Overgang op de chartale euro in 2002

De overgang op de chartale euro in 2002 was een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van Europa en een aanzienlijke technische prestatie. Op 1 januari 2002 werden de eurobankbiljetten en euromunten in 12 landen met een bevolking van in totaal 308 miljoen mensen in omloop gebracht. Dat was de grootste monetaire overgang ooit: het bankwezen, geldtransporteurs, detailhandelaren, fabrikanten van verkoopautomaten en natuurlijk het grote publiek waren erbij betrokken.

De overgang was grondig voorbereid. Al vanaf september 2001 werden bankbiljetten en munten onder banken en detailhandelaren gedistribueerd om knelpunten in de leverantieketen te voorkomen. Als resultaat daarvan was de euro in de eerste dagen van 2002 bijna overal beschikbaar. Op 3 januari gaf 96% van de geldautomaten in het eurogebied eurobankbiljetten af. Eén week na de invoering werd meer dan de helft van alle kastransacties in euro afgewikkeld.

Na een duale fase die in sommige landen twee maanden duurde en waarin zowel in euro als in de nationale valuta kon worden betaald, werd de euro op 1 maart 2002 het enige wettige betaalmiddel in het eurogebied. Op die dag waren ruim 6 miljard nationale bankbiljetten en bijna 30 miljard nationale munten uit de omloop genomen.

Productie

Drukken van de eurobankbiljetten

De ECB coördineerde en bewaakte de bankbiljettenproductie op 15 locaties en met meer dan 40 verschillende grondstoffenleveranciers. Door middel van een gemeenschappelijk kwaliteitscontrolesysteem werd verzekerd dat alle bankbiljetten aan dezelfde standaard voldeden.

Hoewel de landen zelf verantwoordelijk waren (en zijn) voor hun euromunten, trad de ECB op als een onafhankelijke kwaliteitscontroleur van de geslagen munten, zodat zij in het hele eurogebied in verkoopautomaten konden worden gebruikt.

De productie van eurobankbiljetten startte in juli 1999. 15 bankbiljettendrukkerijen verspreid over de Europese Unie waren erbij betrokken. Op 1 januari 2002 was voor de 12 landen een beginvoorraad van 14,89 miljard eurobankbiljetten gedrukt, met inbegrip van de logistieke voorraden. Als al deze bankbiljetten (met een totale nominale waarde van €633 miljard) in de lengterichting aan elkaar werden gelegd, zouden zij een afstand van tweeëneenhalf keer naar de maan en terug overbruggen.

Naderhand gaf de Raad van Bestuur van de ECB toestemming als aanvulling daarop 1,91 miljard extra bankbiljetten te drukken. Deze centrale reservevoorraad was bedoeld als garantie tegen de risico’s van vertragingen in de productie van de beginvoorraad en logistieke voorraad. De reservevoorraad droeg dus bij aan een soepel verlopende overgang. De bankbiljetten die zich na de overgang nog in de centrale reservevoorraad bevonden, werden overgedragen aan de strategische voorraad van het Eurosysteem, die na de overgang werd opgebouwd om onverwachte stijgingen in de vraag op te vangen.

In 16 Europese munthuizen werden circa 52 miljard munten met een totale waarde van €15,75 miljard geslagen uit 250.000 ton metaal.

Oorspronkelijke productiecijfers

In tabel 1 worden de productiecijfers gegeven voor de oorspronkelijke hoeveelheid bankbiljetten die tussen 1999 en 2001 werd geproduceerd voor de overgang op de chartale euro in 2002. In tabel 2 worden de productiecijfers per coupure gegeven. Elke nationale centrale bank kon zelf beslissen waar zij de voor haar land vereiste startvoorraad bankbiljetten zou laten drukken. Elke lidstaat was verantwoordelijk voor haar eigen muntvoorraad. Productiecijfers eurobankbiljetten en euromunten (alleen beschikbaar in het Engels).

Tabel 1

Land Geproduceerde eurobankbiljetten in miljoenen per 1 januari 2002
België 550
Duitsland 4.783
Griekenland 617
Spanje 1.924
Frankrijk 2.265
Ierland 294
Italië 2.440
Luxemburg 46
Nederland 659
Oostenrijk 550
Portugal 537
Finland 225
TOTAAL voor de oorspronkelijke overgang 14.890

Tabel 2

Denominatie Geproduceerde bankbiljetten in miljoenen per 1 januari 2002
€5 3.155
€10 3.221
€20 3.406
€50 3.283
€100 1.231
€200 223
€500 371
TOTAAL voor de oorspronkelijke overgang 14.890