Beleidskader EMU

Inleiding

Het institutionele kader voor de Economische en Monetaire Unie (EMU) bestaat uit twee delen. De verantwoordelijkheid voor het monetair beleid en die voor het wisselkoersbeleid zijn door de invoering van de euro overgebracht naar eurogebiedniveau, terwijl de verantwoordelijkheid voor het economisch beleid grotendeels is blijven liggen bij de nationale beleidsmakers.

De reden voor deze tweedeling, die voortkomt uit het Verdrag van Maastricht van 1992, is dat het economisch beleid – zoals begrotings- en structureel beleid – vaak rekening dient te houden met nationale kenmerken en institutionele kaders en vaak het essentiële onderwerp is van het nationale openbare en politieke debat. Dit kader zou ook, zo was de verwachting, een zekere mate van beleidsconcurrentie met zich meebrengen onder de nationale beleidsmakers, en op die manier bijdragen aan de ontwikkeling van "beste praktijken" die door de verschillende overheden zouden worden gedeeld en overtroffen (zie het artikel Het institutionele kader en de werking van het eurogebied in het Monthly Bulletin van 2008 en het artikel The economic policy framework in EMU in het Monthly Bulletin van november 2001).

Tegelijkertijd zijn door de Interne Markt van de EU de economieën van Europa zeer afhankelijk van elkaar geworden. In het eurogebied heeft ten gevolge van de gemeenschappelijke munteenheid de economische en financiële integratie zich nog verder ontwikkeld. Om met al deze onderlinge afhankelijkheden (met name in de vorm van doorwerkingseffecten, d.w.z. wanneer beleidsbeslissingen in een land gevolgen hebben voor een ander land) rekening te kunnen houden, dient het economisch beleid onderworpen te zijn aan een Europees kader voor coördinatie en toezicht. Ook kunnen ongecoördineerde economischbeleidsmaatregelen minder effectief zijn in de context van een grote gemeenschappelijke schok die de meeste of alle Europese landen op grotendeels dezelfde wijze raakt, zoals het geval is bij de economische en financiële crisis. Bovendien is een Europees kader nodig omdat nationaal economisch beleid gericht moet zijn op stabiliteit om, zoals vereist door het Verdrag, met het gemeenschappelijk monetair beleid en met het hoofddoel daarvan, prijsstabiliteit, in overeenstemming te zijn.

De financiële en economische crisis heeft echter fundamentele zwaktes in het kader voor economisch bestuur blootgelegd. Het economisch bestuur ging uit van de aanname dat landen genoeg reden zouden hebben "hun zaakjes op orde te hebben" en daardoor, als het ware automatisch, zouden bijdragen aan het gemeenschappelijk belang van het eurogebied. Economischbeleidsbeslissingen waren in de praktijk echter slechts onderworpen aan geringe beperkingen op Europees niveau, zelfs op de terreinen waar harde regels werden geacht van toepassing te zijn (en wel voornamelijk het begrotingsbeleid - zie hieronder). "Peer pressure", d.w.z. de druk die lidstaten op elkaar uitoefenen om elkaar ertoe te bewegen gezond economisch beleid te voeren, was vrijwel geheel afwezig in het Europese beleidsdebat. Bovendien schoten de financiële markten tekort bij het op passende wijze uitoefenen van hun disciplinerende rol.

De sinds de invoering van de euro opgedane ervaringen duiden erop dat de grenzen van wat "zachte" beleidscoördinatie voor elkaar kan krijgen zijn bereikt, zowel ten aanzien van de formulering als de tenuitvoerlegging van de Europese regels en aanbevelingen. Het bestaan van substantiële beleidsdoorwerking tussen de landen van het eurogebied rechtvaardigt duidelijk diepergaande integratie wat betreft begrotingsbeleid, structureel beleid en financieel beleid, hetgeen uiteindelijk zou moeten leiden tot een complete economische unie ter waarborging van de soepele werking van de EMU. Tegen deze achtergrond heeft de ECB opgeroepen tot een "grote sprong voorwaarts" richting versterking van de institutionele fundamenten van de EMU, en aldus richting een diepergaande economische unie die in overeenstemming is met de mate van economische integratie en onderlinge afhankelijkheid die reeds door middel van de monetaire unie is bereikt (zie Reinforcing Economic Governance in the euro area).

Overzicht van de instrumenten voor de coördinatie van en het toezicht op het monetair beleid in de EMU

Geïntegreerde Richtsnoeren

Gezien de toegenomen onderlinge verstrengeling van de economieën van de EU – en met name van het eurogebied –, vereist het Verdrag (in Artikel 121 van het VWEU) van de lidstaten dat zij hun economisch beleid beschouwen als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang en dat zij dit beleid coördineren in het kader van de EU-Raad. Meer specifiek, voorziet het Verdrag (in Artikel 120 van het VWEU) de goedkeuring van Globale Richtsnoeren voor het Economisch Beleid waarin aanbevelingen worden gedaan aan beleidsmakers ten aanzien van macro-economisch en structureel beleid. De Globale Richtsnoeren voor het Economisch Beleid, die op grond van een aanbeveling van de Commissie door de EU-Raad waren goedgekeurd, waren een van de belangrijkste beleidscoördinatie-instrumenten gedurende de eerste tien jaar van de EMU.

Sinds 2005 zijn de Globale Richtsnoeren voor het Economisch Beleid samengevoegd met de zogeheten Richtsnoeren inzake Werkgelegenheid (op grond van Artikel 148 van het VWEU) en daarom omgedoopt tot Geïntegreerde Richtsnoeren. Zij worden op het hoogste niveau, dat van de EU-leiders, goedgekeurd tijdens de voorjaarsvergaderingen van de Europese Raad en, indien nodig, geactualiseerd.

De Europa 2020-strategie

Economische hervormingen in de producten- en arbeidsmarkt om de marktflexibiliteit te vergroten en de concurrentie te bevorderen zijn van cruciaal belang voor de soepele werking van de EMU. Dergelijke hervormingen stellen de lidstaten in staat de potentiële groei en werkgelegenheid te vergroten. Daarnaast helpen dergelijke hervormingen de lidstaten hun productiviteit en concurrentievermogen te verbeteren terwijl tegelijkertijd hun economie schokbestendiger wordt gemaakt. Er zijn goede redenen voor structurele hervormingen binnen het eurogebied, aangezien de lidstaten hun monetair en wisselkoersbeleid niet langer kunnen gebruiken als nationaal beleidsinstrument. Structurele hervormingen zijn daarom ook van cruciaal belang om te voorkomen dat zich in het eurogebied onevenwichtigheden voordoen.

Tegen deze achtergrond hebben de leiders van de EU, tijdens de vergadering van de Europese Raad in juni 2010, hun goedkeuring gehecht aan de zogeheten "Europa 2020-strategie": de strategie van de Unie om banen te scheppen en de groei te bevorderen door middel van economische en sociale hervormingen, maar daarbij wel het milieu in gedachten te houden. Gericht op slimme, duurzame en inclusieve groei omvat de strategie beleidsmaatregelen, op zowel nationaal als EU-niveau, die ernaar streven de welvaart van de Europese burgers te vergroten. De ambities van de Europa 2020-strategie komen tot uitdrukking in vijf hoofddoelstellingen op EU-niveau, namelijk werkgelegenheid, onderzoek en ontwikkeling (innovatie), klimaatverandering, onderwijs en armoede.

In het kader van deze strategie presenteren de lidstaten jaarlijks elk een Nationaal Hervormingsprogramma, dat in lijn is met de Geïntegreerde Richtsnoeren en dat erop gericht is landspecifieke belemmeringen voor de groei en werkgelegenheid weg te nemen. De inspanningen van de lidstaten worden op EU-niveau ondersteund door zogenoemde "vlaggeschip-initiatieven" en aanverwante beleidsmaatregelen die samen beogen (bijvoorbeeld) de interne markt te voltooien, onderzoek en innovatie te financieren en de toegang van bedrijven in de EU tot de mondiale markten te verbeteren ec.europa.eu/europe2020/.

De Europa 2020-strategie bouwt voort op de Lissabon-strategie, die slechts in geringe mate succesvol is geweest, voornamelijk ten gevolge van zwakke overheidsregelingen, een gebrek aan duidelijke gerichtheid en tekortkomingen in de communicatie. (Engelstalig artikel Monthly Bulletin van juli 2005: The Lisbon strategy – five years on). De Europa 2020-strategie probeert deze zwaktes te herstellen, voornamelijk door de Europese Raad een grote rol toe te kennen in het sturen van de tenuitvoerlegging van de hervormingsagenda en door het toezicht op het hervormingsbeleid van de lidstaten te versterken.

Het hervormde kader voor economisch bestuur

In reactie op de financiële en economische crisis hebben de Raad en het Europees Parlement in 2011 een pakket aan wetgeving goedgekeurd om het kader voor het economisch bestuur in de EU te versterken (zie voor een algemene beoordeling hiervan door de ECB het artikel in het Monthly Bulletin van maart 2011 The reform of economic governance in the euro area – essential elements) (Dit artikel is in het Nederlands te downloaden op de website van DNB: www.dnb.nl > Publicaties > Publicaties ECB > ECB Maandbericht (maart 2011).

Het Stabiliteits- en Groeipact

Gezonde overheidsfinanciën helpen andere belangrijke beleidsdoelstellingen (zoals sterke en duurzame groei) verwezenlijken en geven op die manier ondersteuning aan het scheppen van werkgelegenheid. Begrotingsdiscipline maakt tevens de taak van de centrale bank de prijsstabiliteit te handhaven gemakkelijker (zie het Engelstalige artikel in het Monthly Bulletin van juli 2008 One monetary policy and many fiscal policies: ensuring a smooth functioning of EMU).

Om deze redenen vereist het Verdrag dat de lidstaten buitensporige tekorten vermijden (in Artikel 126 van het VWEU). Het Stabiliteits- en Groeipact, dat in 1997 is aangenomen, versterkt de bepalingen van het Verdrag ten aanzien van begrotingsdiscipline door de instelling van een multilaterale toezichtsprocedure, die zowel preventieve als correctieve instrumenten behelst (zie Ten years of the Stability and Growth Pact).

De preventieve instrumenten zijn gebaseerd op regelmatig toezicht van de nationale overheidsfinanciën. De Commissie en de EU-Raad beoordelen jaarlijks de stabiliteitsprogramma's die door de landen van het eurogebied worden ingediend, en de convergentieprogramma's van de landen die niet tot het eurogebied behoren. Deze programma’s geven een overzicht van de economische en begrotingsontwikkelingen in elk land, een middellange-termijndoelstelling voor het begrotingsbeleid, en een aanpassingspad richting deze doelstelling. De Commissie kan een vroegtijdige waarschuwing geven aan een lidstaat die het risico loopt niet aan zijn verplichtingen krachtens het Stabiliteits- en Groeipact te voldoen.

Het correctieve mechanisme van het Stabiliteits- en Groeipact betekent dat wanneer een lidstaat niet aan zijn verplichtingen voldoet, een buitensporigetekortenprocedure in werking treedt. De EU-Raad hecht zijn goedkeuring aan aanbevelingen aan de desbetreffende lidstaat, waarin met name een deadline voor de correctie van het tekort is opgenomen. De EU-Raad controleert de tenuitvoerlegging van zijn aanbevelingen en heft zijn besluit ten aanzien van het bestaan van een buitensporig tekort op wanneer dit is gecorrigeerd. Indien de lidstaat niet aan dit alles voldoet, is een reeks verdere stappen voorzien, variërend van versterkt toezicht en openbaarmaking tot het opleggen van financiële sancties. Het is de betrokken lidstaat toegestaan deel te nemen aan de besprekingen over de noodzakelijke aanbevelingen in de EU-Raad maar, overeenkomstig het Verdrag van Lissabon, zonder stemrecht.

De ervaringen sinds de invoering van de euro wijzen uit dat de bepalingen van het Stabiliteits- en Groeipact er in een aantal lidstaten niet in zijn geslaagd een voldoende mate van begrotingsdiscipline te bewerkstelligen. Desalniettemin, en tegen het advies van de ECB, zijn de lidstaten in 2005 een hervorming van het Stabiliteits- en Groeipact overeengekomen, ten gevolge waarvan verdere flexibiliteit in de procedures ontstond. Wat betreft het preventieve mechanisme, liet de hervorming meer beslissingsvrijheid toe bij het vaststellen van en de stappen op weg naar de middellange-termijndoelstelling voor begrotingsstabiliteit (zie hieronder). Wat betreft het correctieve mechanisme, verruimden de nieuwe regels het gebruik van beslissingsvrijheid bij het vaststellen van een buitensporig tekort en verlengden zij de procedurele deadlines (zie het artikel in het Monthly Bulletin The Reform of the Stability and Growth Pact).

In 2011 is, nadat lering was getrokken uit de financiële en economische crisis, het Stabiliteits- en Groeipact wederom hervormd, als onderdeel van een algehele hervorming ter verbetering van het economisch bestuur. Een belangrijke verbetering ter versterking van het Pact is dat de besluitvormingsprocedures meer automatisch zijn gemaakt door middel van de invoering van de "omgekeerde" gekwalificeerde meerderheid van stemmen: bepaalde aanbevelingen van de Commissie zullen worden geacht te zijn goedgekeurd tenzij de Raad ze, binnen een bepaalde periode, bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen verwerpt. Daarnaast is meer nadruk komen te liggen op het criterium inzake overheidsschuld en op de langetermijnhoudbaarheid van de overheidsfinanciën. Bovendien zijn vroegere en meer getrapte financiële zowel als politieke sancties ingevoerd om zo de lidstaten te stimuleren aan de bepalingen van het Pact te voldoen.

Hoewel deze maatregelen een stap in de goede richting vertegenwoordigen, zou de hervorming verder hebben moeten gaan. Met name betreurt de ECB het dat een van de belangrijkste aspecten van een dergelijke "grote sprong voorwaarts" (nl. grotere automaticiteit in de besluitvorming door middel van het zo maximaal mogelijke gebruik van de omgekeerde meerderheid van stemmen) slecht ten dele is verwezenlijkt.

Het Kader voor Macro-economisch Toezicht

Als onderdeel van de hervorming ter versterking van het economisch bestuur die in 2011 plaatsvond, hebben de Raad en het Europees Parlement een nieuw macro-economisch kader goedgekeurd. Deze nieuwe toezichtsprocedure streeft ernaar macro-economische onevenwichtigheden en verminderend concurrentievermogen te identificeren en tegen te gaan. Het kader vormt daarom een aanvulling op het macrostructurele toezichtproces dat in de Europa 2020-strategie is voorzien, waarin de nadruk ligt op het bevorderen van duurzame en sociaal inclusieve groei en werkgelegenheid. Het nieuwe mechanisme, dat zowel preventieve als correctieve instrumenten omvat, zal op alle 27 EU-lidstaten van toepassing zijn.

De preventieve instrumenten zijn gebaseerd op een waarschuwingsmechanisme dat is opgezet om vroegtijdig onevenwichtigheden te identificeren. Meer in het bijzonder, aan het begin van elk Europees Semester (zie hieronder) beoordeelt de Commissie de prestaties van de lidstaten aan de hand van een scorebord van macro-economische indicatoren om het bestaan of het risico van macro-economische onevenwichtigheden te ontdekken. De uitkomsten van het scorebord en de analyse zullen worden gepubliceerd in een verslag. Indien de Commissie tot de conclusie komt dat er lidstaten zijn waarin aanwijzingen bestaan van aanzienlijke macro-economische onevenwichtigheden, zal zij een grondige analyse maken van de economische en financiële ontwikkelingen, alsmede van de ontwikkelingen in de overheidsfinanciën, in de betrokken lidstaten. Op grond hiervan kan de Raad de noodzakelijke aanbevelingen tot de betrokken lidstaat richten.

Indien de Commissie bij haar analyse buitensporige macro-economische onevenwichtigheden vaststelt, kan zij, in het kader van de correctieve instrumenten van de macro-economische toezichtsprocedure, voorstellen de zogeheten "Macro-economische Onevenwichtighedenprocedure" in werking te zetten. De Raad zal haar beleidsaanbeveling richten aan een lidstaat die valt onder een buitensporige onevenwichtighedenprocedure, welke lidstaat op zijn beurt een correctief actieplan dient in te dienen waarin het nationale beleid in reactie op de aanbeveling van de Raad wordt uiteengezet. De tenuitvoerlegging van het correctieve actieplan door de betrokken lidstaat zal dan nauwlettend worden gecontroleerd door de Commissie en de Raad, een proces waarvan voortgangsverslagen en toezichtsmissies deel uitmaken. In het geval dat een lidstaat niet aan de aanbevelingen voldoet, is een (op de buitensporigetekortenprocedure voor begrotingstoezicht geïnspireerd) sanctiemechanisme voorzien.

De ECB verwelkomt ten zeerste de creatie van een nieuw kader voor macro-economisch toezicht, omdat hiermee een belangrijke maas in het net van het bestuurskader van de EU wordt gedicht. De effectiviteit van het nieuwe mechanisme dient echter niet te worden verzwakt door zijn brede reikwijdte (ook in termen van de daarbij gebruikte indicatoren), zodat het onevenwichtigheden en kwetsbaarheden in een vroeg stadium kan corrigeren.

Europees Semester

Sinds 2011 wordt het EU-toezicht op het economisch beleid van de lidstaten op jaarbasis vormgegeven in het zogeheten "Europees Semester". Dit proces, dat gedurende de eerste helft van het jaar plaatsvindt, is opgezet om het door de EU uitgeoefende toezicht op begrotings- en economische beleidsmaatregelen, die wettelijk gescheiden blijven, beter op elkaar af te stemmen. Het maakt het mogelijk dat het begrotingsbeleid en het economisch beleid tegelijkertijd kunnen worden beoordeeld aan de hand van de Geïntegreerde Richtsnoeren, een stap die naar verwachting (in termen van beleidsvrijheid en rapportage) zal zorgen voor grotere consistentie tussen de verschillende toezichtsprocessen. Daarnaast wordt, in het kader van het Europees Semester, het toezicht op individuele landen aangevuld met thematisch toezicht, waarin wordt gekeken naar de vooruitgang op het vlak van de bredere structurele hervormingen die binnen de Europa 2020-strategie zijn overeengekomen.

In de tweede helft van het jaar vindt dan het zogeheten "Nationaal Semester" plaats. Dit is de periode waarin de lidstaten hun nationale begroting afronden en de tijdens het Europees Semenster overeengekomen beleidsmaatregelen ten uitvoer leggen.

Hoewel het nog te vroeg is om te komen tot een beoordeling van de mate waarin het Europees Semester effectief de tenuitvoerlegging van de begrotings- en structurele beleidsmaatregelen in de lidstaten verbetert, kan het kader bijdragen aan een geïntegreerder en consistenter benadering ten aanzien van economische beleidsvorming.

Het Euro Plus Pact

Tijdens hun topontmoeting op 11 maart 2011 hebben de leiders van het eurogebied een Pact voor de Euro aangenomen. Het Pact beoogt de economische pijler van de EMU te versterken door de coördinatie van het economisch beleid verder uit te breiden naar terreinen die onder de nationale bevoegdheid vallen, met name ten aanzien van concurrentievermogen, werkgelegenheid en langetermijnduurzaamheid van de overheidsfinanciën. Het Pact staat ook open voor lidstaten die niet deel uitmaken van het eurogebied, en doordat Bulgarije, Denemarken, Letland, Litouwen, Polen en Roemenië zich erbij hebben aangesloten is het omgedoopt tot "Euro Plus Pact".

Het Pact bouwt voort op de bestaande instrumenten voor de coördinatie van het economisch beleid, met name de Europa 2020-strategie, en is in overeenstemming met de interne markt. De deelnemende lidstaten hebben zich ertoe verplicht bijzondere inspanningen te verrichten en concrete maatregelen te nemen die ambitieuzer zijn dan die welke reeds waren overeengekomen. Het Pact vormt een onderdeel van het Europees Semester en de nationale toezeggingen worden jaarlijks door de staatshoofden en regeringsleiders beoordeeld.

De eurogebieddimensie in de coördinatie van economisch beleid

De mogelijk aanzienlijke doorwerkingseffecten binnen een monetaire unie (zie hierboven) maken het noodzakelijk dat de landen van het eurogebied hun economisch beleid bijzonder nauwgezet coördineren. Deze specifieke eurogebieddimensie wordt erkend in het Verdrag van Lissabon, waarin een nieuw hoofdstuk is opgenomen dat speciaal is gewijd aan "specifieke bepalingen voor de lidstaten die de euro als munt hebben". Het Protocol betreffende de Eurogroep, dat aan het VWEU is gehecht, verwijst expliciet naar de noodzaak "een steeds nauwere coördinatie van het economisch beleid in de eurozone te ontwikkelen" om de voorwaarden voor een sterkere economische groei in de gehele EU te bevorderen.

Overeenkomstig deze specifieke eurogebieddimensie zijn in het Verdrag van Lissabon eveneens de stemprocedures veranderd voor beslissingen ten aanzien van de Globale Richtsnoeren voor het Economisch Beleid en het Stabiliteits- en Groeipact. Zoals reeds vermeld, nemen alleen de landen van het eurogebied deel aan de stemmingen in de EU-Raad bij beslissingen ten aanzien van eurogebiedlanden. Dat het met name voor landen van het eurogebied belangrijk is de overeengekomen regels stringent in acht te nemen komt tot uitdrukking in de correctieve instrumenten van het Stabiliteits- en Groeipact en de buitensporige onevenwichtighedenprocedure, waarbij uitsluitend voor eurogebiedlanden financiële sancties zijn voorzien.

Een ander voorbeeld van de eurogebieddimensie in de economischbeleidcoördinatie is te vinden op het gebied van het begrotingsbeleid, waar de landen van het eurogebied zijn overeengekomen hun toezicht in het kader van de Eurogroep te versterken. Meer in het bijzonder, voert de Eurogroep jaarlijks een interimbeoordeling uit van de passendheid van het begrotingsbeleid in de landen van het eurogebied vóór de indiening van de conceptversies van de nationale begrotingen ter behandeling in de nationale parlementen.

Een van de belangrijkste lessen van de eerste tien jaar van de euro, zo concludeerde de Ecofin-Raad in oktober 2008, was dat het concurrentievermogen in het eurogebied uitgebreider diende te worden gecontroleerd. De Eurogroep beoordeelt daarom regelmatig de arbeidsmarkten, de ontwikkelingen in het concurrentievermogen en macro-economische onevenwichtigheden binnen het eurogebied. Bovendien bevatten de in het kader van de Europa 2020-strategie aangenomen nieuwe Geïntegreerde Richtsnoeren een gedetailleerde leidraad voor leden van het eurogebied ten aanzien van macro-economische onevenwichtigheden.

Verdere vooruitgang bij de versterking van de eurogebieddimensie in de coördinatie van economisch beleid werd geboekt op de topontmoeting op 26 oktober 2011, waar de leiders van het eurogebied overeenkwamen ten minste twee maal per jaar bijeen te komen in de vorm van een "Euro Top" om strategische oriëntaties ten aanzien van het economisch en begrotingsbeleid in het eurogebied te verschaffen, zodat bij binnenlands beleid beter rekening kan worden gehouden met de eurogebieddimensie. Zij verplichtten zich tevens tot een aantal aanvullende maatregelen die verder gaan dan de reeds bestaande verplichtingen, zoals goedkeuring van regels voor een begrotingsevenwicht die (in structurele termen) het Stabiliteits- en Groeipact vertalen in nationale wetgeving, bij voorkeur op grondwettelijk of equivalent niveau, en raadpleging van de Commissie en de overige landen van het eurogebied vóór de goedkeuring van belangrijke hervormingsplannen ten aanzien van het begrotings- of economische beleid met mogelijke doorwerkingseffecten. (Euro Summit statement)

Daarnaast, ter illustratie van de essentiële rol die de Eurogroep, de Commissie en de ECB spelen in het dagelijks beheer van het eurogebied, is tevens overeengekomen dat er ten minste maandelijks een vergadering zal plaatsvinden tussen de Voorzitter van de Euro Top, de Voorzitter van de Commissie, en de Voorzitter van de Eurogroep, welke vergadering de President van de ECB kan bijwonen. De Presidenten van de drie toezichthoudende autoriteiten (zie De rol van de ECB in de hervormde architectuur voor financieel toezicht) en het Hoofd van de Europese Faciliteit voor Financiële Stabiliteit/het Europees Stabiliteitsmechanisme kunnen op ad hoc-basis aan deze vergadering deelnemen.

Bovendien is in het Verdrag van Lissabon (Artikel 136, lid 1, van het VWEU) een nieuwe bepaling opgenomen waardoor de landen van het eurogebied maatregelen kunnen aannemen om de coördinatie van en het toezicht op hun begrotingsdiscipline te versterken en richtsnoeren voor het economisch beleid op te stellen om de goede werking van de EMU te waarborgen. Dergelijke maatregelen, die voor de landen van het eurogebied juridisch bindend zouden zijn, dienen in overeenstemming te zijn met andere beleidsinstrumenten (zoals de Geïntegreerde Richtsnoeren en het Stabiliteits- en Groeipact). De Commissie is door de leiders van het eurogebied gevraagd voorstellen te doen over hoe dit artikel ten uitvoer kan worden gelegd.

Crisisbeheer en het Europees Stabiliteitsmechanisme

Tijdens de Europese Raad van 28 en 29 oktober 2010 is besloten een permanent crisisbeheermechanisme op te zetten om op die manier de financiële stabiliteit in het eurogebied als geheel te waarborgen. De oprichting van het toekomstige Europees Stabiliteitsmechanisme is formeel goedgekeurd tijdens de vergadering van de Europese Raad op 24 en maart 2011 als onderdeel van een veelomvattend pakket aan maatregelen om de crisis het hoofd te bieden. Deze goedkeuring volgde op een kleine wijziging in Artikel 136 van het Verdrag betreffende de werking van de EU, waardoor de landen van het eurogebied een stabiliteitsmechanisme konden opzetten dat, indien nodig, kan worden geactiveerd om de stabiliteit van het eurogebied als geheel te waarborgen, waarbij eventueel, onder strenge voorwaarden, financiële bijstand kan worden geboden.

Het Europees Stabiliteitsmechanisme, met een kredietverschaffingscapaciteit van € 500 miljard, zal naar verwachting uiterlijk juli 2012 in werking treden en in de plaats komen van de tijdelijke maatregelen (zoals de Europese Faciliteit voor Financiële Stabiliteit (EFSF) en het Europees Mechanisme voor Financiële Stabiliteit, die waren opgezet na het op 9 mei 2010 door de Ecofin-Raad genomen besluit financiële bijstand te geven aan lidstaten die in financiële moeilijkheden verkeren.

Het Europees Mechanisme voor Financiële Stabiliteit werd op grond van Artikel 122 van het VWEU opgezet als een EU-mechanisme, terwijl de Europese Faciliteit voor Financiële Stabiliteit werd opgezet als een eurogebied-mechanisme, op grond van Artikel 122 van het VWEU en een intergouvernementele overeenkomst tussen de landen van het eurogebied. De twee mechanismes hebben tezamen een potentiële kredietverschaffingscapaciteit van € 500 miljard.

Tijdens hun topontmoetingen op 11 maart en 21 juli 2011 kwamen de leiders van het eurogebied overeen de flexibiliteit van de Europese Faciliteit voor Financiële Stabiliteit en het toekomstige Europees Stabiliteitsmechanisme te vergroten door deze toe te staan op basis van een op voorzorg gericht programma te handelen, de herkapitalisatie van financiële instellingen te financieren en op de primaire en secundaire obligatiemarkten te interveniëren.

Op 26 oktober kwamen de staatshoofden en regeringsleiders overeen de beschikbare middelen van de Europese Faciliteit voor Financiële Stabiliteit te maximaliseren (zonder de garanties die de faciliteiten schragen te verruimen) door 1) aan nieuwe door lidstaten uitgegeven schuldpapier kredietversterking te geven en /of 2) door middel van een combinatie van middelen afkomstig van particuliere en openbare financiële instellingen en investeerders, die kan worden vormgegeven door een zogeheten "Special Purpose Vehicle". Daarnaast kan een verdere versterking van de middelen van de Europese Faciliteit voor Financiële Stabiliteit worden verwezenlijkt door een nog nauwere samenwerking met het IMF.

De ECB is betrokken bij een deel van de activiteiten van het Europees Mechanisme voor Financiële Stabiliteit, de Europese Faciliteit voor Financiële Stabiliteit en het toekomstige Europees Stabiliteitsmechanisme.

Ten eerste zal de ECB nauw contact onderhouden met de Europese Commissie en het IMF, analyseren of er een risico bestaat voor de financiële stabiliteit van het eurogebied als geheel, en ECB-medewerkers zullen een rigoureuze analyse van de schuldhoudbaarheid uitvoeren. Eventuele iinterventies door de Europese Faciliteit voor Financiële Stabiliteit en het Europees Stabiliteitsmechanisme in de secundaire obligatiemarkt zullen plaatsvinden op grond van een door de ECB opgesteld rapport.

De ECB zal, naast de Europese Commissie en het IMF, tevens technische deskundigen leveren voor de onderhandelingen over een macro-economisch aanpassingsprogramma met de lidstaat die om financiële bijstand vraagt en voor het controleren van de tenuitvoerlegging van het programma (zie het Engelstalige artikel in het Monthly Bulletin van juli 2011 The European Stability Mechanism).

Bovendien is in december 2011 de ECB overeengekomen op te treden als agent bij de activiteiten van de Europese Faciliteit voor Financiële Stabiliteit op de secundaire markten.