB Forum on Central Banking in Sintra van 17 tot 19 juni 2019, bood de 20e verjaardag van de euro een goede gelegenheid om binding te krijgen met de Europese burgers.

Opmerkelijk was dat het thema van dit ECB-forum in Sintra “20 years of European Economic and Monetary Union” was. Daarbij kwamen de ervaringen met de EMU tot nu toe en cruciale factoren voor het succes ervan voor de toekomst aan bod. De deelnemers bespraken de diverse vorderingen op het gebied van economische convergentie, de rol van het begrotingsbeleid ten opzichte van het monetaire beleid voor de macro-economische stabilisatie in de nog onvoltooide monetaire unie, en een aantal belangrijke determinanten van de toekomstige groei in het eurogebied (zoals de demografische krachten). De belangrijkste thema’s worden hieronder geïllustreerd.

20 jaar Europese Economische en Monetaire Unie – een grafische illustratie van het ECB Forum on Central Banking in Sintra

Bron: ECB.


Jaarstukken

https://www.ecb.europa.eu/pub/annual/annual-accounts/html/ecb.annualaccounts2019~9eecd4e8df.nl.html


De geconsolideerde balans van het Eurosysteem per 31 december 2019

https://www.ecb.europa.eu/pub/annual/balance/html/ecb.eurosystembalancesheet2019~fed8c5244a.nl.html


Statistisch deel (alleen beschikbaar in het Engels)

https://www.ecb.europa.eu/pub/pdf/annrep/ecb.ar_annex2019_statistical_section~bf923b8ecc.en.pdf

© Europese Centrale Bank, 2020

Postadres 60640 Frankfurt am Main, Duitsland

Telefoon +49 69 1344 0

Internet www.ecb.europa.eu

Alle rechten voorbehouden. Reproductie voor educatieve en niet-commerciële doeleinden is toegestaan op voorwaarde dat de bron wordt vermeld.

De afsluitingsdatum voor de in dit verslag voorkomende gegevens was 10 maart 2020.

Voor specifieke terminologie en afkortingen wordt verwezen naar het ECB glossary (alleen beschikbaar in het Engels).

HTML ISBN 978-92-899-4096-2, ISSN 2443-4795, doi: 10.2866/806105, QB-BS-20-001-NL-Q


[1]Zie voor meer informatie over handelsgerelateerde onzekerheid “Tracking global economic uncertainty: implications for global investment and trade”, Economic Bulletin, Issue 1, ECB, 2020.
[2]De vooruitzichten aan het einde van 2019 anticipeerden geen gevolgen of neerwaartse risico’s veroorzaakt door de uitbraak van het coronavirus, daar deze informatie op dat moment niet bekend was.
[3]Zie voor een overzicht van de wisselwerking tussen de verwerkende industrie en de dienstensector het kader “Developments in the services sector and its relationship with manufacturing”, Economic Bulletin, Issue 7, ECB, 2019.
[4]Zo verstoorden investeringen in intellectuele-eigendomsproducten in Ierland bijvoorbeeld de groei van de investeringen in het eurogebied in het tweede en derde kwartaal van 2019.
[5]Zie “A revised consumer confidence indicator”, Europese Commissie, 21 december 2018.
[6]Zie voor meer informatie over de opbouw van deze indicatoren “Indicatoren van de situatie op de arbeidsmarkt in het eurogebied”, Economisch Bulletin, nr. 8, ECB, 2019.
[7]Zie voor meer informatie over de ontwikkeling van het arbeidsaanbod in het eurogebied het artikel “Labour supply and employment growth”, Economic Bulletin, Issue 1, ECB, 2018.
[8]Zie voor meer informatie over het verband tussen werkgelegenheid en productiviteit tijdens de huidige werkgelegenheidsexpansie het kader “Werkgelegenheidsgroei en bbp in het eurogebied”, Economisch Bulletin, nr. 2, ECB, 2019, en het kader “Hoe verhoudt de huidige werkgelegenheidsexpansie in het eurogebied zich tot historische patronen?”, Economisch Bulletin, nr. 6, ECB, 2019.
[9]Zie bijvoorbeeld Charbonneau, K., Evans, A., Sarker, S. en Suchanek, L., “Digitalization and Inflation: A Review of the Literature”, Staff Analytical Note 2017-20, Bank of Canada, november 2017.
[10]Zie bijvoorbeeld Masuch, K., Anderton, R., Setzer, R. en Benalal, N. (eds.), “Structural policies in the euro area”, Occasional Paper Series, nr. 210, ECB, juni 2018.
[11]Zie voor meer informatie over de tenuitvoerlegging van de CSR's het kader “Country-specific recommendations for economic policies under the 2019 European Semester”, Economic Bulletin, Issue 5, ECB, 2019.
[12]De begrotingskoers weerspiegelt de richting en omvang van de stimulans die uitgaat van het begrotingsbeleid op de economie, naast de automatische reactie van de overheidsfinanciën op de conjunctuur. Deze wordt gemeten als de wijziging van het voor de conjunctuur gecorrigeerde primaire saldo verminderd met de overheidssteun aan de financiële sector. Zie voor meer informatie over het begrip “begrotingskoers binnen het eurogebied” het artikel “The euro area fiscal stance”, Economisch Bulletin, nr. 4, ECB, 2016.
[14]De gemiddelde totale inflatie in 2018 werd door Eurostat bijgesteld van 1,7% naar 1,8% na de afsluitingsdatum voor gegevens in het Jaarverslag 2018. De bijstelling volgde op de invoering van methodologische wijzigingen aan de geharmoniseerde consumptieprijsindex (HICP) door Eurostat. Deze wijzigingen hielden ook een opwaartse bijstelling in van de gemiddelde inflatie in de dienstensector in 2018, van 1,3% naar 1,5%, en een neerwaartse bijstelling van de gemiddelde inflatie van industriële goederen ongerekend energie in 2018 van 0,4% naar 0,3%. Deze veranderingen hadden echter slechts een licht effect op de gemiddelde HICP-inflatie exclusief energie en voedingsmiddelen in 2018, die onveranderd bleef op 1,0%. In tegenstelling tot deze relatief bescheiden effecten waren de gevolgen voor de maandelijkse en jaarlijkse inflatie in 2015 bijzonder groot. De gemiddelde totale inflatie voor 2015 werd naar boven bijgesteld met 0,2 procentpunten, en de HICP-inflatie exclusief energie en voedingsmiddelen met 0,3 procentpunten. Zie “Een nieuwe methode voor de prijsindex voor georganiseerde reizen in Duitsland en de invloed hiervan op de HICP-inflatie”, Economisch Bulletin, nr. 2, ECB, 2019, en Monthly Report, Deutsche Bundesbank, maart 2019, blz. 8-9.
[15]Statistische veranderingen van de indicatoren van de prijzen van georganiseerde reizen in Duitsland hebben tijdelijk een neerwaartse druk uitgeoefend op de diensteninflatie in het eurogebied; zie het Monthly Report, Deutsche Bundesbank, augustus 2019, blz. 57-59.
[16]Zie Bobeica, E. en Sokol, A., “Drivers of underlying inflation in the euro area over time: a Phillips curve perspective”, Economisch Bulletin, nr. 4, ECB, 2019. Deze analyse is gericht op een uitsplitsing van de inflatie binnen een steekproef. Zie voor een recente analyse van de voorspelprestaties van dit type model, en het voorspelvermogen van verschillende soorten variabelen voor inflatie, Moretti, L., Onorante, L. en Zakipour Saber, S., “Phillips curves in the euro area”, Working Paper Series, nr. 2295, ECB, juli 2019.
[17]Zie Ciccarelli, M. en Osbat, C. (eds.), “Low inflation in the euro area: Causes and consequences”, Occasional Paper Series, nr. 181, ECB, januari 2017.
[18]De indicatoren van verwachtingen voor Grafiek A zijn op enquêtes gebaseerde indicatoren voor de inflatieverwachtingen voor zowel de korte als de lange termijn van de Survey of Professional Forecasters van de ECB en van Consensus Economics.
[19]De externe invloeden zijn uiteraard mogelijk niet beperkt tot wat in de invoer- en energieprijzen tot uiting komt. Zie voor een bespreking van overige mechanismen Lane, P., “Globalisation and monetary policy”, lezing aan de universiteit van Californië, 30 september 2019.
[20]Jarociński, M. en Lenza, M., “An Inflation-Predicting Measure of the Output Gap in the Euro Area”, Journal of Money, Credit and Banking, Vol. 50(6), 2018, blz. 1189-1224.
[21]De groei van de beloning per werknemer werd belemmerd door de daling van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid in Frankrijk als gevolg van een wetswijziging (de vervanging van de CICE-belastingkorting door een permanente verlaging van de socialezekerheidsbijdragen van de werkgevers).
[22]Zie het kader “Hoe bepalen winsten de binnenlandse prijsdruk in het eurogebied?”, Economisch Bulletin, nr. 6, ECB, 2019.
[23]Het Eurosysteem streeft een marktneutrale portefeuillesamenstelling na, door in alle rechtsgebieden effecten met alle in aanmerking komende looptijden aan te kopen, op een wijze die de samenstelling van de markt voor overheidsobligaties in het eurogebied weerspiegelt.
[24]De ECB publiceert de verwachte maandelijkse aflossingsbedragen voor het APP voor een voortschrijdende periode van twaalf maanden.
[25]Zie “General APP securities lending framework” op de website van de ECB voor informatie over effectenleningen in het kader van het CBPP3 en het ABSPP. Daarbij moet worden opgemerkt dat de effecten die werden aangekocht via het programma voor de effectenmarkten, het CBPP en het CBPP2 ook beschikbaar worden gesteld voor kredietverlening door het Eurosysteem.
[26]De ECB publiceert voor het PSPP op maandbasis het geaggregeerde maandgemiddelde van de uitgeleende effecten voor het Eurosysteem en het geaggregeerde gemiddelde bedrag per maand van de als onderpand ontvangen contanten.
[28]Zie ook de pagina “Asset purchase programmes” op de website van de ECB.
[29]Effecten op onderpand van activa moeten over ten minste twee kredietbeoordelingen beschikken, die door een EKBI zijn verstrekt.
[30]Zie artikel 138, lid 3 b), van het Richtsnoer (EU) 2015/510 van de Europese Centrale Bank van 19 december 2014 betreffende de tenuitvoerlegging van het monetairbeleidskader van het Eurosysteem (ECB/2014/60) (PB L 91, 2.4.2015, p. 3).
[31]Op 12 september 2019 besloot de Raad van Bestuur de mogelijkheid te verruimen om, zo nodig, via alle onderdelen van het APP activa aan te kopen waarvan het rendement lager is dan de rente op de depositofaciliteit. Voor nadere informatie, zie “ECB provides additional details on purchases of assets with yields below the deposit facility rate”, persbericht, ECB, 12 september 2019.
[32]De emittentenlimiet is het maximale aandeel van de uitstaande effecten van een emittent dat het Eurosysteem mag aanhouden.
[33]Zie de Special Feature met als titel “Climate change and financial stability”, Financial Stability Review, ECB, mei 2019.
[34]Zie Carney, M., “Breaking the Tragedy of the Horizon – climate change and financial stability”, lezing bij Lloyd’s of London, 29 september 2015.
[35]Zie Cœuré, B., “Monetary policy and climate change”, lezing tijdens een conferentie over “Scaling up Green Finance: The Role of Central Banks”, georganiseerd door het Netwerk voor vergroening van het financiële systeem, de Deutsche Bundesbank en het Comité voor de Economische Politiek, Berlijn, 8 november 2018.
[36]Zie de edities van mei 2019 en november 2019 van het Financial Stability Review van de ECB.
[37]Zie de Guindos, L., “Implications of the transition to a low-carbon economy for the euro area financial system”, lezing tijdens de conferentie van de European Savings and Retail Banking Group “Creating sustainable financial structures by putting citizens first”, Brussel, 21 november 2019.
[39]Zie voor meer informatie over de toezichthoudende activiteiten van de ECB in verband met de klimaatverandering het Kader “Green finance” in het ECB-jaarverslag over haar toezichtswerkzaamheden van 2019.
[40]De nieuwe EU-verordening, waarin wordt toegelicht hoe NPE’s volgens Pijler 1 moeten worden behandeld, is Verordening (EU) 2019/630 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 april 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft minimale verliesdekking voor niet-renderende blootstellingen (PB L 111, 25.4.2019, p. 4). Ze trad in werking op 26 april 2019.
[41]Voor nadere bijzonderheden, zie Hoofdstuk 4.
[42]Het gezamenlijk vangnet voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, dat zal worden opgezet door het Europees stabiliteitsmechanisme, moet ervoor zorgen dat het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds over supplementaire middelen kan beschikken om noodzakelijke afwikkelingsmaatregelen te ondersteunen.
[43]Zie ook het Advies van de Europese Centrale Bank van 8 november 2017 betreffende de herzieningen van het crisisbeheerkader van de Unie (CON/2017/47).
[44]Verdere harmonisering en standaardisering, op basis van het gemeenschappelijk reglement als een genormaliseerd regelgevend kader, zijn van essentieel belang om een echte kapitaalmarktenunie te bereiken.
[45]Zie “Reforming major interest rate benchmarks – Progress report”, Raad voor Financiële Stabiliteit (Financial Stability Board – FSB), 18 december 2019.
[46]Overeenkomstig Artikel 141, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Artikelen 17, 21.2, 43.1 en 46.1 van de Statuten van het ESCB, en Artikel 9 van Verordening van de Raad (EG) Nr. 332/2002 van 18 februari 2002.
[47]Overeenkomstig Artikel 122, lid 2, en Artikel 132, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Artikel 17 en 21 van de Statuten van het ESCB, en Artikel 8 van Verordening van de Raad (EU) Nr. 407/2010 van 11 mei 2010.
[48]Overeenkomstig Artikel 17 en 21 van de Statuten van het ESCB (in samenhang met Artikel 3, lid 5, van de EFSF-Kaderovereenkomst).
[49]Overeenkomstig Artikelen 17 en 21 van de Statuten van het ESCB (in samenhang met Artikel 5.12.1 van de algemene voorwaarden voor overeenkomsten inzake financiële bijstand in het kader van het ESM).
[50]In de context van de overeenkomst inzake de kredietfaciliteit tussen de lidstaten die de euro als munt hebben (behalve Griekenland en Duitsland) en de Kreditanstalt für Wiederaufbau (handelend in het algemeen belang, onderworpen aan de instructies en met de waarborg van de Federale Republiek Duitsland) als kredietgevers en de Helleense Republiek als kredietnemer en de Bank of Greece als agent voor de kredietnemer, en overeenkomstig Artikelen 17 en 21.2 van de Statuten van het ESCB en Artikel 2 van Besluit ECB/2010/4 van 10 mei 2010.
[51]De interventies tegen limietkoersen in het kader van het wisselkoersarrangement (ERM II) zijn interventies die plaatsvinden wanneer de wisselkoers van een valuta ten opzichte van de euro de limiet van zijn vooraf overeengekomen fluctuatiemarge bereikt (d.w.z. de bandbreedte waarbinnen de valuta's van de leden van het ERM II mogen fluctueren ten opzichte van de euro). Deze interventies zijn in beginsel automatisch en onbeperkt.
[52]Zie bijvoorbeeld “Boosting Europe”, European Banking Federation, 2019.
[53]Hier verwijzen wij primair naar de gegevensreeksen die verband houden met de rapportageverplichting van deposito-instellingen, zoals uiteengezet in: de verordeningen van de ECB houdende statistieken met betrekking tot de balans en rentetarieven van monetaire financiële instellingen; de sectormodule van de Verordening betreffende statistieken inzake aangehouden effecten; en de AnaCredit-verordening betreffende gedetailleerde kredietgegevens en kredietrisicogegevens.
[54]Zie “Dataset and indicators to monitor the crypto-assets phenomenon”, een presentatie van medewerkers van de ECB; ook zal er een artikel van ECB-medewerkers worden opgenomen in het te verschijnen gegevensrapport van de werkgroep fintech van het Irving Fisher Committee on Central Bank Statistics (IFC) (H1 2020).
[55]Zie ECB Crypto-Assets Task Force, “Crypto-Assets: Implications for financial stability, monetary policy, and payments and market infrastructures”, Occasional Paper Series, nr. 223, ECB, mei 2019, en het artikel “Understanding the crypto-asset phenomenon, its risks and measurement issues”, Economic Bulletin, Issue 5, ECB, 2019.
[56]Zie “2018 IFC Annual Report”, Irving Fisher Committee on Central Bank Statistics, Bank voor Internationale Betalingen, maart 2019.
[57]Zie “Characterisation of the euro area fintech scene”, Financial Integration and Structure in the Euro Area, ECB, maart 2020.
[58]De €STR wordt gepubliceerd op de website van de ECB, via het Market Information Dissemination (MID) platform van de ECB en het Statistical Data Warehouse (SDW) van de ECB, waarbij het MID-platform als voornaamste publicatiekanaal geldt.
[59]De rapportagevereisten voor de statistische rapportage over de geldmarkten en een lijst met de huidige rapporteurs zijn beschikbaar op de website van de ECB. De reguliere gegevensverzameling voor de statistische rapportage over de geldmarkten ging op 1 juli 2016 van start.
[60]Zie voor meer informatie “G20 Data Gaps Initiative (DGI-2): The Fourth Progress Report – Countdown to 2021”, Raad voor Financiële Stabiliteit en Internationaal Monetair Fonds, 2019.
[61]Zie Cozzi, G. et al., “Macroprudential policy measures: macroeconomic impact and interaction with monetary policy”, Working Paper Series, nr. 2376, ECB, februari 2020, en Albertazzi, U. et al., “Monetary policy and bank stability: the analytical toolbox reviewed”, Working Paper Series, nr. 2377, ECB, februari 2020.
[62]Cavalleri, M. C., Eliet, A., McAdam, P., Petroulakis, F., Soares, A. en Vansteenkiste, I., “Concentration, market power and dynamism in the euro area”, Working Paper Series, nr. 2253, ECB, maart 2019.
[63]Hospido, L., Laeven, L. en Lamo, A., “The gender promotion gap: evidence from central banking”, Working Paper Series, nummer 2265, ECB, april 2019.
[64]De afdelingen waar het om gaat zijn de Directoraten-Generaal Economie, Macroprudentieel Beleid & Financiële Stabiliteit, Internationale & Europese Betrekkingen, Marktinfrastructuur & Betalingsverkeer, Markttransacties, Monetair Beleid, Onderzoek en Statistiek, en het Directoraat Risicobeheersing.
[65]Niet-naleving omvat onder meer: i) gevallen waarin een nationale autoriteit verzuimde voorstellen voor wetgevingsbepalingen op het terrein van de bevoegdheid van de ECB voor raadpleging aan de ECB aan te bieden, en ii) gevallen waarin een nationale autoriteit de ECB formeel raadpleegde, maar niet voldoende tijd gaf de voorstellen voor wetgevingsbepalingen te onderzoeken en advies uit te brengen vóór de goedkeuring van deze bepalingen.
[66]Met name Yves Mersch ging dieper in op de principes van noodzakelijkheid, proportionaliteit en rechtschapenheid inzake de onafhankelijkheid van centrale banken bij de ECB en tijdens de Watchers XX conference in Frankfurt in maart. Hij lichtte ook het standpunt van de ECB over internationale trends in de onafhankelijkheid van centrale banken toe tijdens een rondetafelgesprek in Frankfurt in november.
[67]Zie voor meer informatie over de gevolgen van de brexit, een van de thema’s die tijdens de hoorzittingen aan bod kwamen, het onderstaande Kader 11.
[68]Zie voor meer gedetailleerde informatie het Jaarverslag van de ECB over haar toezichtswerkzaamheden voor 2019.
[69]In de zomer van 2019 volgde de heer Patrick Honohan de heer Jean-Claude Trichet op als voorzitter van het Ethisch Comité.
[70]Zie Besluit (EU) 2015/433 van de Europese Centrale Bank van 17 december 2014 betreffende de oprichting van een Ethisch comité en zijn reglement van orde (ECB/2014/59).