Zoekopties
Home Media Explainers Onderzoek & publicaties Statistieken Monetair beleid De euro Betalingsverkeer & markten Werken bij de ECB
Suggesties
Sorteren op

ECB Jaarverslag 2025

Het jaar in vogelvlucht

In 2025 slaagde de ECB erin de inflatie weer in overeenstemming te brengen met haar doelstelling van 2% op middellange termijn, nadat een opeenvolging van crises – de pandemie en de economische gevolgen van de ongerechtvaardigde invasie van Oekraïne door Rusland – deze eind 2022 tot recordhoogte had gestuwd.

Als reactie op de grootste inflatieschok van een generatie voerde de ECB de scherpste verkrapping van het monetair beleid in haar geschiedenis door. Daarbij werd de beleidsrente tussen juli 2022 en september 2023 met een record van 450 basispunten verhoogd en de rente zo lang als nodig op een voldoende restrictief niveau gehouden.

Die verkrapping had het gewenste effect. De inflatie in het eurogebied daalde sterk en vanaf medio 2024 begon de ECB haar monetairbeleidsrestrictie geleidelijk terug te schroeven. Begin 2025 lag het desinflatieproces goed op schema en de projecties van de ECB lieten zien dat de inflatie terug zou keren naar de doelstelling.

Maar het jaar had een grote geopolitieke schok in petto. De Verenigde Staten, Europa’s grootste exportmarkt, trok een tariefmuur op om zich heen – een stap die de groei van het eurogebied dreigde te drukken en die de inflatievooruitzichten aanzienlijk onzekerder maakte.

Uiteindelijk bleven de inflatoire effecten beperkt. Europa zag af van grootschalige vergeldingsmaatregelen en de appreciatie van de wisselkoers van de euro temperde de druk op de invoerprijzen.

Aangezien de inflatie de verwachte lijn behield, kon de Raad van Bestuur de beleidsrentes verder omlaag brengen, door in vier opeenvolgende stappen de rente in totaal 100 basispunten te verlagen en zo de belangrijkste beleidsrente in juni op 2,00% te brengen.

Elk besluit werd genomen op basis van de reactiefunctie van de Raad van Bestuur, gebaseerd op drie elementen: de beoordeling van de inflatievooruitzichten, de dynamiek van de onderliggende inflatie en de kracht van de monetairbeleidstransmissie. Bij het nemen van zijn beslissingen heeft de Raad van Bestuur een op data gebaseerde benadering per vergadering gevolgd, zonder zich daarbij op voorhand vast te leggen op een bepaald rentetraject.

De economie van het eurogebied vertoonde ondertussen een verrassende veerkracht in de uitdagende mondiale omgeving.

Dit was deels toe te schrijven aan de naar voren gehaalde bevoorrading (frontloading), doordat bedrijven in de eerste maanden van het jaar snel nog de nieuwe handelsbelemmeringen probeerden te ontlopen, waardoor de Europese verwerkende industrie tijdelijk een boost kreeg. Die impuls ebde weg naarmate de tarieven van kracht werden en de industrie verzwakte als gevolg van uitdagingen wat betreft concurrentievermogen.

Maar op een meer fundamenteel vlak werd de economie van het eurogebied ondersteund door een krachtige toename van de binnenlandse vraag, die de externe schok ruimschoots compenseerde. De groei in 2025 was volledig toe te schrijven aan de binnenlandse vraag.

De meest bemoedigende ontwikkeling was misschien wel die bij de investeringen.

De bedrijfsinvesteringen namen in een robuust tempo toe, onder impuls van immateriële zaken – kunstmatige intelligentie, software en digitalisering – naarmate Europese bedrijven met nieuwe urgentie digitale technologie omarmden. En tegen het einde van het jaar begonnen de hogere Duitse defensie-uitgaven vanwege het nieuwe geopolitieke klimaat een rol te spelen.

De groei in het eurogebied kwam in 2025 uit op 1,4%, bijna een derde hoger dan aan het begin van het jaar werd verwacht en een bewijs van de veerkracht van de economie.

Al met al stelde dit de Raad van Bestuur in staat de rente vanaf juli ongewijzigd te laten. Aangezien de inflatie rond onze doelstelling op middellange termijn lag, de inflatieverwachtingen op langere termijn goed verankerd waren en de monetairbeleidskoers grotendeels neutraal was, bevond de Raad zich in een goede positie om op toekomstige schokken te reageren in eender welke richting.

In 2025 heeft de Raad van Bestuur ook de procedure geformaliseerd om toekomstige schokken te interpreteren en daarop te reageren via de beoordeling van de monetairbeleidsstrategie. Het betrof een gezamenlijke inspanning van het Eurosysteem die in juni werd afgerond. Deze beoordeling had een beperktere omvang dan de herziening van de monetairbeleidsstrategie in 2021 en was gebaseerd op lessen uit de verandering in de inflatieomgeving en de daaropvolgende beleidsreactie.

In de beoordeling werd opnieuw bevestigd dat de symmetrische inflatiedoelstelling van 2% op middellange termijn de hoeksteen van de strategie van de ECB vormt. Ook werd die symmetrie uitgebreid naar de reactiefunctie. Grote, aanhoudende afwijkingen van de doelstelling in eender welke richting moeten met voldoende krachtige en/of aanhoudende maatregelen te lijf worden gegaan. De Raad van Bestuur onderstreepte tevens het belang van niet alleen rekening te houden met het meest waarschijnlijke beloop van de inflatie en groei, maar ook met de daarmee gepaard gaande risico’s en onzekerheid, onder meer door middel van scenario- en gevoeligheidsanalyses.

Naast met het monetair beleid boekte de ECB in 2025 vooruitgang op een aantal andere gebieden.

Naarmate het debat over het verminderen van de complexiteit van de regelgeving in Europa aan kracht won, heeft de Raad van Bestuur de taskforce op hoog niveau over vereenvoudiging opgericht om voorstellen te doen voor het stroomlijnen van regelgeving, toezicht en rapportages. Aan het eind van het jaar heeft de taskforce aanbevelingen gepubliceerd als input voor de Europese Commissie bij het opstellen van een verslag over de algehele situatie van het Europese bankwezen.

Ook in de marktinfrastructuur en het betalingsverkeer was sprake van opvallende ontwikkelingen.

In juni is het onderpandbeheersysteem van het Eurosysteem gelanceerd, dat de verschillende nationale platforms vervangt door één enkel systeem voor onderpandbeheer. In euro luidende instantbetalingen die via TIPS worden afgewikkeld, stegen met 132% naar aanleiding van de vereisten van de verordening instantovermakingen van 2025, die betaaldienstverleners in het eurogebied verplicht instantbetalingen te ontvangen en te verzenden.

De Raad van Bestuur is ook begonnen aan de volgende fase van het project voor de digitale euro, waarbij de nadruk ligt op technische gereedheid, de betrokkenheid van marktdeelnemers en het wetgevingsproces, met als doel klaar te zijn voor een mogelijk proefproject in 2027 en een potentiële uitrol in 2029.

Tegelijkertijd werden de werkzaamheden aan het ontwerp van nieuwe eurobankbiljetten voortgezet, waarmee we duidelijk maken dat de ECB vastbesloten is om contant geld naast digitaal geld te behouden. De Raad van Bestuur heeft motieven geselecteerd ter illustratie van twee mogelijke thema’s voor de volgende serie bankbiljetten – ‘Europese cultuur: gedeelde culturele ruimtes’ en ‘Rivieren en vogels: weerbaarheid in diversiteit’ – en heeft in juli een ontwerpwedstrijd voor de nieuwe bankbiljetten uitgeschreven.

De kwaliteit van het onderzoek van de ECB kreeg internationaal wederom brede erkenning, wat de grote klasse van onze onderzoekers onderstreept. Volgens Research Papers in Economics – een veelgebruikte index voor economisch onderzoek – staat de ECB nu op de eerste plaats in de wereld op het gebied van monetaire economie.

Aan het eind van het jaar stond het eurogebied klaar om Bulgarije als 21e lid te verwelkomen, een bewijs van de populariteit van de euro in een tijd van toenemende geopolitieke onzekerheid. De steun voor de euro onder de inwoners van het eurogebied bereikte in het voorjaar een recordniveau van 83% en bleef het hele jaar door sterk.

Niets van het bovenstaande zou mogelijk zijn geweest zonder de toewijding en deskundigheid van de medewerkers van de ECB. Dit jaarverslag bevat een gedetailleerd overzicht van hun werkzaamheden in 2025.

Frankfurt am Main, mei 2026

Christine Lagarde

President

Het jaar in cijfers

De economische bedrijvigheid hield stand ondanks mondiale uitdagingen

De totale inflatie bewoog in de richting van de doelstelling

Het reële bbp van het eurogebied is in 2025 met 1,4% gegroeid, tegen 0,9% in 2024.

In een zeer onzekere wereldwijde omgeving toonde de dienstensector zich veerkrachtiger dan de industrie.

De totale inflatie daalde van 2,4% in 2024 naar 2,1% in 2025 en kwam dichter bij de doelstelling van 2% op middellange termijn.

De ECB verlaagde haar basisrentetarieven opnieuw

De ECB behield haar positie van toonaangevende mondiale onderzoeksinstelling

In de eerste helft van 2025 verlaagde de ECB haar basisrentetarieven met 100 basispunten. Hierdoor kwam de depositorente in juni uit op 2,00%, bij aanhoudende signalen dat de inflatie zich duurzaam in de richting van de doelstelling van 2% bewoog.

Volgens de classificaties van Research Papers in Economics (RePEc) stond de ECB gedurende heel 2025 op de eerste plaats op het gebied van onderzoek naar monetaire economie en bankieren, en op de tweede plaats voor macro-economisch onderzoek.

Toegenomen veerkracht van de banken in het eurogebied

Sterke toename van via TIPS afgewikkelde instantbetalingen in euro’s

In het derde kwartaal van 2025 bedroeg de totale tier 1-kernkapitaalratio 16,1%. Dit toont de sterke veerkracht van de banksector in het eurogebied, die ook werd versterkt door een robuuste winstgevendheid en een percentage niet-renderende leningen in de buurt van een historisch laag niveau.

De verordening instantovermakingen, die voorschrijft dat betaaldienstverleners in het eurogebied instantbetalingen moeten kunnen ontvangen en verzenden, heeft geleid tot een aanzienlijke toename van in euro luidende transacties via de TARGET-dienst voor de afwikkeling van instantbetalingen (TIPS). Het daggemiddelde van het aantal transacties steeg van 1.657.421 betalingen in december 2024 naar 3.845.376 in december 2025.

Steun voor de euro op hoogste niveau ooit

Toename van het aandeel groene obligaties in de eigenmiddelenportefeuille van de ECB

In de Standard Eurobarometer-peiling in het voorjaar van 2025 toonde 83% van de mensen in het eurogebied zich voorstander van ‘Een Europese economische en monetaire unie met één munt, de euro’. Hieruit blijkt dat de steun voor onze gemeenschappelijke munt, de euro, op een historisch hoog niveau ligt.

Als onderdeel van haar strategie om de groene transitie te ondersteunen, heeft de ECB het aandeel groene beleggingen in haar eigenmiddelenportefeuille opnieuw verhoogd, van 1% in 2019 naar 33% eind 2025.

1 Het monetair beleid van de ECB heeft de inflatoire druk beperkt

De mondiale economische bedrijvigheid bleef in 2025 veerkrachtig ondanks tegenwind op handelsgebied. De effecten van een duidelijke verschuiving in het Amerikaanse handelsbeleid op de mondiale groei werden verzacht door ondersteunend beleid, forse investeringen in kunstmatige intelligentie (AI) en het vervroegen van invoer. De wereldhandel groeide doordat de invoer in afwachting van hogere heffingen werd vervroegd, maar later in het jaar verzwakte de dynamiek toen deze effecten wegebden en de gevolgen van hogere heffingen zich manifesteerden. De mondiale inflatie bleef afnemen, zij het in een trager tempo en met een minder synchroon patroon dan in voorgaande jaren. De euro steeg nominaal-effectief in waarde, en nog duidelijker ten opzichte van de Amerikaanse dollar. De economie van het eurogebied vertoonde in 2025 een gematigd maar breedgedragen herstel, waarin de groei van de arbeidsproductiviteit positief werd terwijl de werkgelegenheidsgroei enigszins verzwakte. De groeidynamiek werd ondersteund door een minder restrictief monetair beleid, maar de economie werd geconfronteerd met uitdagingen in verband met onzekerheid over heffingen en de geopolitieke situatie. Hoewel de industrie enige volatiliteit vertoonde, bleven de diensten stabieler, waardoor een ondergrens in de groei gehandhaafd bleef. De totale inflatie in het eurogebied bleef zich in 2025 bewegen in de richting van de middellangetermijndoelstelling van de ECB van 2% als gevolg van de eerdere verkrapping van het monetair beleid, de afnemende druk in het productieproces afkomstig van grondstoffenprijzen en de lage druk van de invoerprijzen meer in het algemeen. De meeste indicatoren van de onderliggende inflatie vertoonden in de loop van 2025 een geleidelijke verdere matiging, wat de ontwikkeling van de totale inflatie in de richting van de doelstelling ondersteunde. In deze economische omgeving, en als gevolg van het minder restrictieve monetaire beleid en een stijging van de reële lange rente, werden de rendementscurves voor het eurogebied steiler en stegen de aandelenkoersen aanzienlijk. De versoepeling van de financieringsvoorwaarden voor bedrijven en huishoudens in het eurogebied zette aan het begin van het jaar door, om zich daarna over een breed front te stabiliseren. Het herstel van de bancaire kredietverlening bleef echter zwak en de groei van het ruime monetaire aggregaat was traag.

1.1 De mondiale groei bleef veerkrachtig ondanks een verschuiving in het handelsbeleid van de Verenigde Staten

De wereldeconomie is in 2025 veerkrachtig gebleken en bleef in een gematigd tempo groeien, grotendeels ongewijzigd ten opzichte van 2024, met 3,4%. Het jaar werd gekenmerkt door een grote verschuiving van de economische beleidsprioriteiten in de Verenigde Staten, waar de Amerikaanse heffingen stegen tot het hoogste niveau in bijna een eeuw. Hoewel de totale impact op de wereldeconomie werd getemperd door de beperkte reactie van de handelspartners, bleef de onzekerheid over toekomstige handelsovereenkomsten groot (Grafiek 1.1), wat de handelsvooruitzichten vertroebelde. Ondanks deze tegenwind ondersteunden verschillende compenserende factoren de mondiale bedrijvigheid. Sterke investeringen in verband met de vooruitgang op het gebied van AI stimuleerden de handel in technologiegerelateerde producten en droegen in sommige economieën, met name in de Verenigde Staten, bij tot winsten op de aandelenbeurzen. Bovendien vervroegden bedrijven en huishoudens hun aankopen van buitenlandse goederen in afwachting van eventuele hogere heffingen, waarmee zij – in ieder geval tijdelijk – de productie van de verwerkende industrie en de uitvoer ondersteunden, onder meer in China. Een over het algemeen ondersteunende beleidsmix in de grote economieën – met name aan de begrotingskant – heeft de remmende werking van de handelsspanningen verder afgezwakt. Niettemin verzwakte de mondiale groeidynamiek tegen het einde van het jaar doordat de tijdelijke positieve factoren wegebden, terwijl handelsbelemmeringen en onzekerheid het vertrouwen en de investeringen bleven drukken, zij het in mindere mate dan in de eerste helft van het jaar.

Grafiek 1.1

Effectieve heffingen door de VS en onzekerheid over handelsbeleid

a) Effectieve heffingen door de VS

b) Onzekerheid over handelsbeleid

(procentuele heffingen op invoer van goederen)

(index)

Bronnen: Paneel a): US International Trade Commission, US Census Bureau berekeningen van ECB-medewerkers; paneel b): Berekeningen van ECB-medewerkers en Caldara et al. (2020)[1].
Toelichting: Paneel a): De effectieve heffingen worden berekend volgens de inkomstenmethode, d.w.z. door de geïnde rechten te delen door de waarde van de ingevoerde goederen. De gegevens zijn jaargemiddelden. De meest recente waarneming betreft 2025. Paneel b): De index is een aangepaste versie van de door Caldara et al. (2020) voorgestelde index, die het maandelijkse aandeel meet van artikelen over onzekerheid over het handelsbeleid in zeven internationale kranten. De aangepaste reeks elimineert de invloed van bredere bronnen van onzekerheid (zoals algemene onzekerheid over het economische beleid, geopolitieke spanningen en marktstress), waardoor de onzekerheid die specifiek is voor het handelsbeleid beter wordt geïsoleerd.[2] De index is een driemaands voortschrijdend gemiddelde. De laatste waarneming betreft december 2025.

De wereldhandel groeide door het vervroegen van de invoer, maar later in het jaar ebde de dynamiek weg

De wereldhandel groeide in 2025 krachtig, met 4,7%. Dit was het gevolg van een sterke invoergroei in de eerste helft van het jaar, toen de huishoudens en bedrijven zowel hun consumptie- als investeringsbeslissingen vervroegden in afwachting van hogere heffingen. Bovendien werden de handelspatronen aangepast aan het nieuwe heffingenlandschap, waarbij sommige stromen naar andere landen werden verlegd. De handel, met name de uitvoer uit Aziatische landen, werd ook ondersteund door een grote vraag naar goederen waarmee AI kan worden uitgerold, tegen de achtergrond van forse investeringen in ICT-apparatuur in de Verenigde Staten en andere ontwikkelde economieën. In de tweede helft van het jaar vertraagde de groei van de handel aanzienlijk doordat de effecten van eerdere vervroegingen wegebde en die van hogere heffingen zich manifesteerden.

Mondiale inflatie verder afgenomen, met verschillen tussen de belangrijkste economieën

De mondiale inflatie bleef afnemen, zij het met een minder synchroon patroon dan in het voorgaande jaar. De totale consumptieprijsinflatie (CPI) daalde van 3,0% in december 2024 tot 2,2% in december 2025 (Grafiek 1.2). De vertraging werd getemperd door een nieuwe stijging van de goedereninflatie, terwijl de diensteninflatie in veel economieën hardnekkig bleef. Het inflatieverloop verschilde van land tot land. In de Verenigde Staten bleef de totale inflatie boven de doelstelling, waarbij verhogingen van de heffingen leidden tot een aanzienlijke versnelling van de goedereninflatie. In het Verenigd Koninkrijk was de inflatie eind 2025 hoger dan aan het einde van het voorgaande jaar, tegen de achtergrond van hogere door de overheid gereguleerde prijzen en voedselprijzen en het wegebbende effect van eerdere dalingen van de energieprijzen. In China bleef de inflatie daarentegen gematigd als gevolg van de zwakke binnenlandse vraag in verband met de langdurige neergang in de vastgoedsector en de aanhoudende industriële overcapaciteit.

Grafiek 1.2

Totale inflatie en kerninflatie

a) Wereldwijde totale inflatie en de belangrijkste componenten ervan

b) Inflatie in de belangrijkste economieën

(mutaties in procenten per jaar; maandgegevens)

(mutaties in procenten per jaar; maandgegevens)

Bronnen: Nationale bronnen en OESO via Haver Analytics, en berekeningen van ECB-medewerkers.
Toelichting: Paneel a): De mondiale inflatie wordt berekend op basis van de nationale consumptieprijsindices en de bbp-gewichten op jaarbasis uitgedrukt in termen van koopkrachtpariteit. Het totaal wordt berekend op basis van 22 landen en het eurogebied, die samen 81% van het mondiale bbp in koopkrachtpariteit vertegenwoordigen. De bijdragen van de componenten aan de totale inflatie worden berekend aan de hand van CPI-gewichten voor de OESO-landen. De kerninflatie van goederen en de kerninflatie van diensten zijn exclusief energie en voeding. De meest recente waarnemingen betreffen december 2025. Paneel b): De meest recente waarnemingen betreffen december 2025.

Grafiek 1.3

Prijs van olie en Europees gas

(links: USD/vat; rechts: EUR/MWh)

Bronnen: LSEG, HWWI en berekeningen van ECB-medewerkers.
Toelichting: De meest recente waarneming betreft 31 december 2025.

De prijzen van energiegrondstoffen vertoonden een neerwaartse trend door een combinatie van vraag- en aanbodfactoren

De energieprijzen waren eind 2025 lager dan een jaar eerder, als gevolg van prijsdalingen van zowel olie als Europees gas (Grafiek 1.3). De prijs van Brent-olie daalde met 19% door een combinatie van vraag- en aanbodfactoren. Aan de vraagzijde verzwakte de mondiale economische bedrijvigheid na de heffingengeschillen die in april begonnen. Aan de aanbodzijde veroorzaakten de opeenvolgende productieverhogingen van de OPEC+ tegen het einde van het jaar een aanzienlijk marktoverschot. Niettemin was de prijs in juni enigszins volatiel als gevolg van de toegenomen spanningen in het Midden-Oosten, met name na de Israëlische en Amerikaanse aanvallen op Iran, maar de korte opwaartse piek daalde na de aankondiging van het door de Verenigde Staten bemiddelde staakt-het-vuren in Gaza. De prijs van Europees gas was aan het einde van het jaar met 42% gedaald ten opzichte van een jaar eerder en bleef daarmee ruim onder de piek van 2022. De gasprijs steeg aanvankelijk begin dit jaar als gevolg van het aflopen van de doorvoerovereenkomst tussen Rusland en Oekraïne en bezorgdheid over de toereikendheid van de gasopslag in Europa voor de winter van 2025-2026. Vervolgens daalde de prijs als gevolg van het relatief geringe Europese verbruik, de gematigde vraag naar vloeibaar aardgas uit Azië en, later in het jaar, nieuwe vooruitzichten op beëindiging van de Russische oorlog tegen Oekraïne.

De euro steeg nominaal-effectief in waarde, en nog duidelijker ten opzichte van de Amerikaanse dollar in vergelijking met eind 2024

De euro steeg nominaal-effectief met 6,8% en ten opzichte van de Amerikaanse dollar met 13,1% in vergelijking met eind 2024. Het grootste deel van de waardestijging ten opzichte van de dollar vond plaats in de eerste helft van het jaar. Deze verschuiving was het gevolg van de toegenomen onzekerheid over het Amerikaanse heffingenbeleid, die de dollar drukte en leidde tot een versnelling van de kapitaalstromen richting de activa van het eurogebied, evenals door aanpassingen in hedginggedrag en een grotere veerkracht in de economie van het eurogebied dan verwacht. In de daaropvolgende maanden bleef de euro binnen een relatief nauwe bandbreedte schommelen, aangezien de neerwaartse en opwaartse druk elkaar grotendeels compenseerden. De marktverwachtingen over de mate waarin het Federal Reserve System zijn beleidsrente zou verlagen, fluctueerden herhaaldelijk naarmate nieuwe economische gegevens beschikbaar kwamen. De met de heffingen verband houdende opwaartse druk op de inflatie steunde de Amerikaanse dollar doordat de verwachtingen ten aanzien van renteverlagingen werden verlaagd, terwijl tekenen van een vertragende arbeidsmarkt het tegenovergestelde effect hadden. Bovendien drukte de onzekerheid over de regelgeving en instituties waarschijnlijk de dollar, evenals de bezorgdheid over de sluiting van de Amerikaanse federale overheid. Naast de aanzienlijke waardestijging ten opzichte van de Amerikaanse dollar, steeg de euro op handelsbasis ook in waarde. De munt boekte aanzienlijke winsten ten opzichte van een aantal Aziatische valuta’s, waaronder de Japanse yen (+ 12,9%) tegen de achtergrond van de onzekerheid over de Japanse begrotings- en monetairbeleidskoers. De euro apprecieerde eveneens ten opzichte van andere belangrijke reservevaluta’s, zoals het Britse pond (+ 5,2%) en de Canadese dollar (+ 7,6%). Ten opzichte van de Zwitserse frank, die gedurende perioden van verhoogde onzekerheid als veilige haven bleef fungeren, is de euro daarentegen licht gedaald (-1,0%).

1.2 De economische bedrijvigheid heeft standgehouden ondanks grote onzekerheid wereldwijd

De economische bedrijvigheid bleef veerkrachtig in het licht van mondiale uitdagingen, met name in de internationale handel

De reële bbp-groei in het eurogebied steeg van 0,9% in 2024 tot 1,4% in 2025 (Grafiek 1.4). De geleidelijke verschuiving van de ECB van een restrictieve naar een neutralere monetairbeleidskoers, de verwachting van een soepeler begrotingsbeleid en de afnemende inflatie speelden een belangrijke rol bij het ondersteunen van het gematigde maar breedgedragen herstel. Het economische landschap werd ook sterk beïnvloed door geopolitieke spanningen en grote onzekerheid over heffingen – met name die van de Verenigde Staten – evenals door de volatiele geopolitieke situatie in delen van de wereld die het vertrouwen en de productieketens beïnvloedde. Het lichte herstel in de verwerkende industrie en een stabielere dienstensector waren belangrijke oorzaken van de aanhoudende betrekkelijke veerkracht van de economie van het eurogebied in 2025 ondanks het uitdagende klimaat.

Grafiek 1.4

Reëel bbp van het eurogebied en bruto toegevoegde waarde

(mutaties in procenten per jaar, bijdragen in procentpunten)

Bron: Eurostat.
Toelichting: De meest recente waarnemingen betreffen 2025.

Een sterk eerste kwartaal, als gevolg van vervroegde uitvoer, werd gevolgd door een afzwakkende groei

De reële bruto toegevoegde waarde in de industrie steeg in 2025 met 2,2%, na een daling met 0,5% in 2024. Het herstel had zijn oorsprong voornamelijk in het eerste kwartaal, als gevolg van de tijdelijke impuls voor de productie om vervroeging van de uitvoer mogelijk te maken, vooruitlopend op de hogere heffingen die vervolgens door de nieuwe Amerikaanse regering werden ingesteld. De groeidynamiek zwakte voor de rest van het jaar echter aanzienlijk af, als gevolg van hogere heffingen, toenemende mondiale concurrentie, aanhoudend hoge energiekosten en grote, zij het geleidelijk afnemende, onzekerheid over het economisch beleid. Hoewel de basisrentetarieven van de ECB gedurende het grootste deel van 2024 hoog waren gebleven, verminderde de onzekerheid en verbeterden de kredietvoorwaarden voor bedrijven door duidelijkere signalen van de aanstaande versoepeling begin 2025. Dit heeft bijgedragen tot het herstel van de investeringen, met name in de verwerkende industrie, die te lijden had gehad van de hoge financieringskosten. De reële bruto toegevoegde waarde in de dienstensector groeide in 2025 met 1,2%, een verzwakking ten opzichte van de 1,5% in 2024, maar handhaafde desondanks een ondergrens voor de groei in het eurogebied. De vertraging van de groei in de dienstensector vloeide deels voort uit voorzichtigheid van de huishoudens, die tot uiting kwam in hoge besparingen van huishoudens, tegen de achtergrond van aanhoudende geopolitieke risico’s en grote economische onzekerheid. Tegelijkertijd bleven de digitale en IT-diensten relatief veerkrachtig dankzij aanhoudende bedrijfsinvesteringen in automatisering, cyberbeveiliging en AI-integratie.

De particuliere consumptie versnelde, aangedreven door goederen

De particuliere consumptie versnelde in 2025 licht en groeide met 1,5% ten opzichte van het voorgaande jaar. De consumptie van goederen groeide sterker aan het begin van het jaar, terwijl de bestedingen aan diensten vanaf het tweede kwartaal sterker toenamen maar in het derde kwartaal weer vertraagden. Over het geheel genomen nam de consumptie van goederen sterker toe dan die van diensten (Grafiek 1.5). De groei van het reële beschikbare inkomen ondersteunde de bestedingen van de huishoudens, aangezien de nominale loongroei robuust bleef, de inflatie bleef dalen en de werkgelegenheidsgroei veerkrachtig was, zij het iets zwakker dan in het voorgaande jaar. De particuliere consumptie bleef echter achter bij het verloop van het reëel besteedbaar inkomen, aangezien de spaarquote hoog bleef tegen de achtergrond van verhoogde geopolitieke risico’s en economische onzekerheid.

Grafiek 1.5

Consumptie in het eurogebied, niet-bouwinvesteringen en woninginvesteringen

(indexcijfers: 2022 = 100)

a) Particuliere consumptie


b) Investeringen

Bronnen: Eurostat en berekeningen van de ECB.
Toelichting: In paneel a) verwijst de particuliere consumptie naar het nationale begrip van consumptie, en de componenten ervan naar het binnenlandse begrip van consumptie. In paneel b) zijn de niet-bouwinvesteringen de gewogen som van de immateriële en materiële activa. Zowel de niet-bouwinvesteringen als de immateriële activa zijn exclusief Ierse immateriële activa. De meest recente waarnemingen betreffen het vierde kwartaal van 2025.

Het herstel van de woninginvesteringen is ingezet

Na een sterke daling in 2024 als gevolg van de zwakke vraag en het vertraagde effect van de krappere financieringsvoorwaarden, begonnen de woninginvesteringen zich in 2025 te herstellen. Dit was grotendeels het gevolg van verbeteringen in de financieringsvoorwaarden en de aanhoudende stijging van het reële inkomen van de huishoudens, die beide de betaalbaarheid verbeterden en de vraag naar woningen in de loop van het jaar hielp stabiliseren. Toch bleven de woninginvesteringen zwakker dan de particuliere consumptie en de niet-bouwinvesteringen, wat aangeeft hoe pril het herstel is.

De bedrijfsinvesteringen werden ondersteund door een stijgende vraag en soepelere financieringsvoorwaarden, ondanks tegenwind

De niet-bouwinvesteringen vormen een standaardbenadering van de bedrijfsinvesteringen uit de nationale rekeningen die de bouwnijverheid uitsluit van de totale investeringen, bij gebrek aan beschikbare statistieken over particuliere en overheidsinvesteringen. Deze groeiden in 2025 krachtig als gevolg van de stijgende vraag en de versoepeling van de financieringsvoorwaarden naarmate de ECB haar basisrentetarieven in de eerste helft van het jaar bleef verlagen. De totale toename bedroeg in 2025 4,4% ten opzichte van 2024, bij een aanzienlijke volatiliteit op kwartaalbasis in de loop van het jaar. Als de volatiele immateriële activa in Ierland – die in aanzienlijke mate worden beïnvloed door de activiteiten van multinationale ondernemingen – buiten beschouwing worden gelaten, stegen de bedrijfsinvesteringen in 2025 met 2,2% (zie Grafiek 1.5). Hierin komt de aanhoudende divergentie tot uiting tussen de dynamiek van de investeringen in materiële en immateriële activa van de afgelopen jaren. De investeringen in materiële activa, zoals machines, apparatuur en vervoer, werden getemperd door hogere heffingen en verhoogde onzekerheid. Omgekeerd namen de immateriële investeringen sterk toe als gevolg van de vooruitgang op het gebied van digitalisering, met name op het gebied van AI en softwareontwikkeling. Daarnaast ondersteunden het herstel van de winstgroei en overloopeffecten van het Next Generation EU-programma (NGEU) de investeringen in 2025, waardoor de negatieve effecten van het verlies aan concurrentievermogen werden gecompenseerd. Daarnaast geven bedrijven aan dat vorig jaar hun investeringen werden afgeremd door omslachtige regelgeving.

De uitvoer van het eurogebied bleef gematigd tegen de achtergrond van stijgende heffingen, grote onzekerheid over de heffingen en een sterkere euro

De handelsontwikkelingen in 2025 werden gekenmerkt door sterke volatiliteit en structurele uitdagingen voor het eurogebied. De uitvoer van het eurogebied steeg in het eerste kwartaal als gevolg van vervroegde uitvoer in afwachting van hogere Amerikaanse heffingen, waarin grotendeels een piek in farmaceutische transporten, met name uit Ierland, tot uitdrukking kwam. Deze dynamiek was echter tijdelijk. In het tweede kwartaal kromp de uitvoer als gevolg van hogere Amerikaanse heffingen, een sterke euro en een gematigde mondiale vraag, waarbij de uitvoer van farmaceutische producten sterke schommelingen vertoonde. De uitvoer trok in het derde kwartaal aan als gevolg van de hogere verkoop van farmaceutische producten aan de Verenigde Staten, maar de onderliggende dynamiek bleef zwak. De handelsovereenkomst tussen de Verenigde Staten en de EU in juli, waarbij de Amerikaanse heffingen op goederen uit de EU werden beperkt tot 15%, hielp de nog steeds grote beleidsonzekerheid verlichten (Grafiek 1.1). Toekomstgerichte indicatoren wezen echter op een aanhoudende zwakte van de uitvoerorders in de verwerkende industrie. De invoer vertoonde in 2025 een gematigde groei, ondersteund door toenemende volumes uit China, deels als gevolg van handelsverlegging als gevolg van spanningen tussen China en de Verenigde Staten, en de sterkere euro, die de kosten van de invoer drukte. Ook de invoerprijzen van het eurogebied bleven onder neerwaartse druk staan naarmate de prijsdruk voor energiegrondstoffen verder afnam. De instroom van concurrerend geprijsde Chinese goederen in de context van de aanhoudende Chinese overcapaciteit in de verwerkende industrie heeft de concurrentie voor binnenlandse producenten versterkt, terwijl Chinese uitvoerbeperkingen voor kritieke basisproducten, zoals zeldzame aardmetalen, kwetsbaarheden in de toeleveringsketens van het eurogebied aan het licht hebben gebracht.

Arbeidsmarkt

De arbeidsmarkt in het eurogebied verzwakte, terwijl de arbeidsproductiviteit herstel vertoonde

Na een periode van ‘labour hoarding’ (d.w.z. het aanhouden van meer werknemers door bedrijven dan nodig op basis van de behoefte aan productie op korte termijn) vertraagde de werkgelegenheidsgroei in 2025 ten opzichte van de afgelopen jaren. Uit enquête-indicatoren bleek dat de arbeidsmarkt in het eurogebied in de loop van het jaar bleef afkoelen (Grafiek 1.6). De werkloosheidsgraad bewoog zich tussen 6,3% en 6.4% en bedroeg in december 6,3% – een van de laagste niveaus sinds de invoering van de euro en 1,2 procentpunt onder het niveau van vóór de pandemie van januari 2020. De totale werkgelegenheid en het totale aantal gewerkte uren stegen in 2025 met respectievelijk ongeveer 0,7% en 0,6%, minder dan het reële bbp, dat met 1,5% toenam. Deze ontwikkelingen leidden tot een herstel van de groei van de arbeidsproductiviteit. De sterkere groei van de arbeidsproductiviteit weerspiegelde de afname van de ‘labour hoarding’. Dit komt ook tot uiting in de verdere daling van de vacaturegraad van de piek in het tweede kwartaal van 2022 tot 2,2% in het vierde kwartaal van 2025, onder het niveau van vóór de pandemie van 2,3%. Het gemiddelde aantal gewerkte uren nam in 2025 af, bij een aanzienlijke volatiliteit en verschillen tussen landen.[3] De arbeidsparticipatie in de leeftijdsgroep 15-74 jaar is gestegen tot 66,2% in het vierde kwartaal van 2025, 1,6 procentpunt hoger dan het niveau van vóór de pandemie. Vooral vrouwen, oudere werknemers, hoger opgeleiden en buitenlandse werknemers droegen bij aan deze toename van de beroepsbevolking.

Grafiek 1.6

Arbeidsmarkt

(links: mutaties in procenten per jaar; rechts: percentages)

Bronnen: Eurostat en berekeningen van de ECB.
Toelichting: De meest recente waarnemingen betreffen december 2025 voor het werkloosheidscijfer, en het vierde kwartaal van 2025 voor de werkgelegenheid, het totale en het gemiddelde aantal gewerkte uren en de productiviteit per gewerkt uur.

1.3 Prioritering van overheidsuitgaven noodzaak in tijden van beperkte begrotingsruimte

Voor 2025 wordt slechts een gematigde budgettaire verkrapping verwacht

Het tekort van de totale overheid in het eurogebied is in 2025 naar verwachting marginaal gedaald tot 3,0% van het bbp (Grafiek 1.7), ten opzichte van 3,1% in 2024 en 3,5% in 2023. De aanzienlijke budgettaire verkrapping in 2024 was het gevolg van de uitfasering van de resterende overheidsmaatregelen die waren genomen om huishoudens en bedrijven te compenseren voor hoge energieprijzen en inflatie. De slechts gematigde budgettaire verkrapping die voor 2025 wordt voorzien, is daarentegen het gevolg van hogere belastingen en socialezekerheidsbijdragen, die niet volledig worden gecompenseerd door een hogere groei van de primaire overheidsuitgaven (met inbegrip van door het NGEU-programma gefinancierde posten) en stijgende rentebetalingen.

Grafiek 1.7

Begrotingssaldo in het eurogebied en de samenstelling ervan

(in procenten bbp)

Bronnen: Berekeningen van de ECB en de door medewerkers van het Eurosysteem samengestelde macro-economische projecties voor het eurogebied van december 2025.
Toelichting: De gegevens betreffen het aggregaat van de totale overheid van de landen in het eurogebied (uitgezonderd Bulgarije).

De schuldquote van het eurogebied is in 2025 naar verwachting gestegen tot 87,3% van het bbp, vergeleken met het reeds hoge niveau van 86,6% van het bbp in 2024. Daarmee blijft de quote ruim boven het niveau van vóór de pandemie, namelijk 83,6% in 2019 (Grafiek 1.8). De verwachte stijging van de schuldquote in 2025 is het gevolg van het geaggregeerde primaire tekort en positieve tekort-schuldaanpassingen, die slechts ten dele worden gecompenseerd door een gunstig, maar krimpend, rente/groei-ecart.

Grafiek 1.8

Overheidsschuld van het eurogebied

(in procenten bbp)

Bronnen: Berekeningen van de ECB en de door medewerkers van het Eurosysteem samengestelde macro-economische projecties voor het eurogebied van december 2025.
Toelichting: De gegevens betreffen het aggregaat van de totale overheid van de landen in het eurogebied (uitgezonderd Bulgarije).

Strategische uitgavenbehoeften zorgen voor opwaartse druk op overheidsschuld

Strategische uitgavenbehoeften, onder meer voor defensie, infrastructuur en de digitale en groene transitie – in combinatie met de vergrijzing – zorgen voor opwaartse druk op de overheidsschulden.[4] Met name voor defensie-uitgaven hebben sommige landen van het eurogebied met een lager schuldniveau gebruikgemaakt van hun begrotingsruimte, wat heeft geleid tot hogere schuldquotes dan voor de Russische inval in Oekraïne in 2022. Meer in het algemeen biedt het herziene EU-kader voor begrotingsgovernance, dat in april 2024 is aangenomen, enige budgettaire flexibiliteit om een deel van de uitgavendruk op te vangen. Diverse landen hebben in het kader van hun budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn gebruikgemaakt van de mogelijkheid om de consolidatieperiode te verlengen van vier tot zeven jaar in ruil voor structurele hervormingen en investeringen, waardoor hun jaarlijkse begrotingsaanpassingslast wordt verminderd. Bovendien biedt de nationale ontsnappingsclausule, die is geactiveerd voor elf landen van het eurogebied, tijdelijke flexibiliteit om af te wijken van het netto-uitgavenpad van het land als gevolg van hogere defensie-uitgaven, op voorwaarde dat die afwijking de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn niet in gevaar brengt.[5] Aangezien de begrotingsflexibiliteit de extra uitgaven niet volledig dekt, moeten ook andere wegen worden bewandeld, zoals de efficiëntie van de uitgaven en herprioritering van de nationale begrotingen.

Op 25 november 2025 heeft de Europese Commissie het Najaarspakket voor 2026 goedgekeurd, met daarin de prioriteiten voor het economische beleid.[6] Het pakket omvat de beoordeling door de Commissie van de naleving van het begrotingskader van de EU door de lidstaten en biedt richtsnoeren voor hun begrotingsbeleid in 2026. De volledige transparante en onverwijlde tenuitvoerlegging van het herziene EU-kader voor governance zal overheden helpen hun begrotingstekorten en schuldquotes duurzaam te verlagen. Van de zeventien landen van het eurogebied die hun ontwerpbegrotingsplannen voor 2026 hadden ingediend, oordeelde de Europese Commissie dat twaalf landen voldeden aan het begrotingskader van de EU.[7] Voor vijf landen werd vastgesteld dat de plannen het risico van niet-naleving lopen, waarbij voor twee landen sprake was van risico’s op materiële niet-naleving. Bovendien zal de Europese Commissie voor de zes landen van het eurogebied die onderworpen zijn aan een buitensporigtekortprocedure, d.w.z. België, Frankrijk, Italië, Malta, Oostenrijk en Slowakije, de situatie in het voorjaar van 2026 beoordelen op basis van de begrotingsresultaten voor 2025. De Europese Commissie stelde in november voor om ook voor Finland een buitensporigtekortprocedure in te leiden.

1.4 De inflatie bewoog in de loop van het jaar in de richting van de doelstelling van 2% op middellange termijn

De totale inflatie daalde tot gemiddeld 2,1% in 2025, in de richting van de doelstelling op middellange termijn

De totale inflatie in het eurogebied, gemeten aan de hand van de geharmoniseerde consumptieprijsindex (HICP), ontwikkelde zich in de loop van 2025 verder in de richting van de middellangetermijndoelstelling van 2% (Grafiek 1.9). De inflatie op jaarbasis bedroeg in het vierde kwartaal en voor het jaar als geheel gemiddeld 2,1%, na een inflatie van 2,4% in 2024. Het effect van de eerdere verkrapping van het monetair beleid door de ECB, een verminderde loondruk, de afnemende druk in het productieproces afkomstig van grondstoffenprijzen en de lage druk van de invoerprijzen meer in het algemeen – deels als gevolg van de waardestijging van de euro – ondersteunden de aanhoudende desinflatie. De HICP-inflatie ongerekend energie en voedingsmiddelen (HICPX) leverde de grootste bijdrage aan de daling van de totale inflatie in 2025. Deze liep in de loop van het jaar geleidelijk terug en stabiliseerde zich in de daaropvolgende maanden tussen 2,3% en 2,4%. Dit was grotendeels toe te schrijven aan de afnemende, maar nog steeds hoge, diensteninflatie, wat met name het gevolg was van de afnemende loondruk. De inflatie van industriële goederen ongerekend energie bleef daarentegen gedurende het grootste deel van 2025 ruwweg stabiel rond het langetermijngemiddelde van vóór de pandemie en daalde pas in de laatste maanden van het jaar zichtbaarder als gevolg van de lage invoerprijsdruk. De totale inflatie werd ook getemperd door de gematigde energie-inflatie als gevolg van de lagere prijzen van energiegrondstoffen en de waardestijging van de euro. De voedselinflatie, daarentegen, nam in de eerste helft van 2025 toe en bereikte in juli een hoogtepunt, voornamelijk als gevolg van prijsstijgingen voor onbewerkte voedingsmiddelen als gevolg van ongunstige weersomstandigheden en tekorten aan de aanbodzijde. Aan het einde van het jaar nam deze af tot 2,5%. De inflatie van bewerkte voedingsmiddelen droeg eveneens bij aan de druk, als gevolg van de aanhoudende doorwerking van eerdere stijgingen van de grondstoffenprijzen, met name voor cacao en koffie.[8]

Grafiek 1.9

Totale inflatie en de belangrijkste componenten ervan

(mutaties in procenten per jaar; bijdragen in procentpunten)

Bronnen: Eurostat en berekeningen van de ECB.
Toelichting: De meest recente waarnemingen betreffen december 2025.

De energie-inflatie was gedurende het grootste deel van het jaar negatief, terwijl de voedselinflatie een bultvormige ontwikkeling vertoonde

De energie-inflatie daalde begin 2025 en was vanaf maart negatief, voornamelijk als gevolg van de lagere in Amerikaanse dollars luidende olieprijs en groothandelsprijs van gas en de waardestijging van de euro. Het twaalfmaands mutatietempo van de consumptieprijzen voor energie vertoonde echter ook enige volatiliteit, grotendeels als gevolg van opwaartse basiseffecten, met name in de component transportbrandstoffen. De voedselinflatie vertoonde in 2025 een bultvormige ontwikkeling, voornamelijk als gevolg van de prijzen van onbewerkte voedingsmiddelen. Tijdens de eerste acht maanden van het jaar ging de inflatie van onbewerkte voedingsmiddelen omhoog, gestuwd door stijgingen van de groente- en fruitprijzen als gevolg van de slechte weersomstandigheden, maar ook door de gestaag stijgende vleesprijzen als gevolg van aanbodtekorten die deels verband hielden met dierziekten. Vanaf september begon deze inflatie af te nemen naarmate het weerseffect op de groente- en fruitprijzen wegebde, maar aan het einde van het jaar trok deze weer enigszins aan. De inflatie van bewerkte voedingsmiddelen bleef gedurende het grootste deel van 2025 relatief stabiel en nam pas in het laatste kwartaal duidelijk af doordat de druk op het productieproces als gevolg van de prijzen van voedingsgrondstoffen zoals koffie en cacao afnam. Over het geheel genomen bleef de voedselinflatie gedurende het jaar verhoogd. Dit was het gevolg van de aanhoudende, zij het afnemende doorwerking van eerdere prijsstijgingen voor voedingsgrondstoffen, onevenwichtigheden tussen vraag en aanbod in sommige segmenten en de nog steeds hoge prijsdruk van factoren zoals de lonen.

De indicatoren voor de onderliggende inflatie bleven geleidelijk matigen of bleven grotendeels onveranderd

De indicatoren van de onderliggende inflatie, die gericht zijn op het weergeven van de aanhoudende of gemeenschappelijke component van de inflatie, ondersteunden de ontwikkeling van de totale inflatie in de richting van cijfers dicht bij de doelstelling. Zo vertoonde de kerninflatie, zoals gemeten aan de hand van de HICPX, weinig volatiliteit en daalde deze van 2,7% in december 2024 naar percentages tussen 2,3% en 2,4% in de meeste maanden vanaf maart. De desinflatie in de kerninflatie werd voornamelijk veroorzaakt door diensten. De diensteninflatie daalde van 4,0% in december 2024 tot 3,4% in december 2025, als gevolg van de geleidelijke afname van eerdere factoren, met name loondruk en jaarlijkse herprijzingseffecten.[9] De diensteninflatie vertoonde enige kortetermijnvolatiliteit in april, toen het tijdstip waarop Pasen viel de prijzen voor sommige producten tijdelijk opstuwde, maar schommelde gedurende de rest van het jaar binnen een relatief smalle marge.[10] De inflatie van industriële goederen ongerekend energie bleef gedurende heel 2025 relatief onveranderd en schommelde vrij dicht rond het gemiddelde van 0,6% van vóór de pandemie (gemeten over de periode 1999-2019). Deze inflatie steeg enigszins in het derde kwartaal, maar in oktober was ze weer terug op het gemiddelde van vóór de pandemie. Tegen het einde van het jaar zakte deze tot iets onder dat gemiddelde als gevolg van de geringe druk van de invoerprijzen en de waardestijging van de euro. Ook andere indicatoren van de onderliggende inflatie daalden geleidelijk in de loop van 2025, of bleven grotendeels stabiel.[11]

De binnenlandse kostendruk nam verder af als gevolg van de afnemende arbeidskostendruk, deels gecompenseerd door geleidelijk stijgende winsten per eenheid product

De binnenlandse kostendruk in het eurogebied, gemeten naar de groei van de bbp-deflator, daalde in 2025 tot 2,4%, van 3,0% in 2024 (Grafiek 1.10). De daling was het gevolg van een afname van de bijdragen van de belastingen per eenheid product en de arbeidskosten per eenheid product, waarbij de laatste verband hielden met een matiging van de groei van de loonsom per werknemer en een aantrekkende groei van de arbeidsproductiviteit. Deze dalingen werden deels gecompenseerd door een geleidelijke toename van de bijdrage van de winst per eenheid product in overeenstemming met de conjuncturele ontwikkelingen. Binnen de groei van de loonsom per werknemer, die het hele jaar grotendeels stabiel bleef en gemiddeld 3,9% bedroeg, was de groei van de contractlonen en de incidentele looncomponent (loondrift) volatiel.[12] De contractloongroei nam in de loop van het jaar aanzienlijk af, tot gemiddeld 2,8%, tegen 4,5% in 2024. Hierin komt de normalisatie van de looneisen tot uitdrukking na een periode waarin werknemers geleidelijk de koopkracht herwonnen die tijdens de inflatiepiek van 2022 verloren was gegaan.[13] Ontwikkelingen in de loondrift, deels in verband met statistische effecten als gevolg van eenmalige betalingen in 2024, hebben de totale loongroei opgedreven. De winst per eenheid product herstelde zich enigszins in de loop van 2025 en sloot nauwer aan bij de conjunctuurcyclus, maar bleef fungeren als buffer voor de arbeidskosten, zij het in mindere mate dan in 2024.

Grafiek 1.10

Bbp-deflator en componenten

(mutaties in procenten per jaar; bijdragen in procentpunten)

Bronnen: Eurostat en berekeningen van de ECB.
Toelichting: De meest recente waarnemingen betreffen het vierde kwartaal van 2025.
Het verloop van de arbeidsproductiviteit wordt omgekeerd in de grafiek weergegeven, aangezien een stijging (daling) van de groei van de arbeidsproductiviteit de binnenlandse kostendruk verlaagt (verhoogt).

De inflatieverwachtingen voor de langere termijn bleven goed verankerd rond de ECB-doelstelling van 2%

De inflatieverwachtingen op langere termijn bleven gedurende heel 2025 grotendeels in overeenstemming met de doelstelling van 2% op middellange termijn van de ECB, wat een duurzame terugkeer van de inflatie naar de doelstelling ondersteunt. In de ECB Survey of Professional Forecasters en de ECB Survey of Monetary Analysts waren de inflatieverwachtingen voor de langere termijn stevig verankerd op 2% in 2025 (Grafiek 1.11). Ook andere enquête-indicatoren, zoals Consensus Economics, gaven aan dat de inflatieverwachtingen voor de langere termijn stabiel waren en rond de 2% lagen. De marktgebaseerde indicatoren van inflatiecompensatie voor de langere termijn, zoals de vijfjaars geïndexeerde swaprente vijf jaar vooruit (ILS), bleven dicht bij de 2% en vertoonden gedurende het jaar beperkte variatie. In maart werd een lichte stijging van de ILS-rente waargenomen als gevolg van begrotingsverruimingsvoornemens in Europa, hoewel deze kort daarna deels werd gecompenseerd door de gevolgen van handelsspanningen. In juni werden verdere tijdelijke stijgingen opgetekend, als gevolg van het verloop van de energieprijzen, maar de ILS-rente stabiliseerde zich uiteindelijk voor de rest van het jaar op 2,1% na de zomer. Deze bewegingen waren voornamelijk het gevolg van hogere inflatierisicopremies, terwijl op modellen gebaseerde ramingen van werkelijke inflatieverwachtingen op langere termijn – exclusief risicopremies – stabiel bleven tussen 1,9% en 2%. Aan de consumentenzijde schommelden de mediane inflatieverwachtingen voor de komende drie jaar gedurende het hele jaar tussen 2,4% en 2,5%, met een stijging tot 2,6% in december. Dit hardnekkige iets verhoogde niveau weerspiegelt waarschijnlijk de aanhoudend grote onzekerheid. Uit de ECB Consumer Expectations Survey blijkt dat de voedselprijzen sterk van invloed waren op de inflatieperceptie en de verwachtingen één jaar vooruit, terwijl hun invloed op de verwachtingen op langere termijn beperkter was.

Grafiek 1.11

Enquête- en marktgebaseerde indicatoren van de inflatieverwachtingen

(mutaties in procenten per jaar)

Bronnen: LSEG, ECB (Consumer Expectations Survey (CES), Survey of Professional Forecasters (SPF), Survey of Monetary Analysts (SMA)) en berekeningen van de ECB.
Toelichting: De inflatieswaprente vijf jaar vooruit (5y5y ILS-rente) rapporteert maandelijks waargenomen gegevens. De verwachtingscomponent van de 5y5y ILS-rente wordt verkregen als de gemiddelde schatting uit twee affine-termijnstructuurmodellen zoals in Joslin, Singleton en Zhu (2011)[14] toegepast op ILS-rentes die niet zijn gecorrigeerd voor de indexeringsvertraging; zie Burban, V. et al., “Decomposing market-based measures of inflation compensation into inflation expectations and risk premia”, Economisch Bulletin, Nummer 8, 2021. De SPF voor het vierde kwartaal van 2025 is uitgevoerd tussen 1 en 7 oktober 2025. In de SPF-rondes voor het derde en vierde kwartaal van 2024 hadden de verwachtingen voor de langere termijn betrekking op 2030; in de rondes voor het eerste en tweede kwartaal op 2029. De meest recente waarneming voor de CES en de SMA betreft december 2025.

1.5 Het herstel van de kredietverlening bleef zwak, ondanks een verdere versoepeling van de financieringsvoorwaarden

De rendementscurves in het eurogebied werden steiler, grotendeels als gevolg van hogere reële lange rentes

Een daling van de korte rente, in combinatie met een aanzienlijke stijging van de lange rente, leidde in 2025 tot een steiler wordende curve van de risicovrije rente in het eurogebied. De verlaging van de korte rente, die voornamelijk in de eerste helft van het jaar plaatsvond, weerspiegelde de beleidsrenteverlagingen die de ECB tot juni uitvoerde aangezien de inflatie op koers lag om duurzaam in de richting van de doelstelling van 2% op middellange termijn te bewegen (zie Paragraaf 2.1). Bij langere looptijden bedroeg de rente op tienjaars daggeldrenteswaps (overnight index swaps – OIS) in december 2025 gemiddeld 2,8% (Grafiek 1.12), een stijging van ongeveer 60 basispunten ten opzichte van het gemiddelde van december 2024. De langetermijnrente vertoonde in de eerste vier maanden van het jaar enkele scherpe en volatiele bewegingen, als gevolg van de plannen voor defensie- en infrastructuuruitgaven in Europese landen en de toegenomen onzekerheid over Amerikaanse invoerheffingen en handelsbeleid. Vanaf eind april steeg de tienjaars OIS-rente in de rest van het jaar geleidelijk met ongeveer 30 basispunten, voornamelijk als gevolg van een stijging van de reële- rentecomponent als gevolg van een veerkrachtigere economie. Belangrijk is dat de versteiling van de risicovrije curve voor het eurogebied een sterke mondiale component weerspiegelt, aangezien zich in andere belangrijke ontwikkelde economieën een vergelijkbare herprijzing voordeed. Net als de OIS-rente steeg het tienjaars bbp-gewogen rendement op overheidsobligaties in het eurogebied in de loop van het jaar. In december kwam het uit op 3,2%, ongeveer 50 basispunten hoger dan een jaar eerder. Het rendement op tienjaars overheidsobligaties in de landen van het eurogebied eindigde in 2025 op een hoger niveau dan aan het begin van het jaar, waarbij de spreads ten opzichte van de OIS-rente kleiner werden. De aankondiging van plannen voor defensie-uitgaven in sommige landen van het eurogebied (zie Paragraaf 1.3) was een cruciaal moment in de herbeoordeling door de markt, die leidde tot een scherpe stijging met ongeveer 40 basispunten van het rendement op Duitse tienjaars overheidsobligaties, waarbij de rendementen op andere overheidsobligaties in het eurogebied vergelijkbare opwaartse druk ondervonden. Vervolgens liepen de rendementen op overheidsobligaties in het eurogebied enigszins terug, hoewel de meeste aan het einde van het jaar op een hoger peil stonden. De uitzondering was het rendement op tienjaars overheidsobligaties voor Italië, dat grotendeels ongewijzigd bleef ten opzichte van het niveau van eind 2024, ondersteund door de aanhoudende consolidatie van de begrotingspositie van Italië. Daarentegen leidde de politieke onzekerheid in Frankrijk tot bezorgdheid onder marktdeelnemers over mogelijke vertragingen in de begrotingsconsolidatie, wat zou leiden tot opwaartse druk op het rendement op Franse overheidsobligaties. Deze ontwikkelingen resulteerden in een convergentie van de rendementen op Italiaanse en Franse obligaties naar een vergelijkbaar niveau, terwijl de rendementsverschillen in het eurogebied historisch klein werden.

Grafiek 1.12

Lange rente en de kredietkosten voor bedrijven en die voor huishoudens voor de aankoop van een huis

(in procenten per jaar)

Bronnen: Bloomberg, LSEG en berekeningen van de ECB.
Toelichting: Maandelijkse waarnemingen. Het rendement op tienjaars overheidsobligaties in het eurogebied is een bbp-gewogen gemiddelde. De indicatoren voor de totale kredietkosten worden berekend door de korte- en langetermijnrentes voor bancaire kredietverlening te aggregeren aan de hand van een 24-maands voortschrijdend gemiddelde van de volumes van nieuwe contracten. De meest recente waarnemingen betreffen december 2025.

De aandelenbeurzen werden voornamelijk ondersteund door sterke winstverwachtingen

In 2025 stegen de aandelenkoersen – afgemeten aan de EURO STOXX-index – met ongeveer 21%. Sterke winstverwachtingen, hogere dividenden en lagere risicopremies op aandelen zorgden voor een stijging van de aandelenkoersen, ondanks het temperende effect van de stijgende risicovrije lange rente. De aandelenkoersen zijn zowel in de niet-financiële als in de financiële sector gestegen, waarbij deze laatste meer geprononceerder zijn geworden. Binnen de financiële sector waren de bancaire aandelen de belangrijkste factor in de stijgingen, ondersteund door de verbeterde winstgevendheid als gevolg van de handelsactiviteiten van de banken, de kredietverlening en het steiler worden van de rendementscurve. Eind 2025 stonden de brede indices van de aandelenkoersen van niet-financiële ondernemingen en banken in het eurogebied respectievelijk ongeveer 12% en 80% boven hun niveaus van eind 2024. De spreads op bedrijfsobligaties namen over het algemeen af, met als opvallende uitzondering obligaties uitgegeven in het hoogrentende segment van de financiële sector en ondanks de verkoopgolf op de markt voor bedrijfsobligaties na de aankondiging van de Amerikaanse invoerheffingen op 2 april. Daarna daalden de spreads op bedrijfsobligaties aanzienlijk als gevolg van de hernieuwde risicobereidheid en een veerkrachtigere economie.

De versoepeling van de financieringsvoorwaarden zette aan het begin van het jaar over het geheel genomen door, alvorens de voorwaarden zich over een breed front stabiliseerden

De financieringsvoorwaarden voor bedrijven in het eurogebied bleven in de eerste helft van het jaar versoepelen, alvorens zich grotendeels te stabiliseren, in overeenstemming met de dynamiek van de financieringskosten van banken. De daling van de samengestelde kosten van schuldfinanciering voor de banken aan het begin van het jaar weerspiegelde de doorwerking van de beleidsrenteverlagingen, terwijl de daaropvolgende stabilisatie werd veroorzaakt door de dynamiek van de marktrente en verminderde verwachtingen van verdere renteverlagingen. De daling van de nominale kredietkosten voor bedrijven ten opzichte van de piekniveaus in 2023 weerspiegelt deels het prudente leengedrag van banken sinds het begin van de cyclus van versoepeling van het monetair beleid, wat in verband wordt gebracht met een herschikking van de kredietverlening naar kredietnemers met een lager risico, die van gunstigere kredietprijzen profiteren. Voor huishoudens was de daling van de financieringskosten in 2025 beperkter, waarbij de rente op nieuwe hypotheken grotendeels de stijging van de lange marktrente weerspiegelde. Het samengestelde rentetarief voor bankleningen aan niet-financiële ondernemingen bedroeg in december 3,6%, ongeveer 80 basispunten lager dan eind 2024, en de overeenkomstige rente voor huishoudens voor woningaankopen daalde met ongeveer 10 basispunten tot 3,3% (Grafiek 1.12). Het verschil tussen de leentarieven voor bedrijven en huishoudens dat tijdens de fase van verkrapping van het monetair beleid groter was worden, werd hierdoor aanzienlijk kleiner. Ook de verschillen tussen de landen wat betreft de rentetarieven voor leningen aan bedrijven namen af, terwijl de verschillen in de krediettarieven voor huishoudens nog steeds werden beïnvloed door verschillen in de looptijdstructuur van de leningen tussen de landen.

De bancaire kredietverlening aan bedrijven en huishoudens herstelde zich geleidelijker dan in het verleden

Het herstel van de bancaire kredietverlening bleef zich parallel met de versoepeling van het monetair beleid voortzetten, zij het geleidelijker dan naar voren komt uit historische patronen (Grafiek 1.13). De kredietverlening aan bedrijven stabiliseerde zich in de tweede helft van 2025, met groeipercentages die ruim onder de historisch gemiddelde bleven doordat de totale vraag gematigd was en banken risicomijdend waren, ondanks hun sterke kapitaalposities, een beperkte verslechtering van de activakwaliteit en een nog steeds sterke winstgevendheid. Volgens de enquête naar de bancaire kredietverlening in het eurogebied zijn de acceptatiecriteria van banken (d.w.z. interne richtlijnen of criteria voor de goedkeuring van leningen) voor bedrijven in het eerste kwartaal en de laatst twee kwartalen van 2025 aangescherpt. Kleinere en risicovollere ondernemingen werden geconfronteerd met een bijzonder sterke verslechtering van de beschikbaarheid van leningen, zo blijkt uit de enquête betreffende de toegang van ondernemingen tot financiering. Het groeitempo op jaarbasis van de leningen aan huishoudens bedroeg in december 3,0%, afgezet tegen gemiddeld 4,3% tussen januari 1999 en december 2025. De groei van de totale kredietverlening, met inbegrip van de financiering door niet-bancaire financiële intermediairs, bleef beperkt, mede als gevolg van de grote onzekerheid over het economisch beleid, zoals blijkt uit een ECB-blogpost die in oktober werd gepubliceerd.[15] Hogere waarderingen van beursgenoteerde aandelen droegen bij aan de netto stijging van de externe financiering van bedrijven (Grafiek 1.14). Het herstel van de kredietverlening aan huishoudens zette door, met een groei op jaarbasis van 3,0% in december (ook ruim onder het langetermijngemiddelde van 4,2%), voornamelijk onder invloed van hypotheken. Deze ontwikkeling is in overeenstemming met de solide vraag naar hypotheekleningen zoals gerapporteerd in de enquête naar de bancaire kredietverlening, evenals met de aanhoudende plannen voor woningaankopen zoals gerapporteerd in de Consumer Expectations Survey. Tegelijkertijd nam het aandeel huishoudens dat in de laatstgenoemde enquête melding maakte van een verslechtering van de toegang tot krediet toe ten opzichte van de huishoudens die verbeteringen meldden. Het aandeel was groter voor huishoudens met een lager inkomen. Volgens de enquête naar de bancaire kredietverlening golden voor consumentenkrediet, waar huishoudens met een lager inkomen in 2025 aanhoudend gebruik van hebben gemaakt, gedurende het hele jaar onderworpen strengere kredietvoorwaarden.

Gematigder groei op jaarbasis van ruim monetair aggregaat in 2025

Nadat de groei van het ruime monetaire aggregaat (M3) eerder dit jaar op bijna 4% was gestabiliseerd, matigde de groei op jaarbasis van het ruime monetaire aggregaat (M3) tegen het einde van 2025, ondersteund door een stabiele dynamiek in de leningen en deposito’s van huishoudens en bedrijven (Grafiek 1.13). De groei van M3 op jaarbasis bedroeg 2,8% in december, tegen 3,4% in december 2024. De matiging was grotendeels het gevolg van de aanhoudende liquiditeitsuitstroom als gevolg van de inkrimping van de activaportefeuilles van het Eurosysteem en een afname van de netto buitenlandse instroom, die aan kracht leek te hebben ingeboet en volatieler lijkt te zijn geworden ten opzichte van 2024, terwijl de aankopen van overheidsobligaties door banken de geldgroei ondersteunden in een klimaat van een robuust aanbod van obligaties.

Grafiek 1.13

M3-groei en de groei van de kredietverlening aan bedrijven en huishoudens

(mutaties in procenten per jaar)

Bron: ECB.
Toelichting: Bedrijven zijn niet-financiële ondernemingen. De meest recente waarnemingen betreffen december 2025.

Grafiek 1.14

Netto externe financieringsstromen naar bedrijven

(stromen op jaarbasis in EUR miljard)

Bronnen: ECB en Eurostat.
Toelichting: Bedrijven zijn niet-financiële ondernemingen. MFI: monetaire financiële instelling. Bij “leningen van niet-MFI’s en van de rest van de wereld” zijn niet-monetaire financiële instellingen overige financiële intermediairs, pensioenfondsen en verzekeringsinstellingen. “MFI-leningen” en “leningen van niet-MFI’s en van de rest van de wereld” zijn gecorrigeerd voor verkopen van leningen en securitisaties. “Overige” verwijst naar het verschil tussen het totaal en de in de grafiek opgenomen instrumenten en bestaat hoofdzakelijk uit intragroepsleningen en handelskredieten. De meest recente waarnemingen betreffen het derde kwartaal van 2025. De jaarlijkse stroom voor 2025 is berekend als een vierkwartaals totaal van de stromen van het vierde kwartaal van 2024 tot en met het derde kwartaal van 2025. De kwartaalsectorrekeningen van het eurogebied worden om de vijf jaar grondig herzien; de laatste herziening vond plaats in 2024, wat verklaart waarom de gegevens in sommige jaren aanzienlijk verschillen van die in jaarverslagen over 2023 en eerdere jaren.

Kader 1
Bulgarije wordt het 21e euroland

Op 1 januari 2026 werd Bulgarije het 21e lid van het eurogebied en stapte het over op de euro. De positieve beoordelingen in het Convergentieverslag van de Europese Commissie en het convergentieverslag van de ECB hebben de weg vrijgemaakt voor de invoering van de euro, die in juli 2025 door de Raad van de Europese Unie is goedgekeurd. De toetreding van Bulgarije betekent een verdere uitbreiding van het eurogebied na de toetreding van Kroatië in 2023 en geeft aan dat het lidmaatschap van het eurogebied een aantrekkelijk en geloofwaardig beleidsanker blijft, ook in een klimaat van verhoogde onzekerheid en geopolitieke spanningen.[16]

De invoering van de euro door Bulgarije is een belangrijke mijlpaal in het grotere proces van Europese integratie door dat land. De weg van Bulgarije naar het lidmaatschap van het eurogebied laat zien dat het land streeft naar verdieping van de economische en institutionele banden met de andere leden van de Europese Unie. Vanaf de toetreding tot de EU in 2007 heeft Bulgarije aanzienlijke stappen gezet om aan de vereisten voor de invoering van de gemeenschappelijke munt te kunnen voldoen, zoals uiteengezet in de criteria van Maastricht. Dit traject werd ondersteund door veelomvattende structurele hervormingen en de politieke wil om het binnenlandse beleid af te stemmen op de economische en monetaire normen van het eurogebied. De macro-economische onevenwichtigheden die vóór de COVID-19-pandemie bestonden, werden geleidelijk gecorrigeerd door middel van geloofwaardige beleidsmaatregelen en een prudent begrotingsbeleid. In deze periode bereikte Bulgarije ook een aanzienlijke reële convergentie met de economie van het eurogebied, met een stijging van het bbp per hoofd van de bevolking van ongeveer 35% van het gemiddelde voor het eurogebied in 2006 tot iets meer dan 60% in 2025.

Het traject van Bulgarije naar de invoering van de euro werd onderbouwd door een duidelijk omschreven en nauwlettend gemonitorde reeks voorbereidende stappen (Figuur A). In 2018 heeft Bulgarije zijn vaste voornemen kenbaar gemaakt om toe te treden tot het wisselkoersmechanisme (ERM II), een essentiële stap in het proces naar invoering van de euro.[17] Tussen de Bulgaarse autoriteiten en de ERM II-partijen is een routekaart overeengekomen, waaronder een uitgebreide reeks beleidsmaatregelen die vóór de toetreding moesten worden afgerond. Deze eerdere toezeggingen waren bedoeld om belangrijke structurele uitdagingen aan te pakken en de naleving van de convergentiecriteria van de EU te ondersteunen. In 2020 verzocht Bulgarije formeel om toetreding tot het ERM II. De Bulgaarse lev trad in juli 2020 toe tot het ERM II, samen met de Kroatische kuna, en de Bulgaarse regering zegde tegelijkertijd een reeks maatregelen na toetreding toe, gericht op het versterken van de antiwitwaswetgeving van het land, het intensiveren van het toezicht op zijn niet-bancaire financiële sector, het verbeteren van het bestuur van staatsbedrijven en het hervormen van de insolventiewetgeving van het land. Tegelijkertijd is Bulgarije sinds oktober 2020 lid van de bankenunie via nauwe samenwerking tussen de ECB en Българска народна банка (Nationale Bank van Bulgarije), waardoor het bankentoezicht wordt afgestemd op de normen van het eurogebied en de financiële stabiliteit wordt versterkt.

De laatste fase van de invoering van de euro in Bulgarije vond plaats in 2025. In februari 2025 hebben de Bulgaarse autoriteiten de Europese Commissie en de ECB formeel verzocht om een ad-hocconvergentiebeoordeling. In de convergentieverslagen van 2025, die op 4 juni 2025 zijn gepubliceerd, werd de mate van convergentie van Bulgarije positief beoordeeld. Op basis hiervan heeft de Europese Commissie voorgesteld dat de Raad van de EU Bulgarije toestaat de euro in te voeren. Op 8 juli keurde de Raad de toetreding van Bulgarije tot het eurogebied formeel goed en stelde de Raad de onherroepelijke omrekeningskoers van de Bulgaarse lev vast op 1,95583 lev per euro. Deze koers kwam overeen met de spilkoers die werd toegepast tijdens de deelname van Bulgarije aan het ERM II en met de vaste wisselkoers die werd toegepast tijdens de langdurige currency boardregeling, zodat de continuïteit en de stabiliteit bij de overgang naar de gemeenschappelijke munt werden gewaarborgd.

Figuur A

De belangrijkste mijlpalen op de weg van Bulgarije naar invoering van de euro

Bron: ECB.

Na het formele besluit van de Raad van de EU werden technische voorbereidingen getroffen voor de overgang op de chartale euro, terwijl de integratie van de Nationale Bank van Bulgarije in het Eurosysteem parallel verliep. Deze voorbereidingen werden ondersteund door de ECB en bestreken een breed scala aan operationele, logistieke en institutionele aspecten. Het ging daarbij onder andere om een gedetailleerde planning voor de productie en distributie van eurobankbiljetten en -munten, uitgebreide publieksvoorlichtings- en bewustmakingscampagnes, en de toelating van Bulgaarse financiële instellingen tot betalings- en afwikkelingssystemen in het eurogebied. Tegelijkertijd werd de Nationale Bank van Bulgarije geïntegreerd in de tenuitvoerlegging van het monetair beleid en de valutatransacties van het Eurosysteem, evenals in gemeenschappelijke analysestructuren, waaronder die voor macro-economische projecties. Samen zorgden deze stappen voor een vlotte overgang op de chartale euro en voor de effectieve deelname van Bulgarije aan het eurogebied vanaf de eerste dag van het lidmaatschap.

De invoering van de euro zal naar verwachting tastbare economische voordelen voor Bulgarije opleveren. Belangrijke verwachte voordelen zijn onder meer een toename van de handel en de buitenlandse directe investeringen, ondersteund door de afschaffing van valutaomrekenkosten, een grotere transparantie en vergelijkbaarheid van de prijzen, een groter vertrouwen van beleggers en een betere toegang tot Europese kapitaalmarkten. Ook zal de economie zal naar verwachting profiteren van lagere financieringskosten als gevolg van een lagere landenrisicopremie en stevig verankerde inflatieverwachtingen. Naast deze effecten levert het lidmaatschap van het eurogebied een belangrijk dividend op het gebied van economische veiligheid en stabiliteit. De deelname van een kleine, sterk geïntegreerde economie versterkt de institutionele geloofwaardigheid, elimineert alle resterende wisselkoersrisico’s ten opzichte van belangrijke handelspartners buiten het eurogebied en verbetert het vermogen om externe verstoringen op te vangen door diepere financiële integratie. Ten slotte stelt de invoering van de euro Bulgarije in staat ten volle deel te nemen aan de besluitvorming in het eurogebied en rechtstreeks bij te dragen aan de vormgeving van het gemeenschappelijk economisch en monetair beleid.

De kosten en risico’s gerelateerd aan de invoering van de euro zijn naar verwachting beperkt en zullen voornamelijk eenmalig zijn. De voornaamste kosten vloeien voort uit de praktische voorbereidingen voor de overgang op de chartale euro en de mogelijkheid van ongerechtvaardigde prijsverhogingen bij de omrekening van prijzen naar eurobedragen. De steun van de bevolking voor de euro in Bulgarije was vóór de overgang relatief gering vanwege bezorgdheid over mogelijke prijsstijgingen. Dit werd ook waargenomen bij landen die eerder zijn overgegaan op de euro, waarbij de steun van de bevolking over het algemeen na de invoering toenam.[18] Om aan deze zorgen tegemoet te komen, hebben de Bulgaarse autoriteiten een uitgebreide reeks maatregelen genomen, waaronder intensievere prijsbewaking en -controles om misbruik te ontmoedigen, en een verplichte dubbele prijsaanduiding gedurende een langere periode van 8 augustus 2025 tot 8 augustus 2026. Volgens de beschikbare schattingen lijkt het effect van de overgang op het algehele prijsniveau beperkt en eenmalig te zijn, grotendeels overeenkomstig de ervaringen bij eerdere overgangen op de euro.[19] Bovendien waren de binnenlandse monetaire omstandigheden in Bulgarije reeds nauw afgestemd op die van het eurogebied vóór de invoering van de euro doordat het land reeds lang een currency board-regeling had met een vaste wisselkoers ten opzichte van de euro. De invoering van de euro vermindert dus niet, maar versterkt de effectieve soevereiniteit van het land door zijn stem in de besluitvorming in het eurogebied te versterken.

Hoewel de invoering van de euro belangrijke kansen biedt, zijn meer beleidsmaatregelen en hervormingen nodig om de voordelen ervan ten volle te benutten. Een prudent, groeivriendelijk begrotingsbeleid, ondersteund door een stevig nationaal begrotingsraamwerk, is van essentieel belang om zowel de macro-economische stabiliteit te waarborgen als de opbouw van onevenwichtigheden te voorkomen. Bovendien is het noodzakelijk om de productiviteitsgroei op peil te houden door middel van voortgezette structurele hervormingen ter ondersteuning van de reële economische convergentie binnen het eurogebied. Met name kan de recente sterke loondynamiek bij krappe arbeidsmarktomstandigheden het concurrentievermogen ondermijnen als deze niet gepaard gaat met duurzame productiviteitsverbeteringen. Bovendien is het versterken van instellingen, het moderniseren van de infrastructuur en het uitbreiden van het aanbod van geschoolde arbeidskrachten, ondersteund door een efficiënt gebruik van EU-middelen, naast een diepere financiële ontwikkeling en meer financiële integriteit, van cruciaal belang om de groei op lange termijn te handhaven, de weerbaarheid te vergroten en de opbouw van macro-economische onevenwichtigheden te voorkomen.

2 Een op data gebaseerde benadering per vergadering om de rentetarieven te bepalen

De Raad van Bestuur verlaagde de drie basisrentetarieven van de ECB in de eerste helft van 2025 viermaal en zette zo een proces voort dat in 2024 was begonnen. De Raad besloot deze verlagingen door te voeren naar aanleiding van consistente aanwijzingen dat de inflatie zich duurzaam ontwikkelde in de richting van de doelstelling van 2% op middellange termijn. De drie basisrentetarieven van de ECB werden met in totaal 100 basispunten verlaagd, waardoor de rente op de depositofaciliteit in juni 2,00% bedroeg. De Raad van Bestuur hanteerde een op data gebaseerde benadering per vergadering, zonder vooraf een bepaald rentetraject vast te leggen. Door het minder restrictieve monetair beleid, in combinatie met een robuuste arbeidsmarkt, stijgende reële inkomens en sterke balansen in de private sector, was de economie van het eurogebied beter bestand tegen mondiale handelsspanningen en geopolitieke onzekerheden.

De balans van het Eurosysteem kromp in 2025 met € 0,1 biljoen tot € 6,3 biljoen tegen het einde van het jaar, waarmee de in 2022 begonnen normalisatie werd voortgezet (zie Paragraaf 2.2). Deze afname was het gevolg van dalingen in de monetairbeleidsportefeuilles, aangezien het Eurosysteem niet langer herbeleggingen verrichte in het kader van zijn programma’s voor de aankoop van activa. Hoewel de overliquiditeit daalde, werd er nog altijd zelden een beroep gedaan op de herfinancieringstransacties van het Eurosysteem, door de nog steeds ruime liquiditeitsvoorwaarden en de relatief lagere kosten van marktfinancieringsalternatieven. De pool van beleenbare activa als onderpand voor herfinancieringstransacties van het Eurosysteem nam toe tot € 20,3 biljoen.

In 2025 versterkte het Eurosysteem zijn risicobeheersingskader om een risico-efficiënte implementatie van het monetair beleid te waarborgen. De wijzigingen hadden voornamelijk betrekking op het onderpandsbeleid en moesten een aanhoudend robuuste aanpak verzekeren bij de beoordeling van de kredietkwaliteit van de onderpandactiva, de berekening van surpluspercentages voor sommige activacategorieën verfijnen en het onderpandskader aanpassen om onzekerheden in verband met de klimaatverandering aan te pakken. Verschillende centrale banken van het Eurosysteem, waaronder de ECB, bleven in 2025 lage of negatieve inkomsten genereren. Het door de ECB geleden verlies zal van toekomstige winsten worden afgeschreven (zie Paragraaf 2.3 en de Jaarstukken van de ECB 2025).

2.1 De Raad van Bestuur verlaagde de drie basisrentetarieven van de ECB met 100 basispunten

Het monetair beleid bleef in 2025 gebaseerd op de vastberadenheid van de Raad van Bestuur om de inflatie duurzaam te laten stabiliseren op de doelstelling van 2% op middellange termijn. De Raad van Bestuur volgde een op data gebaseerde benadering per vergadering om de passende monetairbeleidskoers te bepalen. De Raad legde het traject van de beleidsrente niet van tevoren vast en bleef bereid zijn instrumenten zo nodig aan te passen om zijn mandaat te vervullen en de soepele werking van de monetairbeleidstransmissie te waarborgen.

De basisrentetarieven van de ECB werden in de eerste helft van 2025 verlaagd tegen de achtergrond van aanhoudende tekenen dat de inflatie zich duurzaam in de richting van de doelstelling van 2% bewoog

De rentebesluiten van de Raad waren gebaseerd op zijn beoordeling van de inflatievooruitzichten en de daarmee gepaard gaande risico’s in het licht van de binnenkomende economische en financiële gegevens, naast de dynamiek van de onderliggende inflatie en de kracht van de monetairbeleidstransmissie. Op basis van deze alomvattende beoordeling verwachtte de Raad van Bestuur dat de inflatie op middellange termijn duurzaam de doelstelling van 2% zou benaderen. Daarom zette de Raad de in 2024 begonnen renteverlaging voort. Tussen januari en juni werden de drie basisrentetarieven van de ECB tijdens elke monetairbeleidsvergadering verlaagd, met in totaal 100 basispunten (zie Grafiek 2.1). Na de vergadering van de Raad van Bestuur in juni bleven de rentetarieven voor de depositofaciliteit, de basis-herfinancieringstransacties en de marginale beleningsfaciliteit onveranderd op respectievelijk 2,00%, 2,15% en 2,40%.

Grafiek 2.1

Basisrentetarieven van de ECB

(procenten)

Bron: ECB.
Toelichting: De meest recente waarneming betreft 31 december 2025.

In januari besloot de Raad van Bestuur de rentetarieven met 25 basispunten te verlagen

Tijdens zijn eerste monetairbeleidsvergadering van het jaar oordeelde de Raad van Bestuur dat het desinflatieproces nog altijd op schema lag. Het inflatieverloop stemde overeen met de meest recente door medewerkers opgestelde projecties en zou naar verwachting in de loop van het jaar terugkeren naar de doelstelling van 2% op middellange termijn. De meeste maatstaven van de onderliggende inflatie wezen erop dat de inflatie duurzaam zou terugkeren naar de doelstelling, hoewel de binnenlandse inflatie hoog bleef als gevolg van vertraagde aanpassingen van de lonen en van sommige dienstenprijzen na de eerdere inflatiestijging. Tekenen van een afnemende loongroei en het feit dat de bedrijfswinsten de inflatoire druk temperden, sterkten de Raad van Bestuur nog meer in zijn oordeel dat de desinflatie volgens plan verliep, wat een minder restrictieve monetairbeleidskoers rechtvaardigde. Daarom besloot de Raad om de drie basisrentetarieven van de ECB met 25 basispunten te verlagen.

De Raad van Bestuur merkte op dat het voor bedrijven en huishoudens door de recente renteverlagingen geleidelijk goedkoper werd om nieuwe leningen aan te gaan. De financieringsvoorwaarden bleven echter krap, in overeenstemming met het nog steeds restrictieve monetair beleid. Terwijl de economie van het eurogebied te kampen had met aanhoudende tegenwind, werd verwacht dat de stijgende reële inkomens en de wegebbende impact van eerdere monetairbeleidsrestricties de geleidelijke opleving van de vraag in de loop van de tijd zouden ondersteunen. Niettemin bleven de risico’s voor de groei neerwaarts gericht, met grotere wrijvingen in de wereldhandel en geopolitieke onzekerheden, onder meer door de ongerechtvaardigde oorlog van Rusland tegen Oekraïne en het tragische conflict in het Midden-Oosten, dat de energievoorziening kon verstoren en de wereldhandel verder onder druk kon zetten.

Om duurzame verbeteringen van de economische prestaties te ondersteunen, benadrukte de Raad van Bestuur de rol van begrotings- en het structurele beleid bij het bevorderen van een productiever, concurrerender en veerkrachtiger economie van het eurogebied. De Raad verwelkomde het kompas voor concurrentievermogen van de Europese Commissie en benadrukte dat er, met verdere concrete en ambitieuze structurele beleidsmaatregelen, gevolg moet worden gegeven aan de voorstellen van Mario Draghi om het Europese concurrentievermogen te verbeteren en van Enrico Letta om de interne markt te versterken. De regeringen werden aangespoord om hun beloftes over het EU-kader voor economische governance volledig na te komen en daarbij prioriteit te geven aan groeibevorderende hervormingen en investeringen.

Nadat de herbeleggingen krachtens het pandemie-noodaankoopprogramma (pandemic emergency purchase programme – PEPP) eind 2024 en deze krachtens het programma voor de aankoop van activa (asset purchase programme – APP) al vanaf juli 2023 waren stopgezet, stelde de Raad van Bestuur vast dat de APP- en PEPP-portefeuilles in een gelijkmatig en voorspelbaar tempo afnamen (zie Paragraaf 2.2 over de portefeuilleontwikkelingen). Bovendien hadden de banken de resterende bedragen die waren geleend in het kader van de gerichte langerlopende herfinancieringstransacties (targeted longer-term refinancing operations – TLTRO’s) in december 2024 terugbetaald, waarmee dit deel van de balansnormalisering werd afgesloten.

De Raad van Bestuur verlaagde de rente in maart met nog eens 25 basispunten...

In de door medewerkers van de ECB samengestelde macro-economische projecties voor het eurogebied van maart werd de totale inflatie licht opwaarts bijgesteld. Ze zou in 2025 naar verwachting gemiddeld 2,3% bedragen, voornamelijk als gevolg van de sterker dan verwachte energieprijsdynamiek. Ondanks deze herziening bleven de meeste indicatoren van de onderliggende inflatie erop wijzen dat de inflatie zich duurzaam zou stabiliseren rond de doelstelling van 2% op middellange termijn. Zoals verwacht vertoonde de loongroei tekenen van aanhoudende matiging, terwijl de winsten de inflatoire druk bleven opvangen. Gelet op deze ontwikkelingen besloot de Raad van Bestuur in maart de drie basisrentetarieven van de ECB met nog eens 25 basispunten te verlagen.

De Raad van Bestuur stelde vast dat het monetair beleid aanmerkelijk minder restrictief werd, aangezien de renteverlagingen de leenkosten voor bedrijven en huishoudens drukten en een opleving van de kredietgroei ondersteunden. Over het geheel genomen bleef de kredietverlening echter nog steeds gematigd. De projectie voor de economische groei door de medewerkers voor 2025 werd neerwaarts bijgesteld tot 0,9%, onder invloed van zwakkere uitvoer en gematigde investeringen door de toegenomen handels- en beleidsonzekerheid. De stijgende reële inkomens en de lagere leenkosten waren nog altijd de belangrijkste factoren die naar verwachting gaandeweg een geleidelijk herstel van de vraag zouden ondersteunen, samen met de afnemende remming van de eerdere monetairbeleidsverkrapping.

...en bevestigde opnieuw zijn streven naar een op data gebaseerde aanpak per vergadering, in een context van grote onzekerheid

Door de toenemende onzekerheid herbevestigde de Raad van Bestuur zijn streven om de passende monetairbeleidskoers te bepalen op basis van een op data gebaseerde benadering per vergadering. De Raad benadrukte opnieuw voorafgaand geen specifiek rentetraject vast te leggen en bleef bereid zijn instrumenten zo nodig aan te passen om zijn doelstelling inzake prijsstabiliteit te halen.

De rente werd in april opnieuw verlaagd omdat het vertrouwen in een duurzame terugkeer van de inflatie naar de doelstelling bleef toenemen

Aangezien het vertrouwen in een duurzame terugkeer van de inflatie naar de doelstelling bleef toenemen, besloot de Raad van Bestuur in april de drie basisrentetarieven van de ECB met nog eens 25 basispunten te verlagen. Het desinflatieproces lag nog altijd goed op schema, met een daling van zowel de totale als de kerninflatie in maart. De diensteninflatie was aanzienlijk afgenomen en de meeste maatstaven van de onderliggende inflatie wezen op een duurzame terugkeer van de inflatie naar de doelstelling van de ECB van 2% op middellange termijn. De loongroei bleef verdere tekenen van matiging vertonen, en de winsten bleven het effect van de hoge loongroei op de inflatie gedeeltelijk opvangen, wat bijdroeg tot een afname van de binnenlandse prijsdruk.

De economie van het eurogebied bleek bestand tegen mondiale schokken

De Raad van Bestuur merkte op dat de groeivooruitzichten voor het eurogebied waren verslechterd door de toenemende handelsspanningen. Deze spanningen leidden tot meer onzekerheid en vormden een risico voor het vertrouwen van huishoudens en bedrijven. Bovendien zou de negatieve en volatiele reactie van de markt op de handelsspanningen waarschijnlijk een verkrappende invloed hebben op de financieringsvoorwaarden en de groeivooruitzichten van het eurogebied verder onder druk zetten. Tegelijkertijd was de economie van het eurogebied iets beter bestand geworden tegen mondiale schokken. Er werd verwacht dat een sterke arbeidsmarkt, stijgende reële inkomens en een ondersteunend monetair beleid de uitgaven zouden bevorderen, terwijl nationale en EU-initiatieven op het gebied van defensie-uitgaven en infrastructuurinvesteringen de bedrijvigheid in de verwerkende industrie zouden stimuleren. Gelet op het hoge geopolitieke risico wees de Raad van Bestuur nogmaals op het belang van begrotings- en structureel beleid om het eurogebied productiever en concurrerender te maken, en riep de Raad op om voorstellen ter vereenvoudiging van de regelgevingskaders en ter voltooiing van de spaar- en beleggingsunie snel goed te keuren. In het licht van die uitzonderlijke onzekerheid herhaalde de Raad van Bestuur ook zijn voornemen om de rentetarieven te blijven vaststellen op basis van een op data gebaseerde benadering per vergadering.

Aangezien de inflatie rond de doelstelling van de ECB van 2% op middellange termijn schommelde, werd de rente in juni met nog eens 25 basispunten verlaagd

Naarmate het jaar vorderde, was de Raad van Bestuur er steeds meer van overtuigd dat de inflatiedynamiek in lijn lag met de doelstelling, terwijl de economie zich geleidelijk herstelde. In juni besloot de Raad de drie basisrentetarieven van de ECB met nog eens 25 basispunten te verlagen. De inflatie schommelde toen rond de doelstelling. In de meest recente projecties van medewerkers van het Eurosysteem werd de totale inflatie voor zowel 2025 als 2026 neerwaarts bijgesteld, voornamelijk als gevolg van lagere energieprijzen en een sterkere euro. De projecties voor de inflatie exclusief energie en voedingsmiddelen bleven grotendeels ongewijzigd, waarbij de loongroei duidelijk afnam en bijdroeg tot een duurzame terugkeer van de inflatie naar de doelstelling. De economische groei werd in het eerste kwartaal van het jaar gestimuleerd doordat bedrijven hun uitvoer vervroegden in afwachting van de verwachte tariefverhogingen. De groei werd echter ook gestimuleerd door een sterke binnenlandse vraag.

De Raad van Bestuur merkte op dat de bezorgdheid over het verkrappende effect van de volatiliteit op de financiële markten, die in april werd waargenomen als reactie op handelsspanningen, was afgenomen. Positiever nieuws over het mondiale handelsbeleid en de verbetering van het mondiale risicosentiment hadden aan deze stabilisatie bijgedragen. De kredietvoorwaarden voor bedrijven bleven verbeteren, waarbij de rentetarieven op leningen daalden en de spreads op bedrijfsobligaties kleiner werden, terwijl de aandelenkoersen waren gestegen. Bovendien was de bancaire kredietverlening zowel voor bedrijven als voor huishoudens toegenomen.

Ondanks deze gunstige ontwikkelingen oordeelde de Raad van Bestuur dat de risico’s voor de groei nog steeds neerwaarts gericht waren, als gevolg van de mondiale handelsspanningen en de geopolitieke onzekerheid. De Raad beklemtoonde echter dat de gunstige financieringsvoorwaarden en de toegenomen overheidsinvesteringen de veerkracht op middellange termijn wellicht zouden ondersteunen. De inflatievooruitzichten waren onzekerder dan gewoonlijk en weerspiegelden de volatiele wereldhandel, die tweezijdige risico’s met zich meebracht. De Raad van Bestuur waarschuwde er in het bijzonder voor dat de inflatie lager zou kunnen uitvallen als hogere invoerheffingen de vraag naar uitvoer uit het eurogebied zouden doen afnemen en landen met overcapaciteit ertoe aan zouden zetten hun uitvoer te verleggen naar het eurogebied. Er werd van uitgegaan dat handelsspanningen kunnen leiden tot sterkere volatiliteit en risicoaversie op de financiële markten, wat de binnenlandse vraag zou drukken en ook de inflatie zou doen afnemen. De inflatie zou dan weer hoger kunnen zijn als een versnippering van de mondiale aanbodketens de invoerprijzen zou opdrijven en de capaciteitsbelemmeringen in de binnenlandse economie zou vergroten.

In juli besloot de Raad van Bestuur de rentetarieven ongewijzigd te laten

Aan het begin van de tweede helft van het jaar, in juli, besloot de Raad van Bestuur de rentetarieven ongewijzigd te laten. De inflatie kwam uit op de doelstelling van de ECB van 2% op middellange termijn, waarbij de binnenkomende gegevens grotendeels overeenkwamen met de eerdere beoordeling van de inflatievooruitzichten door de Raad van Bestuur. De binnenlandse prijsdruk nam verder af naarmate de loongroei verminderde. Ondanks de moeilijke mondiale omstandigheden bleef de economie van het eurogebied over het geheel genomen veerkrachtig, ondersteund door robuuste arbeidsmarktomstandigheden, stijgende reële inkomens en gunstige financieringsvoorwaarden. Het besluit om de rente stabiel te houden, weerspiegelde het toenemende vertrouwen van de Raad van Bestuur dat de rentetarieven een peil hadden bereikt dat geschikt was om de inflatie duurzaam in de buurt van de doelstelling te brengen.

De Raad van Bestuur hield ook in september de rentetarieven onveranderd...

Tegenover een soortgelijke situatie als in juli besloot de Raad van Bestuur in september de rentetarieven opnieuw onveranderd te laten. Volgens de geactualiseerde projecties van medewerkers van de ECB zou de totale inflatie in 2025 gemiddeld 2,1% bedragen, wat iets hoger is dan eerder voorspeld, in 2026 dalen tot 1,7% en in 2027 uitkomen op 1,9%. De groeiprognose voor 2025 werd opwaarts bijgesteld tot 1,2%, als gevolg van een sterker dan verwachte binnenlandse vraag, terwijl de prognose voor 2026 licht werd verlaagd, aangezien er werd verwacht dat de aanhoudende mondiale onzekerheid de economische bedrijvigheid zou drukken. In het besluit van september werd de nadruk gelegd op de op data gebaseerde aanpak van de Raad van Bestuur om per vergadering de rentetarieven vast te stellen, gelet op de aanhoudende mondiale onzekerheid.

... omdat de economie in de eerste helft van 2025 sterker dan verwacht was gebleven

De economische bedrijvigheid groeide in de eerste helft van 2025 in totaal met 0,7%, dankzij robuuste consumptieve bestedingen en investeringen. Er werd verwacht dat de tegenwind als gevolg van hogere heffingen, mondiale concurrentie en een sterkere euro de groei de rest van het jaar zou drukken. Deze effecten zouden in 2026 echter wegebben, waarbij de consumptieve bestedingen en de bedrijfsinvesteringen zouden profiteren van soepelere financieringsvoorwaarden en een aanhoudend sterke arbeidsmarkt. De inflatie bleef stabiel en dicht bij de doelstelling van de ECB. De binnenlandse prijsdruk bleef afnemen door de vertragende loongroei en productiviteitsverbeteringen, die bijdroegen tot de tragere groei van de arbeidskosten.

De Raad van Bestuur oordeelde dat de risico’s voor de groei evenwichtiger waren dan eerder in het jaar. Hoewel de handelsspanningen en de geopolitieke onzekerheden aanhielden, verminderden de recente handelsovereenkomsten een aantal van de risico’s die de mondiale vraag en het vertrouwen drukten. De hoger dan verwachte uitgaven voor defensie en infrastructuur, in combinatie met hervormingen om de productiviteit te verhogen, zouden de groei op middellange termijn extra ondersteunen. Tegelijkertijd bleef de Raad van Bestuur de inflatievooruitzichten als onzekerder dan gewoonlijk beschouwen, om dezelfde redenen als tijdens de voorgaande vergaderingen.

De Raad van Bestuur liet de rentetarieven onveranderd in oktober

In oktober hield de Raad van Bestuur zijn jaarlijkse externe vergadering buiten Frankfurt, bij de Banca d’Italia in Florence. De Raad besloot de rentetarieven opnieuw ongewijzigd te laten, aangezien de inflatie dicht bij de doelstelling van 2% bleef en de beoordeling van de inflatievooruitzichten grotendeels onveranderd bleef.

De economische bedrijvigheid was in het derde kwartaal licht toegenomen onder impuls van een sterke dienstensector, met name in de onderdelen toerisme en digitale diensten, die de zwakte compenseerde in de verwerkende nijverheid, waar de hogere heffingen en de mondiale concurrentie nog steeds ongunstige gevolgen hadden. De binnenlandse vraag zou naar verwachting veerkrachtig blijven, waarbij de consumptieve bestedingen zouden worden ondersteund door stijgende reële inkomens, overheidsinvesteringen in infrastructuur en defensie, en gunstige financieringsvoorwaarden. Door een afnemende goederenuitvoer en aanhoudende handelsonzekerheid stond de buitenlandse vraag echter voor uitdagingen. De inflatie op jaarbasis was licht gestegen tot 2,2% in september, voornamelijk als gevolg van de volatiliteit van de energieprijzen. Terzelfder tijd werd verwacht dat de loonmatiging en productiviteitsverbeteringen de binnenlandse prijsdruk zouden blijven verlichten, en bleven de inflatieverwachtingen op langere termijn stevig verankerd.

De Raad van Bestuur besloot om de volgende fase van het project voor de digitale euro op te starten

De Raad van Bestuur herhaalde vastbesloten te zijn om retail en wholesale voor te bereiden op centralebankgeld met het oog op het digitale tijdperk. In dit verband besloot de Raad om de volgende fase van het project voor de digitale euro in te luiden, om zo technisch paraat te zijn voor potentiële uitgifte zodra de wetgeving was aangenomen en de digitale soevereiniteit van Europa te ondersteunen (zie Kader 4).

De Raad van Bestuur besloot ook tijdens de laatste vergadering van 2025 de rentetarieven onveranderd te laten

De Raad van Bestuur sloot het jaar af met een nieuw besluit om de rentetarieven ongewijzigd te laten. Volgens de door medewerkers van het Eurosysteem samengestelde projecties van december bedroeg de inflatie gemiddeld 2,1% in 2025, 1,9% in 2026, 1,8% in 2027 en 2,0% in 2028. De inflatie voor 2026 werd naar boven bijgesteld, vooral omdat medewerkers verwachtten dat de diensteninflatie trager zou dalen dan in eerdere projecties werd verwacht. Het enigszins hogere verwachte inflatieverloop in vergelijking met de projecties van september en de voorspelde terugkeer naar de doelstelling tegen 2028 versterkten de argumenten om de beleidsrente ongewijzigd te laten. Bovendien bleef de economie van het eurogebied veerkrachtig dankzij robuuste arbeidsmarkten, stijgende reële inkomens en overheidsuitgaven, ondanks uitdagingen in verband met de mondiale handel en geopolitieke spanningen.

De kredietvoorwaarden in de economie bleven over het algemeen stabiel, terwijl de banken in het eurogebied veerkrachtig bleven, ondersteund door sterke kapitaal- en liquiditeitsratio’s, een sterke activakwaliteit en robuuste winstgevendheid. Geopolitieke onzekerheid en de mogelijkheid van een plotselinge herprijzing op de mondiale financiële markten werden beschouwd als risico’s voor de financiële stabiliteit in het eurogebied, en de Raad van Bestuur herhaalde dat het macroprudentieel beleid de eerste verdedigingslinie bleef tegen de opbouw van financiële kwetsbaarheden, waardoor de veerkracht werd versterkt en de macroprudentiële ruimte behouden bleef.

De Raad van Bestuur bevestigde nogmaals zijn streven naar een op data gebaseerde benadering per vergadering om de passende monetairbeleidskoers te bepalen.

2.2 De balans van het Eurosysteem normaliseerde verder

De balans van het Eurosysteem kromp geleidelijk naarmate de effecten in de monetairbeleidsportefeuilles afnamen

In 2025 zette de balans van het Eurosysteem de geleidelijke normalisering voort die in 2022 was ingezet. Tegen het einde van het jaar was ze gedaald tot € 6,3 biljoen (van € 6,4 biljoen eind 2024). Deze daling was voornamelijk het gevolg van de aanhoudende daling van de aangehouden effecten in de APP- en PEPP-portefeuilles.

Eind 2025 bedroegen de voor monetairbeleidsdoeleinden aangehouden effecten € 3,7 biljoen, een daling met € 0,5 biljoen ten opzichte van eind 2024. Deze effecten vertegenwoordigden 60% van de totale activa, tegen 67% een jaar eerder. De leningen aan kredietinstellingen van het eurogebied in het kader van de herfinancieringstransacties van het Eurosysteem bleven beperkt en kwamen uit op ongeveer € 37 miljard, tegen € 34 miljard eind 2024. De overige financiële activa op de balans (vreemde valuta's, goud en in euro luidende effecten in niet-monetairbeleidsportefeuilles) stegen dan weer met € 0,4 biljoen. Deze toename was vooral toe te schrijven aan de stijging van de goudprijs.

Aan de passiefzijde liep het totale bedrag van de door kredietinstellingen aangehouden reserves (met inbegrip van hun beroep op de depositofaciliteit) terug van € 3,0 biljoen eind 2024 tot € 2,6 biljoen eind 2025. Dat bedrag vertegenwoordigde 41% van de totale passiva, tegen 47% het voorgaande jaar. De bankbiljetten in omloop bleven vrijwel onveranderd op € 1,6 biljoen en vertegenwoordigden 26% van de totale passiva, tegen 25% een jaar eerder. De overige passiva, waaronder overheidsdeposito’s, overige niet-monetairbeleidsdeposito’s, herwaarderingsrekeningen en kapitaal en reserves, stegen met € 0,2 biljoen.

Grafiek 2.2

Verloop van de geconsolideerde balans van het Eurosysteem

(EUR miljard)

Bron: ECB.
Toelichting: Positieve cijfers hebben betrekking op activa, negatieve op passiva. De lijn voor liquiditeitsoverschotten wordt als een positieve waarde voorgesteld, hoewel die lijn verwijst naar de som van de volgende passiefposten: rekening-couranttegoeden bovenop de reserveverplichtingen en beroep op de depositofaciliteit.

APP- en PEPP-portefeuilleontwikkelingen

De passieve vermindering van de effecten zorgde voor een soepele en voorspelbare daling van de overreserves, zonder nadelige gevolgen voor de marktwerking

De monetairbeleidsportefeuilles van het Eurosysteem bleven dalen in 2025, in overeenstemming met de besluiten van de Raad van Bestuur. Nadat de herbeleggingen in het kader van het APP vanaf juli 2023 en deze in het kader van het PEPP eind 2024 waren stopgezet, was 2025 het eerste jaar sinds de start van de programma’s waarin het Eurosysteem geen met het monetair verband houdende activa aankocht.

De aflossingen in het kader van het APP bedroegen € 351,4 miljard, waardoor de in het kader van de portefeuille aangehouden effecten tegen het einde van het jaar daalden tot € 2,3 biljoen (tegen geamortiseerde kostprijs). Het aankoopprogramma voor door de publieke sector uitgegeven schuldbewijzen (public sector purchase programme – PSPP) maakte het grootste bedrag aan op vervaldag gekomen effecten uit, waardoor de in het kader van het PSPP aangehouden effecten daalden tot € 1,9 biljoen, ofwel 80% van de APP-portefeuille. De gewogen gemiddelde looptijd van de krachtens het PSPP aangehouden effecten bleef vrijwel ongewijzigd op 6,8 jaar aan het einde van 2025. Effecten op onderpand van activa vertegenwoordigden minder dan 1% (€ 3 miljard) van de APP-portefeuille, terwijl gedekte obligaties 9% (€ 210 miljard) en bedrijfsobligaties 11% (€ 249 miljard) uitmaakten.

In het kader van het PEPP bedroegen de aflossingen van de hoofdsom in 2025 € 185,9 miljard, waardoor de in het kader van de portefeuille aangehouden effecten tegen het einde van het jaar daalden tot € 1,4 biljoen (tegen geamortiseerde kostprijs). De effecten van de overheidssector vertegenwoordigden aan het einde van het jaar 97% van de PEPP-portefeuille (€ 1,4 biljoen), met een gewogen gemiddelde looptijd van 7,0 jaar. De effecten van de bedrijvensector waren goed voor 3% (€ 41 miljard), terwijl de gedekte obligaties minder dan 1% beliepen (€ 5 miljard). Het transparante publicatieschema voor PEPP-aflossingen, dat in januari werd ingevoerd, ondersteunde de ordelijke afbouw van de aangehouden effecten. In het schema werden de PEPP-gegevenspublicaties, met inbegrip van retrospectieve en toekomstgerichte aflossingsprofielen, afgestemd op die van het APP, waardoor de consistentie en voorspelbaarheid tussen de twee portefeuilles werden gewaarborgd.

De gecombineerde krachtens het APP en het PEPP aangehouden effecten daalden in 2025 met € 537,3 miljard, waardoor de totale portefeuille voor monetairbeleidseffecten aan het einde van het jaar op € 3,7 biljoen uitkwam. De volledige overgang van het Eurosysteem naar een passieve balansafbouw verliep het hele jaar lang soepel, zonder tekenen van negatieve effecten op de marktwerking. De liquiditeitsvoorwaarden bleven ordelijk, de repomarkten werkten efficiënt en de beleggers uit de private sector gaven nog altijd blijk van een gestage vraag naar in het eurogebied uitgegeven schuldbewijzen.

Al met al bevestigen de ontwikkelingen in 2025 dat de afbouw van de in het kader van de monetairbeleidsportefeuille aangehouden effecten vordert zoals verwacht. De passieve afbouw vormde een stabiele basis voor de voortgaande normalisering van de balans van het Eurosysteem. Dankzij deze benadering werd een soepele en transparante overgang naar een lager niveau van overreserves mogelijk en werden tegelijkertijd stabiele marktomstandigheden behouden.

Ontwikkelingen van de herfinancieringstransacties van het Eurosysteem

De deelname aan herfinancieringstransacties bleef historisch laag

Het uitstaande bedrag van de herfinancieringstransacties van het Eurosysteem beliep eind 2025 € 36,7 miljard, dat is een lichte stijging met € 2,5 miljard ten opzichte van eind 2024. Er werd nog altijd weinig gebruikgemaakt van deze transacties, als gevolg van aanzienlijke overliquiditeit en de hogere kosten van financiering door het Eurosysteem in vergelijking met alternatieven vanuit de markt. Aan het einde van het jaar bedroegen de uitstaande bedragen van de basisherfinancieringstransacties en de driemaands langerlopende herfinancieringstransacties respectievelijk € 25,0 miljard en € 11,7 miljard. In december verzocht de ECB de banken om ten minste eenmaal per jaar hun toegang tot de basisherfinancieringstransacties en/of de driemaands langerlopende herfinancieringstransacties te testen, met een inschrijvingsbedrag naar eigen goeddunken en met onderpand in overeenstemming met het algemene onderpandskader van het Eurosysteem.[20]

De ontwikkelingen van de in aanmerking komende verhandelbare activa en het gemobiliseerde onderpand

Beleenbaar en gemobiliseerd onderpand bleef toenemen, waarbij effecten van de centrale overheid de belangrijkste bijdrage leverden

De nominale waarde van de verhandelbare activa die in aanmerking komen als onderpand voor herfinancieringstransacties van het Eurosysteem steeg in 2025 met € 939 miljard, tot € 20,3 biljoen aan het einde van het jaar (Grafiek 2.3). De stijging van het beleenbaar onderpand werd voornamelijk veroorzaakt door een grotere uitgifte van overheidsobligaties. Effecten van de centrale overheid bleven de grootste activacategorie (€ 10,9 biljoen). Andere belangrijke activacategorieën omvatten ongedekte bankobligaties (€ 2,3 biljoen), bedrijfsobligaties (€ 2,1 biljoen) en gedekte bankobligaties (€ 2,0 biljoen). Daarentegen vertegenwoordigden activacategorieën zoals effecten van de regionale overheid (€ 688 miljard), effecten op onderpand van activa (€ 669 miljard) en overige verhandelbare activa (€ 1,7 biljoen) elk een kleiner deel van het volume beleenbare activa.

Grafiek 2.3

Ontwikkelingen van de in aanmerking komende verhandelbare activa

(EUR biljoen)

Bron: ECB.
Toelichting: De waarden van de activa zijn nominale bedragen. In de grafiek worden gemiddelden van de eindemaandgegevens per kwartaal weergegeven.

Het gemobiliseerde onderpand steeg in 2025 met € 53 miljard tot € 1,6 biljoen aan het einde van het jaar (Grafiek 2.4). Tegelijkertijd bleef het volume van de herfinancieringstransacties van het Eurosysteem het hele jaar door laag, wat leidde tot een historisch lage verhouding tussen het uitstaande krediet van het Eurosysteem en het totale bedrag van het gemobiliseerde onderpand, die aan het einde van het jaar slechts 1,4% bedroeg. Gedekte bankobligaties, kredietvorderingen en effecten op onderpand van activa bleven de meest gemobiliseerde activacategorieën. De mobilisatie van effecten op onderpand van activa nam in 2025 licht toe, terwijl deze het sterkst daalde bij de kredietvorderingen. Het monetairbeleidskader van het Eurosysteem onderging in 2025 een aantal wijzigingen met betrekking tot de kredietbeoordeling en de risicobeheersingskaders voor activa die in aanmerking komen om als onderpand te worden gemobiliseerd (zie Paragraaf 2.3).

Grafiek 2.4

Ontwikkelingen van het gemobiliseerde onderpand

(EUR miljard)

Bron: ECB.
Toelichting: Voor het onderpand worden de gemiddelden van de eindemaandgegevens voor elk kwartaal weergegeven; het gaat om waarden na waardering en haircuts. Voor het uitstaande krediet worden daggegevens gebruikt.

2.3 Het Eurosysteem bleef zijn kader voor het beheer van financiële risico’s versterken

Het Eurosysteem beheert voortdurend de financiële risico’s die gepaard gaan met de tenuitvoerlegging van zijn monetairbeleidstransacties. Zijn risicobeheerfunctie streeft risico-efficiëntie na, waarbij het nemen van risico’s wordt beperkt tot het niveau dat nodig is om zijn monetairbeleidsdoelstellingen te halen.

De belangrijkste veranderingen in het risicobeheersingskader van het Eurosysteem in 2025 hadden betrekking op het onderpandsbeleid en bestonden uit: 1) wijzigingen in het gebruik van externe ratings voor de beoordeling van de kredietkwaliteit van bepaalde onderpandactiva, 2) gerichte verbeteringen van het risicobeheersingskader voor specifieke onderpandactiva, 3) de invoering van een “klimaatfactor” bij de waardering van sommige gemobiliseerde onderpandactiva om onzekerheden in verband met de klimaatverandering in aanmerking te nemen, 4) en de opname van klimaatrisico’s in ratings die worden gegeven door de interne kredietbeoordelingssystemen (in-house credit assessment systems – ICAS) van nationale centrale banken. De risico’s in verband met de APP- en PEPP-portefeuilles werden nog steeds overeenkomstig de bestaande risicobeheersingskaders beheerst.

Verschillende centrale banken van het Eurosysteem bleven verliezen lijden, ondanks lagere rentelasten

Verschillende centrale banken van het Eurosysteem, waaronder de ECB, bleven in 2025 lage of negatieve nettowinsten genereren. Terwijl de basisrentetarieven van de ECB werden verlaagd, overtroffen de kosten van de passiva op de balansen van de meeste centrale banken van het Eurosysteem de inkomsten uit hun APP- en PEPP-effectenportefeuilles, wat leidde tot negatieve nettorentebaten. Daarnaast had de depreciatie van vreemde valuta’s ten opzichte van de euro negatieve gevolgen voor de portefeuille van deviezenreserves van sommige centrale banken. Dergelijke verliezen hebben geen invloed op het vermogen van het Eurosysteem om zijn doelstelling van prijsstabiliteit na te streven en doeltreffend te werken. Als een centrale bank negatieve resultaten genereert, kan ze deze compenseren met de in voorgaande jaren opgebouwde financiële buffers of deze op haar balans boeken om ze te compenseren met toekomstige winsten. Bovendien verbeterde de financiële veerkracht van het Eurosysteem sterk dankzij een aanzienlijke toename van zijn financiële buffers, als gevolg van hogere herwaarderingsrekeningen, met name in verband met de goudvoorraad.

Wijzigingen in het kader voor het beheer van financiële risico’s van het Eurosysteem

Volgens nieuwe regels zullen de op een na beste ratings de beleenbaarheid van onderpand en de haircuts bepalen voor activa van de private sector en activa van de overheidssector buiten het eurogebied

Het kader voor het beheer van financiële risico’s van het Eurosysteem werd in 2025 meermaals gewijzigd.

Ten eerste besloot de Raad van Bestuur in februari 2025 de regels voor het gebruik van externe kredietratings voor activa van de private sector aan te passen, waarvan de invoering niet eerder dan 18 maanden na de datum van aankondiging gepland staat. De wijziging betreft ratings van externe kredietbeoordelingsinstellingen (EKBI’s) voor activa van de private sector, zoals ongedekte bankobligaties, gedekte bankobligaties en door niet-financiële ondernemingen uitgegeven activa, en omvat ook activa van de overheidssector van buiten het eurogebied die kunnen worden gebruikt als onderpand in de monetairbeleidstransacties van het Eurosysteem. Zodra de wijziging is doorgevoerd, zal de op een na beste van de ratings die voor dergelijke activa zijn afgegeven door aanvaarde EKBI’s, worden gebruikt om de beleenbaarheid ervan te bepalen, evenals de toepasselijke haircuts op de waardering ervan. De gewijzigde regels benutten de beschikbare informatie over externe kredietbeoordelingen beter. Voor activa met slechts één kredietrating van aanvaarde EKBI’s wordt een verlaging met één notch toegepast op de beschikbare kredietrating om de voor onderpandsdoeleinden relevante rating te bepalen. Activa die worden uitgegeven of gewaarborgd door overheden van het eurogebied (zoals centrale, regionale en lokale overheden van het eurogebied, internationale en supranationale uitgevers in het eurogebied waarvan de aandeelhouders in de EU zijn gevestigd, en door de ECB erkende agentschappen) zullen verder worden beoordeeld volgens de regel van de beste beschikbare ratings. Voor deze activa maakt het Eurosysteem regelmatig gebruik van alle beschikbare informatie over de kredietkwaliteit en past het verscherpte zorgvuldigheidsprocedures toe. Voor effecten op onderpand van activa zal de al bestaande regel van de op een na beste rating ongewijzigd blijven.

Een herziening van het risicobeheersingskader leidde tot een verbeterde haircutmethodologie

Ten tweede heeft het Eurosysteem in 2025 zijn risicobeheersingskader voor krediettransacties tegen onderpand beoordeeld. Het Eurosysteem past risicobeheersingsmaatregelen toe op de activa die ten grondslag liggen aan zijn krediettransacties. Zo beschermt het zich tegen financiële verliezen als de activa moeten worden verkocht nadat een tegenpartij in gebreke blijft. De beoordeling moest ervoor zorgen dat het raamwerk beschermend, consistent en risicogelijkwaardig bleef voor alle activacategorieën. Eén risicobeheersingsmaatregel bestaat uit haircuts op de waardering, waardoor het bedrag afneemt dat in het kader van krediettransacties binnen het monetair beleid kan worden geleend voor een bepaalde onderpandswaarde. Na de evaluatie besloot het Eurosysteem de haircutmethodologie gericht aan te passen, met bijzondere aandacht voor eigen gebruikte gedekte obligaties, aangehouden effecten op onderpand van activa voor eigen gebruik en individuele kredietvorderingen. De uitvoering van deze wijzigingen is gepland voor ten vroegste november 2026.

Een “klimaatfactor” bij de waardering van onderpand zal helpen om onzekerheden in verband met de klimaatverandering aan te pakken

Ten derde heeft de Raad van Bestuur, als onderdeel van zijn inspanningen om klimaatrisico’s aan te pakken, in juli besloten een “klimaatfactor” in het onderpandskader op te nemen. De klimaatfactor, die volgens de planning vanaf 15 juni 2026 zal worden toegepast, kan de waarde verminderen van bepaalde verhandelbare activa die in onderpand zijn gegeven, afhankelijk van de mate waarin ze zijn blootgesteld aan onzekerheden in verband met de klimaatverandering. De bedoeling is om een buffer te creëren tegen de potentiële financiële gevolgen van klimaattransitieschokken. Deze maatregel zal het bestaande risicobeheersingskader van het Eurosysteem aanvullen met toekomstgerichte analyses van klimaatscenario’s en op die manier de uitvoering van het monetair beleid door het Eurosysteem veerkrachtiger maken. De klimaatfactor zal gericht zijn op verhandelbare activa die worden uitgegeven door niet-financiële ondernemingen en hun verbonden entiteiten en zal zodanig worden gekalibreerd dat er ook voldoende onderpand beschikbaar blijft. De Raad van Bestuur zal de klimaatfactor regelmatig beoordelen, met inbegrip van de reikwijdte en de kalibratie ervan. Door de onzekerheden in verband met ongunstige gebeurtenissen voor de groene transitie aan te pakken, zal het Eurosysteem beter in staat zijn om klimaatgerelateerde financiële risico’s te beperken.

Klimaatrisico's opgenomen in interne kredietbeoordelingssystemen

In 2025 werd in alle kredietbeoordelingen van ICAS's rekening gehouden met klimaatrisico’s, in overeenstemming met de gemeenschappelijke normen van het Eurosysteem die eind 2024 werden ingevoerd. Nadat de ECB in juli 2021 haar klimaatactieplan had aangekondigd, bereikte het Eurosysteem in 2022 overeenstemming over een reeks gemeenschappelijke minimumnormen voor de manier waarop ICAS’s klimaatrisico’s in hun ratings moeten opnemen. ICAS’s zijn een belangrijke bron van kredietrisicobeoordelingen voor kredietvorderingen. De gemeenschappelijke normen vereisen dat ICAS-ratingprocessen een onderscheid maken tussen transitie- en fysieke risico’s en ook rekening houden met de verschillende transmissiekanalen voor klimaatrisico’s. Klimaatrisico’s worden door ICAS's op bedrijfsniveau beoordeeld als er voldoende en betrouwbare gegevens beschikbaar zijn, om vast te stellen of en in welke mate klimaatrisico’s de kredietwaardigheid van beoordeelde niet-financiële ondernemingen beïnvloeden.

Het beheer van de risico’s van de aangehouden activa in de APP- en PEPP-portefeuilles

De risico’s van het APP en het PEPP worden beheerd volgens de eerder vastgestelde kaders

De APP- en PEPP-portefeuilles namen in 2025 in een geleidelijk en voorspelbaar tempo af, nadat het Eurosysteem de herbeleggingen in deze portefeuilles had stopgezet. De financiële risico’s van deze programma’s worden nog steeds beheerd op basis van de eerder vastgestelde risicobeheersingskaders. Beide programma’s bestaan uit verschillende activacategorieën, namelijk schuldbewijzen door de overheid en bedrijven, effecten op onderpand van activa en gedekte obligaties. De risicokaders houden rekening met de beleidsdoelstellingen van elk programma en de risicoprofielen van de verschillende activacategorieën ervan. Ze bestaan uit toelaatbaarheidscriteria, kredietrisicobeoordelingen en zorgvuldigheidsprocedures, waarderingskaders, benchmarks en limieten.

Kader 2
De beoordeling van de monetairbeleidsstrategie van 2025

Op 30 juni 2025 maakte de Raad van Bestuur de uitkomsten bekend van de beoordeling van de monetairbeleidsstrategie van de ECB, die werd uitgevoerd om ervoor te zorgen dat de strategie geschikt blijft voor het beoogde doel. Deze beoordeling volgde op de evaluatie van de strategie van 2021, in overeenstemming met de belofte van de ECB om regelmatig dergelijke evaluaties uit te voeren. De beoordeling van 2025 was beperkter dan de vorige evaluatie, die een volwaardige herziening van het monetairbeleidskader van de ECB inhield. Ze beoogde met name lessen te trekken uit de grote verandering in de inflatieomgeving die in de tussentijd had plaatsgevonden en uit de monetairbeleidsmaatregelen die in die periode waren genomen.

De strategiebeoordeling was het resultaat van een samenwerking tussen de ECB en de nationale centrale banken van het Eurosysteem. Het proces bestond uit twee afzonderlijke werkstromen, elk gericht op specifieke aspecten van de strategie en ondersteund door aanzienlijke analytische en technische middelen die door medewerkers uit het Eurosysteem ter beschikking werden gesteld. De inzichten uit elk van deze werkstromen werden gepubliceerd als ECB Occasional Papers.

Belangrijkste bevindingen

In de beoordeling van 2025 werd de symmetrische inflatiedoelstelling van 2% op middellange termijn bevestigd als de hoeksteen van de monetairbeleidsstrategie van de ECB. Om de symmetrie te handhaven, erkende de Raad van Bestuur het belang van passend krachtige of standvastige monetairbeleidsmaatregelen in reactie op grote, aanhoudende afwijkingen van de inflatie in beide richtingen ten opzichte van de doelstelling. Dat is noodzakelijk om te voorkomen dat deze afwijkingen zich in de inflatie nestelen via op drift geraakte verwachtingen.

In de beoordeling werd verder benadrukt dat rekening moet worden gehouden met aanhoudende structurele verschuivingen, zoals geopolitieke en economische versnippering, demografische veranderingen, digitalisering en het toenemende gebruik van artificiële intelligentie, de bedreiging van de ecologische duurzaamheid en veranderingen in het internationale financiële stelsel. Deze ontwikkelingen wijzen erop dat de inflatieomgeving onzeker en mogelijk volatieler zal blijven, wat uitdagingen met zich meebrengt voor het monetair beleid. In dit verband benadrukte de Raad van Bestuur het belang van monetairbeleidsbeslissingen waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met het meest waarschijnlijke verloop van de inflatie en de economie, maar ook met de aanverwante risico’s en onzekerheid, onder meer door passend gebruik te maken van scenario- en gevoeligheidsanalyses. In overeenstemming met de evaluatie van 2021 bevestigde de Raad van Bestuur bij zijn monetairbeleidsbesprekingen rekening te zullen houden met de financiële stabiliteit. De Raad bevestigde ook om er binnen zijn mandaat voor te zorgen dat het Eurosysteem ten volle rekening houdt met de gevolgen van klimaatverandering voor het monetair beleid, en breidde de reikwijdte uit naar de aantasting van de natuur. De Raad van Bestuur herhaalde het belang van duidelijke en transparante communicatie over monetairbeleidsbeslissingen om het inzicht en vertrouwen van het publiek in de maatregelen van de ECB te ondersteunen.

De beoordeling bevestigde opnieuw dat de reeks beleidsrentes van de ECB het voornaamste monetairbeleidsinstrument is. Alle andere monetairbeleidsinstrumenten waarover de ECB momenteel beschikt, zoals langerlopende herfinancieringstransacties, aankopen van activa, negatieve rentetarieven en forward guidance, blijven eveneens deel uitmaken van het instrumentarium. Ze kunnen zo nodig worden ingezet om de monetairbeleidskoers te sturen als de beleidsrente dicht bij de effectieve ondergrens ligt of om de soepele werking van de monetairbeleidstransmissie te handhaven. De keuze, het ontwerp en de uitvoering van instrumenten zullen een flexibele reactie op nieuwe schokken mogelijk maken en de evenredigheid ervan zal uitvoerig worden beoordeeld. De Raad van Bestuur zal flexibel blijven reageren op nieuwe uitdagingen wanneer deze zich voordoen en zal indien nodig nieuwe beleidsinstrumenten overwegen om zijn prijsstabiliteitsdoelstelling te verwezenlijken.

De Raad van Bestuur besloot dat de geactualiseerde monetairbeleidsstrategie van de ECB in staat is om prijsstabiliteit te waarborgen in het licht van veranderende uitdagingen. De strategie is gericht op de middellange termijn, wat de nodige flexibiliteit biedt om afhankelijk van de context en op basis van oorsprong, omvang en hardnekkigheid te reageren op een afwijking van de inflatie ten opzichte van de doelstelling en terzelfder tijd verankerde inflatieverwachtingen te handhaven. Deze flexibiliteit is met name waardevol in het huidige klimaat van verhoogde onzekerheid, die wordt gekenmerkt door geopolitieke spanningen, handelsfragmentatie en volatiele energieprijzen.

De Raad van Bestuur plant zijn strategie regelmatig te beoordelen. De volgende beoordeling wordt in 2030 verwacht. Op die manier blijft het Eurosysteem flexibel en kan het inspelen op structurele veranderingen, zodat het zijn mandaat inzake prijsstabiliteit doeltreffend kan uitvoeren.

3 Europese financiële sector: omgaan met toegenomen geopolitieke en marktrisico’s in een context van structurele uitdagingen

In 2025 bleven de risico’s voor de financiële stabiliteit in het eurogebied nog altijd verhoogd in een context van toegenomen geopolitieke spanningen, handelsfragmentatie en grotere onzekerheid over het mondiale beleid. Tariefschokken en een zwakkere buitenlandse vraag drukten de winstgevendheid van de bedrijven en verhoogden het kredietrisico. Overheden bleven kwetsbaar door hoge schuldniveaus, het vooruitzicht van hogere defensie-uitgaven en investeringsbehoeften, en door overloopeffecten als gevolg van bezorgdheid over de mondiale begrotingshoudbaarheid. Banken bleven zich doorgaans veerkrachtig tonen dankzij de sterke kapitalisatie en winstgevendheid ervan, ondanks het toenemende krediet- en marktrisico en de aanhoudende kwetsbaarheden in de niet-bancaire financiële bemiddeling (non-bank financial intermediation – NBFI) als gevolg van hefboomwerking, liquiditeitsmismatches en onderlinge verwevenheid. Ondanks deze onderliggende kwetsbaarheden bleef de NBFI-sector over het algemeen ook veerkrachtig. Het macroprudentieel beleid was gericht op het behoud van de veerkracht door kapitaalbuffers en maatregelen voor kredietnemers te handhaven en in sommige gevallen te versterken. Voor het microprudentieel toezicht werd vooruitgang geboekt op het gebied van vereenvoudiging, digitale operationele veerkracht en de integratie van klimaat- en natuurgerelateerde risico’s in de toezichtsagenda, terwijl stresstests de robuustheid van de banken bevestigden. In de loop van het jaar werkte de ECB ook aan voorstellen om de Europese regelgevings-, toezichts- en rapportagekaders te vereenvoudigen. Er werd op wetgevend vlak vooruitgang geboekt met onder meer de uitvoering van de laatste Bazel III-hervormingen, de hervorming van het EU-kader voor crisisbeheersing en depositoverzekering en de stappen naar de spaar- en investeringsunie.

3.1 De financiële stabiliteit in 2025

Toegenomen onzekerheid en handelsspanningen drukten de financiële stabiliteit in het eurogebied

De kwetsbaarheden voor de financiële stabiliteit in het eurogebied bleven in 2025 groot, tegen een achtergrond van verhoogde geopolitieke spanningen en toenemende bezorgdheid over geo-economische fragmentatie. De onzekerheid over het mondiale economische beleid nam toe, grotendeels door veranderingen in het Amerikaanse handelsklimaat en regelgevings- en begrotingsbeleid, alsook door bezorgdheid over een bredere terugtrekking uit het multilateralisme. De aankondiging begin april 2025 van hoger dan verwachte Amerikaanse invoerheffingen leidde tot een sterke piek in de marktvolatiliteit in alle activacategorieën en tot een duidelijke verkoopgolf van risicovollere activa, aangezien beleggers hun verwachtingen voor de mondiale groei neerwaarts bijstelden en er een risico op diepere geo-economische fragmentatie bestond. Later in het jaar verminderden handelsovereenkomsten tussen de Verenigde Staten en verschillende van hun belangrijkste handelspartners, waaronder de EU, de onzekerheid over het handelsbeleid en herstelden ze de rust op de markten. Als zeer open economie met een sterke integratie in mondiale waardeketens bleef het eurogebied echter bijzonder kwetsbaar voor risico's in verband met geo-economische fragmentatie.

De kwetsbaarheid van de overheden bleef over het geheel genomen beperkt, maar de hogere uitgiftebehoeften en begrotingsrisico’s zetten sommige landen onder druk

De kwetsbaarheid van de overheden in het eurogebied hield verband met het nog steeds hoge schuldpeil in sommige landen, de toenemende uitgiftebehoeften en de veranderende vraag van beleggers. De minder sterke aanwezigheid van het Eurosysteem op de obligatiemarkten leidde, in combinatie met verwachtingen van een grotere financieringsbehoefte van overheden, tot steilere rendementscurves in het eurogebied. Dat werd ook versterkt door de mondiale bezorgdheid over de houdbaarheid van de langlopende Amerikaanse schuld en de externe financiering die nodig is om zowel het begrotingstekort als het tekort op de lopende rekening in de VS te financieren. Hoewel de sterke fundamentals in de kredietverlening en de ratingverhogingen in verschillende landen van het eurogebied bijdroegen tot een daling van de spreads op overheidsobligaties, namen de spreads toe in landen met begrotingsproblemen en ratingverlagingen. Tegelijkertijd leidden begrotingskwetsbaarheden in grote geavanceerde economieën, waaronder de Amerikaanse begrotingsimpasse en een tijdelijke shutdown van de Amerikaanse overheid, tot bezorgdheid over de houdbaarheid van de mondiale overheidsschuld en het risico van een bredere herbeoordeling van landenrisico’s in het eurogebied. Voorts impliceert de noodzaak om te reageren op de toegenomen geopolitieke spanningen en hybride dreigingen dat de NAVO-lidstaten van het eurogebied hun defensie-uitgaven versneld moeten verhogen om de nieuwe NAVO-doelstelling van 5% bbp tegen 2035 te halen. Hogere defensie-uitgaven, in combinatie met geplande grootschalige infrastructuur- en klimaatgerelateerde investeringen, brengen echter aanzienlijke extra financieringsbehoeften op middellange termijn met zich mee. Dit zou in sommige landen van het eurogebied bezorgdheid over de houdbaarheid van de overheidsschuld kunnen aanwakkeren. De daaruit voortvloeiende stijging van het rendement op overheidsobligaties zou via hogere risicopremies en mogelijke ratingverlagingen kunnen doorwerken in de financieringsvoorwaarden voor ondernemingen en de financiële sector.

De kwetsbaarheden van bedrijven bleven groot, met risico’s op overloopeffecten naar de financiële positie van huishoudens

De bedrijfssector van het eurogebied vertoonde in 2025 nog altijd grote kwetsbaarheden, omdat de gevolgen van hogere heffingen en aanhoudende handelsspanningen sterker doorwerkten. Hoewel de balansen in de voorgaande jaren sterker waren geworden en de totale schuldenlast was gedaald tot onder het niveau van vóór de wereldwijde financiële crisis, kwam de winstgevendheid onder druk door een gematigde buitenlandse vraag, hogere schuldaflossingskosten en stijgende loonkosten. De appreciatie van de euro en de hogere heffingen op uitvoer uit het eurogebied tastten het prijsconcurrentievermogen van de bedrijven van het eurogebied op de mondiale markten ernstig aan. Dit leidde tot een verlies aan marktaandeel, dat verder onder druk werd gezet door de sterke concurrentie van Chinese exporteurs, deels als gevolg van de zwakke binnenlandse vraag in China. Het aantal faillissementen nam in allerlei sectoren en landen toe, als gevolg van het nog steeds zwakke en onzekere ondernemingsklimaat en het groeiende risico op bredere macrofinanciële overloopeffecten, met name uit tariefgevoelige en uitvoergerichte sectoren.

De financiële positie van de huishoudens werd in de loop van het jaar sterker, onder invloed van sterke arbeidsmarkten, stijgende reële lonen en een aanhoudende daling van de schuldquotes, waardoor het schuldaflossingsvermogen toenam en er buffers tegen negatieve schokken werden opgebouwd. Deze veerkracht werd ook ondersteund door de grote spaartegoeden die tijdens eerdere perioden van onzekerheid waren opgebouwd en door de aanhoudend hoge spaarquotes. Deze gunstige situatie zou weliswaar kunnen omslaan als handelskwetsbaarheden van bedrijven zich sterker zouden voordoen. Een toename van het aantal faillissementen en ontslagen in tariefgevoelige sectoren zou de arbeidsmarkt kunnen verzwakken, de loongroei kunnen drukken en het consumentenvertrouwen kunnen aantasten, wat de consumptie van huishoudens en de veerkracht van kredietnemers negatief zou beïnvloeden.

De winstgevendheid en de kapitaalbuffers van de banken bleven sterk, maar de kredietrisico’s als gevolg van handelsspanningen namen toe

De veerkracht van de banksector in het eurogebied bleef in 2025 een belangrijke stabiliserende factor voor het financiële stelsel. De kapitaal- en liquiditeitsratio’s van de banken lagen nog altijd ruim boven de regelgevingsvereisten. De hoge nettorentebaten, in combinatie met de solide netto-inkomsten uit provisies en commissies, hielden het rendement op het eigen vermogen op een niveau van meer dan 9% in 2025. Bovendien zorgde het verbeterde marktsentiment ten aanzien van de sector, samen met verwachtingen van duurzame winsten en recordwinstuitkeringen in de vorm van dividenden en de inkoop van eigen aandelen, ervoor dat de koersen van bankaandelen stegen en dat de koers/boekwaarderatio’s nieuwe pieken na de wereldwijde financiële crisis bereikten, waardoor de kloof met die van Amerikaanse tegenhangers geleidelijk kleiner werd.

Het totale percentage niet-renderende leningen (non-performing loans – NPL’s) van de belangrijke instellingen lag in 2025 nog altijd dicht bij een historisch laag niveau. Tegelijkertijd namen de risico’s in de kredietportefeuilles van banken licht toe bij leningen aan kleine en middelgrote ondernemingen en consumentenleningen. Daarnaast werden de vooruitzichten voor het kredietrisico voor zowel bedrijven als huishoudens neerwaarts bijgesteld als gevolg van zwakke macrofinanciële omstandigheden, het vertraagde effect van eerdere rentestijgingen en oplopende handelsspanningen. Banken met geconcentreerde blootstellingen aan sectoren die afhankelijk zijn van handel met landen buiten de EU of aan regio’s die sterker worden getroffen door handelsfricties kunnen bij toenemende handelsfragmentatie of verdere economische verzwakking worden geconfronteerd met een verslechtering van de activakwaliteit. In een dergelijk scenario zouden hogere voorzieningsbehoeften de winstgevendheid van de banken kunnen drukken, ook al bieden de kapitaalbuffers ervan een aanzienlijke bescherming tegen verliezen.

De financiële markten waren nog steeds kwetsbaar voor scherpe herprijzingen, gelet op doorgeschoten waarderingen en doorwerkingsrisico’s uit de Verenigde Staten

De financiële markten van het eurogebied en de rest van de wereld werden in 2025 geconfronteerd met verhoogde volatiliteit, met name na de aankondigingen over Amerikaanse heffingen begin april, die leidden tot een scherpe herprijzing en tot de verkoop van risicovollere activa. Hoewel de marktwerking in het eurogebied overwegend ordelijk bleef en de volatiliteit afnam na de aankondiging van een tijdelijke tariefpauze en daaropvolgende handelsovereenkomsten, bleven de waarderingen in sommige activacategorieën hoog. Daardoor bleven de markten bijzonder kwetsbaar voor abrupte correcties, met name bij een eventuele verslechtering van de liquiditeitsomstandigheden. Tegelijkertijd verzwakten zorgen over de Amerikaanse begrotingssituatie en institutionele geloofwaardigheid de status van de Amerikaanse schatkist en dollar als veilige haven, waardoor het risico op plotse verschuivingen in de mondiale kapitaalstromen en wanordelijke wisselkoersschommelingen toenam, met mogelijke overloopeffecten op de financiële omstandigheden in het eurogebied.

De NBFI-sector bleef in 2025 groeien, maar bleef blootgesteld aan kwetsbaarheden

De marktvoetafdruk van de NBFI-sector in het eurogebied bleef in 2025 toenemen, wat diepere en meer gediversifieerde kapitaalmarkten voor de financiering van de reële economie ondersteunde. Ondanks de toegenomen beleidsonzekerheid en terugkerende periodes van marktvolatiliteit bleef de sector over het geheel genomen veerkrachtig. Tegelijkertijd bleven in verschillende segmenten van de NBFI-sector liquiditeitsmismatches bestaan. Deze werden versterkt door een grote hefboomwerking, met name in delen van het beleggingsfondsensegment. Door deze structurele kwetsbaarheden werd de NBFI-sector blootgesteld aan ongunstige prijsbewegingen, een plotse uitstroom van fondsen en pieken in marge- en onderpandopvragingen, wat kan leiden tot een procyclische verkoop van activa en een toename van de marktstress. Door de verwervenheid met banken in het eurogebied bleven zowel de NBFI-sector als de banksector blootgesteld aan risico's op doorwerking via krediet- en financieringskanalen.

Hoewel het financiële stelsel van het eurogebied veerkrachtig bleek, zouden structurele kwetsbaarheden cyclische risico’s kunnen versterken

In 2025 bleek het financiële stelsel van het eurogebied veerkrachtig, maar al met al bleven de risico’s voor de financiële stabiliteit hoog. Naast de conjuncturele druk door zwakkere groei en handelsspanningen bleven verschillende structurele factoren de risicovooruitzichten drukken. Zwakke punten op het gebied van cyberbeveiliging en hybride dreigingen kwamen meer op de voorgrond in een steeds complexer geopolitiek landschap. De snelle opmars van artificiële intelligentie leverde efficiëntiewinsten op, maar creëerde ook nieuwe bronnen van operationele risico’s en marktverstoringen.

Wereldwijd zullen de toenemende versnippering van de regelgeving en hernieuwde oproepen tot deregulering waarschijnlijk grensoverschrijdende arbitrage en een toename van kwetsbaarheden buiten de reikwijdte van de regelgeving in de hand werken.

Naar de toekomst toe wordt verwacht dat de demografische trends in verband met de vergrijzing, samen met de overgang naar een koolstofarme economie, de groeivooruitzichten zullen beïnvloeden. Hoewel de transitie kosten met zich meebrengt, biedt ze ook economische kansen, en beide factoren kunnen zodanig in verband staan met bestaande conjuncturele en structurele kwetsbaarheden dat ze de financiële stabiliteit onder druk kunnen zetten. Als sommige van deze risico’s zich gelijktijdig zouden voordoen, dan zouden ze elkaar kunnen versterken en de stress in het financiële stelsel aanzienlijk kunnen vergroten.

3.2 Macroprudentieel beleid: veerkrachtig blijven in een onzekere omgeving

In 2025 zag de ECB geen noodzaak om strengere kapitaalmaatregelen toe te passen

De ECB heeft de opdracht om de macroprudentiële kapitaalmaatregelen te beoordelen die de nationale autoriteiten voorstellen voor banken in landen die deelnemen aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (Single Supervisory Mechanism – SSM). Belangrijk is dat ze indien nodig strengere kapitaalmaatregelen kan toepassen. Uit de nauwlettende monitoring van de nationale macroprudentiële beleidskoersen door de ECB in 2025 bleek dat dit niet nodig was, aangezien verscheidene landen al macroprudentiële maatregelen hadden genomen om de veerkracht van hun banksystemen tegen opgebouwde kwetsbaarheden en neerwaartse risico’s te versterken.

De veerkracht van het financiële stelsel in stand houden, bleef de belangrijkste prioriteit.

De Raad van Bestuur riep de nationale autoriteiten op om de bestaande kapitaalbuffers en maatregelen voor kredietnemers in stand te houden

In juli 2025 riep de Raad van Bestuur in een verklaring de nationale macroprudentiële autoriteiten op de huidige kapitaalbuffervereisten te handhaven om de veerkracht van de banksector in stand te houden en buffers beschikbaar te houden voor het geval de banksector of de macrofinanciële omstandigheden zouden verslechteren. De verklaring verwees naar verhoogde risico’s voor de financiële stabiliteit als gevolg van een sterke toename van de wereldwijde geopolitieke onzekerheid. In dat verband sprak de Raad van Bestuur zijn volledige steun uit voor nationale autoriteiten die van plan waren de kapitaalbuffervereisten te verhogen om kwetsbaarheden aan te pakken, terwijl de bestaande omstandigheden in de banksector de procyclische risico's beperkten. De Raad riep de nationale autoriteiten ook op de bestaande maatregelen voor kredietnemers te handhaven om gezonde en houdbare kredietvoorwaarden in stand te houden. In de verklaring werd aangegeven dat een gerichte herziening of vereenvoudiging van macroprudentiële maatregelen kon worden overwogen waar de systeemrisicobronnen blijvend waren veranderd en als dergelijke maatregelen de algehele veerkracht van de banksector niet zouden verminderen. Door de grote mate van onzekerheid merkte de Raad van Bestuur tot slot op dat het macroprudentieel beleid flexibel moest blijven en zich moest kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden.

Eind 2025 beschikten alle deelnemende landen over een vorm van vrij te geven kapitaalbuffer

In dat verband bleven sommige nationale autoriteiten in 2025 het macroprudentieel beleid verkrappen om de veerkracht van de banken te vergroten. Zo kondigden twee deelnemende landen een verhoging van de contracyclische kapitaalbuffer aan, terwijl een ander land de invoering van de systeemrisicobuffer aankondigde.[21] Tegen het einde van het jaar beschikten alle deelnemende landen over een vrij te geven kapitaalbuffer. Niettemin besloten sommige landen systeemrisicobuffers te deactiveren of te verminderen, naar aanleiding van een lager systeemrisico in sectoren die in het verleden kwetsbaarheden hadden opgebouwd.[22] Bovendien pasten sommige landen, voor individuele instellingen, de hoogte van de buffers voor mondiaal systeemrelevante instellingen (G-SII’s) en andere systeemrelevante instellingen (O-SII’s) aan. Voor die laatste was dit het gevolg van de gefaseerde invoering van de verbeterde methodologie om minimumwaarden vast te stellen voor de beoordeling van O-SII-buffers vanaf januari 2025.[23] Tot slot voerde één land, naast op kapitaal gebaseerde maatregelen, maatregelen voor kredietnemers in, wat het aantal landen met dergelijke maatregelen op 18 bracht.[24]

De ECB steunde de herziening van het macroprudentiële kader van de EU en benadrukte dat financiële stabiliteit een beleidsprioriteit is

De ECB maakte in 2025 haar standpunten over macroprudentiële beleidsonderwerpen bekend. In de Financial Stability Review van mei sprak de Raad zijn steun uit voor de herziening van het macroprudentiële kader van de EU met als doel de effectiviteit ervan te verbeteren, processen te stroomlijnen en consistentie tussen landen tot stand te brengen.[25] In dat verband wees de ECB erop dat het van cruciaal belang was om de bruikbaarheid en vrijgeefbaarheid van macroprudentiële buffers te waarborgen, gezien de complexe wisselwerking tussen prudentiële en afwikkelingskaders. In de Financial Stability Review van november benadrukte de ECB dat het macroprudentieel beleid sterk gericht moet blijven op het waarborgen van de financiële stabiliteit, wat de economie ten goede moet komen zonder het concurrentievermogen van de banksector, afgemeten aan de winstefficiëntie, in gevaar te brengen. Hoewel werd aangevoerd dat hogere kapitaalvereisten het kredietaanbod beperken en het concurrentievermogen van banken verzwakken, gaf de ECB aan dat recente empirische gegevens dit standpunt niet onderbouwden.[26]

Samenwerking met het Europees Comité voor systeemrisico's

De ECB ondersteunt het ESRB bij het vaststellen van kwetsbaarheden in het financiële stelsel, onder meer door middel van stresstests

De ECB verzorgt het secretariaat van het Europees Comité voor systeemrisico’s (European Systemic Risk Board – ESRB) en biedt analytische, statistische, logistieke en administratieve ondersteuning.[27] De president van de ECB is voorzitter van de Algemene Raad van het ESRB, die elk kwartaal bijeenkomt om de huidige bedreigingen voor de financiële stabiliteit en mogelijke reacties te bespreken. De medewerkers van de ECB zijn nauw betrokken bij de voorbereiding van deze besprekingen, via het covoorzitterschap van verschillende werkgroepen en door onderzoeken en analyses uit te voeren. De ECB biedt met name cruciale ondersteuning bij de gegevensanalyses van het ESRB, dat daardoor toegang krijgt tot grote hoeveelheden gegevens, met name over afzonderlijke transacties in derivaten. Een ander terrein van nauwe samenwerking is de ontwikkeling van ongunstige stresstestscenario's, die door het ESRB worden goedgekeurd en zowel ernstig als aannemelijk moeten zijn. Voor de ontwikkeling van dergelijke scenario’s is een modelgebaseerde input van de ECB nodig. In 2025 kwam het ESRB, in nauwe samenwerking met de betrokken Europese toezichthoudende autoriteiten, ongunstige scenario’s overeen voor de EU-brede stresstests voor de banksector, pensioenfondsen en geldmarktfondsen.

In de ESRB-verslagen werden instrumenten voor risicobeheer voor banken en banden tussen banken en niet-bancaire financiële intermediairs onderzocht

Daarnaast leverden ECB-medewerkers ook belangrijke analytische input voor verschillende ESRB-verslagen, waarvan er twee zeer relevant zijn voor het risicobeheer van banken: (i) een in mei gepubliceerd verslag over de gevolgen voor de financiële stabiliteit van de uitbreiding in 2021 van de eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde (STS) criteria voor op de balans opgenomen securitisaties in het kader van de gewijzigde Securitisatieverordening van de EU[28]; en (ii) een in november gepubliceerd verslag over kredietverzuimswaps. In dit verslag werd gewezen op enkele onvolkomenheden van de markt die een effectieve prijsbepaling voor ecarts van kredietverzuimswaps, een veelgebruikte maatstaf van kredietrisico's, zouden kunnen belemmeren. Medewerkers van de ECB en het ESRB werkten dan ook gezamenlijk aan twee actuele verslagen over (i) geo-economische risico’s en financiële stabiliteit en (ii) verbanden tussen banken en niet-bancaire financiële intermediairs in de EU. In het laatstgenoemde verslag wordt gewezen op de belangrijke rol van banken bij liquiditeitsbeheer en bij het verstrekken van hefboomfinanciering aan niet-bancaire financiële intermediairs, alsook op de risico’s voor de financiële stabiliteit die uit dergelijke verbanden kunnen voortvloeien.

Het ESRB en de ECB spraken hun bezorgdheid uit over stablecoins en stelden manieren voor om deze aan te pakken

In april 2025 diende de ECB bij de Raad van de Europese Unie een non-paper in over de meervoudige uitgifte van stablecoins door de EU en een derde land, waarin wordt benadrukt welke risico’s voor de financiële stabiliteit er verbonden zijn aan de goedkeuring van één stablecoin voor uitgifte door een entiteit waaraan een vergunning is verleend op grond van de verordening betreffende cryptoactivamarkten (Markets in Crypto-Assets Regulation – MiCAR)[29] en een andere entiteit die onder een rechtsgebied van een derde land valt. In geval van een crisis zouden de reserves van de EU-uitgever snel uitgeput kunnen raken als houders van de stablecoin minder goed beschermd zijn onder de regelgeving van het derde land. Het ESRB besteedde een deel van zijn verslag over systeemrisico’s van cryptoactiva aan een diepgaande analyse van de risico’s van meervoudige uitgifte. Voorts heeft zij een aanbeveling uitgebracht over stablecoin-stelsels met meerdere uitgevers waarbij een uitgever uit een derde land betrokken is[30], waarin het de Europese Commissie verzocht om te verduidelijken dat meervoudige uitgifte met uitgevers uit derde landen op grond van MiCAR niet is toegestaan en om passende waarborgen te ontwikkelen om systeemrisico's naar aanleiding van meervoudige uitgifte te voorkomen.

3.3 Microprudentiële activiteiten om de financiële gezondheid van individuele banken te waarborgen

De banken bleken zeer veerkrachtig in een uitdagende omgeving

In 2025 bleken de banken die onder toezicht van de ECB staan zeer veerkrachtig in een uitdagende economische en geopolitieke omgeving. Al met al bleef de banksector van het eurogebied goed gekapitaliseerd. In het derde kwartaal van 2025 bedroeg de geaggregeerde tier 1-kernkapitaalratio 16,1%, terwijl de totale NPL-ratio van belangrijke instellingen ruwweg stabiel bleef op 1,9%, wat aanzienlijk lager is dan in het afgelopen decennium.[31]

Er werd vooruitgang geboekt met verschillende vereenvoudigingsinitiatieven, terwijl de veerkracht van de banken behouden bleef

Samen met de nationale bevoegde autoriteiten die deelnemen aan het SSM boekte de ECB in 2025 vooruitgang met verschillende initiatieven om de efficiëntie, doeltreffendheid en risicogerichtheid van het bankentoezicht te versterken.[32] Daartoe behoorden verdere stappen in de hervorming van de procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process – SREP), met name het algemenere en ruimere gebruik van de meerjarige aanpak en een risicotolerantiekader, die tot meer gerichte en tijdige toezichtsbesluiten hebben geleid. Tegelijkertijd startte de ECB met het ‘Next level supervision’-project, met een reeks initiatieven om het Europese bankentoezicht te vereenvoudigen en te stroomlijnen, onnodige complexiteit te verminderen en ervoor te zorgen dat toezichthouders in staat blijven om nieuwe en opkomende risico’s aan te pakken. Daarbij gaat het onder meer om besluitvorming, toezicht op interne modellen, stresstests, besluiten in verband met kapitaal, rapportage en inspecties ter plaatse. Daarnaast voerde de ECB een initiatief rond toezichtscultuur in, dat tot doel heeft een gedeelde toezichtscultuur te bevorderen die is afgestemd op de strategische doelstellingen, en om de consistente en effectieve uitvoering van hervormingen in het hele Europese bankentoezicht te ondersteunen. De ECB ontwikkelde ook een kader om de doeltreffendheid van haar toezichtsactiviteiten te beoordelen. In 2026 zal de ECB beginnen met een evaluatie van haar toezichtsrichtsnoeren en andere communicatie om de transparantie over haar verwachtingen en toezichtsbenaderingen te vergroten. De ECB zal ook de toepassing van proportionaliteit bij het toezicht op minder belangrijke instellingen herzien. Deze initiatieven vormen een aanvulling op de aanbevelingen van de Raad van Bestuur aan de Europese Commissie op basis van de voorstellen van de ECB-taskforce op hoog niveau over vereenvoudiging (ECB High-Level Task Force on Simplification).

Digitale operationele weerbaarheid bleef een belangrijke prioriteit

In de loop van het jaar versterkte de ECB haar aandacht voor digitale operationele weerbaarheid door in haar Gids inzake de uitbesteding van clouddiensten aan aanbieders van clouddiensten toezichtsverwachtingen te formuleren voor de tenuitvoerlegging van de vereisten van de Verordening betreffende digitale operationele weerbaarheid (Digital Operational Resilience Act – DORA)[33]. Deze gids bevat ook een reeks goede praktijken voor het beheer van de risico’s van clouduitbesteding. Daarnaast verduidelijkte de ECB het gebruik van machinelearningtechnieken in haar herziene Gids voor interne modellen.

Uit de resultaten van de stresstest van 2025 bleek dat de banksector van het eurogebied bestand is tegen een ernstige maar plausibele economische neergang

In 2025 voerde de ECB een systeembrede stresstest uit, waaruit bleek dat de banksector van het eurogebied veerkrachtig blijft bij een forse maar plausibele economische neergang.[34] Ondanks de aanzienlijke verwachte verliezen bleef de kapitaalvermindering lager dan bij eerdere stresstests, als gevolg van de sterke winstgevendheid en de stabiele kwaliteit van de activa. In het ongunstige scenario zou de totale CET1-ratio 12,0% bedragen, wat bevestigt dat de huidige kapitaalbuffers het vermogen van banken ondersteunen om negatieve schokken op te vangen.

Geopolitieke risico’s en klimaat- en natuurrisico’s stonden nog steeds hoog op de toezichtsagenda

Geopolitieke risico’s bleven een belangrijk aandachtspunt in de toezichtsprioriteiten van de ECB, gezien de toegenomen mondiale onzekerheid en de onderling verweven risico’s die ermee gepaard gaan. De ECB bleef dan ook benadrukken hoe belangrijk het is dat banken geopolitieke risico’s integreren in hun algemene risicobeheerkaders en dat ze in brede zin schokbestendig blijven. Bovendien bleef het toezicht op het vermogen van banken om klimaat- en natuurrisico’s adequaat te beheersen hoog op de toezichtsagenda staan. In dit verband rondde de ECB een meerjarenprogramma af om de capaciteit van banken op het gebied van risicobeheer te bevorderen en bleef ze zich ontwikkelen in de richting van een ‘business as usual’-benadering door toezicht te houden op klimaat- en natuurrisico’s als onderdeel van haar reguliere toezichtsbeoordelingen en -procedures.

Met betrekking tot haar voortdurende inspanningen om transparantie te bevorderen, publiceerde de ECB in 2025, na een openbare raadpleging, een Richtsnoer betreffende de toezichtsaanpak door nationale bevoegde autoriteiten van de dekking van niet-renderende blootstellingen die door minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten worden aangehouden.[35] Daarnaast herzag de ECB, na een andere openbare raadpleging, haar beleid inzake de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het EU-recht biedt om ervoor te zorgen dat dit consequent wordt toegepast door de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten. Dat zal de transparantie en doeltreffendheid ondersteunen en tegelijkertijd bijdragen aan een gelijk speelveld voor banken onder Europees bankentoezicht.

De ECB en de Autoriteit voor de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering (Authority for Anti-Money Laundering and Countering the Financing of Terrorism – AMLA) ondertekenden een memorandum van overeenstemming waarin het kader voor hun samenwerking is vastgelegd.

Meer gedetailleerde informatie is beschikbaar op de website van ECB-Bankentoezicht en in het Jaarverslag van de ECB over haar toezichtswerkzaamheden in 2025.

3.4 De bijdrage van de ECB aan de Europese beleidsinitiatieven in de financiële sector

Er werd in 2025 vooruitgang geboekt met belangrijke beleidsinitiatieven om de veerkracht en het concurrentievermogen van de Europese financiële sector te versterken

In 2025 werd aanzienlijke vooruitgang geboekt bij de versterking van het financiële regelgevings- en toezichtskader van de EU. Het grootste deel van de Bazel III-hervormingen trad in werking en de tenuitvoerlegging van de resterende elementen ligt op schema. De ECB ondersteunde belangrijke wetgevingsinitiatieven, waaronder gerichte aanpassingen aan prudentiële vereisten, en droeg bij aan de ontwikkeling van het regelgevend kader voor cryptoactiva. Ze leverde ook technische input aan de medewetgevers over beleidsdiscussies in verband met de herziening van het kader voor crisisbeheersing en depositoverzekering. De overeenkomst tussen het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie over die herziening vormde een belangrijke mijlpaal op weg naar de voltooiing van de bankenunie en de versterking van het EU-kader voor de afwikkeling van banken. De ECB droeg verder bij aan beleidsdiscussies over NBFI en de spaar- en investeringsunie, met name in verband met wetgevingsinitiatieven om de fragmentatie op de financiële markten in de EU te verminderen, die in 2026 zullen worden voortgezet. In december 2025 deed de Raad van Bestuur aanbevelingen aan de Europese Commissie en de medewetgevers om het Europese prudentiële regelgevings-, toezichts- en rapportagekader voor banken te vereenvoudigen (zie Kader 3).

Ontwikkelingen in het regelgevend kader voor banken

De belangrijkste aspecten van de Bazel III-hervormingen traden in werking, met ondersteuning van de ECB bij de technische implementatie ervan

De herziene Verordening kapitaalvereisten (Capital Requirements Regulation – CRR)[36] en de herziene Richtlijn kapitaalvereisten (Capital Requirements Directive – CRD)[37] werden in 2025 van kracht, waarmee de laatste Bazel III-hervormingen in de EU ten uitvoer werden gelegd. Die zijn erop gericht het bankstelsel van de EU beter bestand te maken tegen verschillende risico’s. In de loop van het jaar ondersteunde de ECB, en ze blijft dat ook doen, de Europese Bankautoriteit met tal van technische reguleringsnormen of technische uitvoeringsnormen met betrekking tot de CRR/CRD. De invoering van de Bazelse marktrisicoregels in de EU, de zogenaamde Fundamentele herziening van de handelsportefeuille (Fundamental Review of the Trading Book – FRTB), werd uitgesteld wegens bezorgdheid over een gelijk speelveld die het gevolg was van vertragingen bij de tenuitvoerlegging van Bazel III in enkele belangrijke mondiale rechtsgebieden. In november 2025 startte de Europese Commissie een gerichte raadpleging over de FRTB, waarbij de nadruk lag op beleidsopties die moeten worden vastgesteld door middel van een gedelegeerde handeling met specifieke wijzigingen om de kapitaaleffecten voor EU-banken te beperken.[38] De ECB publiceerde haar reactie op de gerichte raadpleging op 15 januari 2026.[39]

Op 31 maart 2025 stelde de Europese Commissie voor om de tijdelijke prudentiële behandeling van kortlopende effectenfinancieringstransacties en ongedekte transacties met financiële cliënten in het kader van de nettostabielefinancieringsratio permanent te maken. Na afloop van de overgangsperiode die in juni 2025 zou verstrijken, zou deze behandeling, bij gebrek aan wetswijzigingen, worden afgestemd op de behandeling die is vastgelegd in de Bazel-norm voor de nettostabielefinancieringsratio.[40] De ECB bracht op 2 mei haar advies over het voorstel uit en de medewetgevers keurden het voorstel van de Commissie in juni goed.[41],[42]

Het beleidskader voor NBFI versterken

De inspanningen om het beleidskader voor NBFI vanuit macroprudentieel oogpunt te versterken, werden in 2025 voortgezet

In 2025 bleef de ECB beklemtonen hoe belangrijk het is de structurele kwetsbaarheden in de NBFI-sector aan te pakken en het relevante beleidskader vanuit macroprudentieel oogpunt te versterken. Ze droeg bij aan besprekingen over de versterking van het macroprudentiële instrumentarium voor de vermogensbeheersector en de verbetering van de beleidscoördinatie tussen EU-lidstaten, en benadrukte het belang van de volledige en tijdige tenuitvoerlegging van internationale aanbevelingen om liquiditeitsrisico’s in open-end-fondsen en geldmarktfondsen aan te pakken.[43]

Tegelijkertijd benadrukte de ECB de noodzaak om risico’s als gevolg van hefboomfinanciering in de NBFI-sector aan te pakken en grensoverschrijdende informatie-uitwisseling te verbeteren, waarbij ze bijdroeg aan de ontwikkeling van internationale beleidsaanbevelingen om de aanverwante systeemrisico’s te beperken.[44],[45] Voorts droeg ze er actief toe bij de tenuitvoerlegging van de regelgevingsreactie op cryptoactiva-activiteiten in internationale fora te bevorderen en te monitoren, onder meer door haar betrokkenheid bij het themaonderzoek van het Global Regulatory Framework for Crypto-asset activities, uitgevoerd door de Raad voor Financiële Stabiliteit (Financial Stability Board – FSB).[46]

De vooruitgang in de richting van de spaar- en investeringsunie ondersteunen

De ECB ondersteunde actief de vooruitgang in de richting van de spaar- en investeringsunie via beleidsadvies over belangrijke wetgevingsinitiatieven

Een snellere vooruitgang in de richting van de spaar- en investeringsunie bleef in 2025 een belangrijke prioriteit voor de ECB. Dat is een essentiële stap om het concurrentievermogen, de strategische autonomie en de financiële stabiliteit van Europa te versterken en de efficiënte financiering van de reële economie te ondersteunen.[47]

Meer specifiek droeg de ECB bij aan de bevordering van de spaar- en investeringsunie op het gebied van financiëlemarktinfrastructuren (zie Paragraaf 4.2). Bovendien nam ze actief deel aan beleidsdiscussies en gaf ze technisch advies over belangrijke wetgevingsinitiatieven, zoals het door de Europese Commissie voorgestelde wetgevingspakket inzake marktintegratie en toezicht.[48] In het pakket werden concrete voorstellen gedaan om belemmeringen weg te nemen die de interne markt versnipperen op het vlak van transacties, transactieverwerking en vermogensbeheer, en om innovatie te bevorderen en het toezicht te versterken. In juni 2025 droeg de ECB bij aan de gerichte raadpleging[49] die tot deze voorstellen leidde. Na de publicatie van de voorstellen, en zoals gevraagd door de medewetgevers, keurde de Raad van Bestuur op 9 april 2026 een advies over het pakket goed.[50]

De ECB bracht ook een advies uit over het voorstel van de Europese Commissie om het kader voor securitisatie van de EU te herzien, wat het eerste wetgevingsinitiatief van de Commissie was in verband met de agenda voor de spaar- en investeringsunie.[51]

Kader 3
Vereenvoudiging van het Europese prudentiële regelgevingskader

Tegen de achtergrond van het wereldwijde debat over de complexiteit van financiële regels en regelgeving richtte de Raad van Bestuur van de ECB de taskforce op hoog niveau over vereenvoudiging (High-Level Task Force on Simplification – HLTF) op om voorstellen uit te werken ter vereenvoudiging van het Europese regelgevings-, toezichts- en rapportagekader.[52] De aanbevelingen van de taskforce werden door de Raad van Bestuur goedgekeurd en uiteengezet in een verslag dat op 11 december 2025 werd gepubliceerd.[53] Het verslag diende als input voor het verslag van de Europese Commissie over de algemene toestand van het bankwezen en de daarmee samenhangende wetgevende initiatieven, die aangekondigd zijn voor 2026.

De aanbevelingen zijn gebaseerd op de volgende beginselen:

  • het kader vereenvoudigen en tegelijkertijd de veerkracht van het Europese bankstelsel behouden, en ervoor zorgen dat microprudentiële, macroprudentiële en afwikkelingsautoriteiten hun doelstellingen doeltreffend kunnen blijven verwezenlijken;
  • Europese harmonisatie en financiële integratie bevorderen;
  • internationale samenwerking handhaven;
  • zorgen voor een volledige, tijdige en getrouwe tenuitvoerlegging van Bazel III.

Wat de reikwijdte betreft, bestrijken de aanbevelingen drie gebieden: het regelgevingskader, het toezichtskader en het rapportagekader.

Een van de aanbevelingen was om het ontwerp van de kapitaalvereisten en -buffers voor banken, de zogenoemde ‘capital stack’, te vereenvoudigen aan de hand van twee veranderingen. Ten eerste door de bestaande kapitaalbuffers samen te voegen tot slechts twee buffers: één buffer die niet kan worden vrijgegeven en één buffer die wel kan worden vrijgegeven, die de autoriteiten kunnen verlagen in slechte tijden. Bij een vermindering van het aantal buffers blijft het cruciaal dat de huidige bevoegdheden en competenties van de autoriteiten worden gevrijwaard. Ten tweede door het hefboomratiokader terug te brengen van vier tot twee onderdelen, namelijk een minimumvereiste van 3% en één buffer, die voor kleinere banken op nul zou kunnen worden vastgesteld.

Om de kwaliteit van het kapitaal van banken te verbeteren, stelde de Raad van Bestuur voor om de capaciteit te vergroten van het aanvullend-tier 1-kapitaal om verliezen op te vangen wanneer een bank normaal functioneert. Dit zou aan de Bazel-normen voldoen en de veerkracht handhaven. Ook zouden eventueel andere elementen dan het eigen vermogen uit het ‘going-concern’-kapitaal kunnen worden verwijderd, als daarbij de naleving van de Bazel-normen en de kapitaalneutraliteit niet in het gedrang komen.

De Raad van Bestuur stelde ook voor om op grond van de EU-regelgeving voor banken voor aanzienlijk meer proportionaliteit te zorgen door de bestaande regeling voor kleine en niet-complexe instellingen (small and non-complex institutions – SNCI’s) uit te breiden naar meer banken en de toepasselijke regels op een voorzichtige en geharmoniseerde wijze te vereenvoudigen. Daarbij kunnen de regimes voor kleine banken in het Verenigd Koninkrijk, Zwitserland en de Verenigde Staten als inspiratie dienen.

Om het macroprudentieel kader te vereenvoudigen, gaf de Raad van Bestuur de aanbeveling tot automatische reciprociteit van macroprudentiële maatregelen tot een bepaalde drempel, op voorwaarde van een meer gestandaardiseerde toepassing van macroprudentiële instrumenten in de lidstaten. Daardoor zouden alle banken die actief zijn in een lidstaat die een macroprudentiële maatregel toepast, aan die maatregel worden onderworpen.

Met betrekking tot het afwikkelingskader beval de Raad van bestuur aan de minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva nauwer af te stemmen op de vereiste voor de totale verliesabsorptiecapaciteit die van toepassing is op mondiaal systeemrelevante banken. Daarbij mogen de ‘gone concern’-middelen niet worden afgebouwd, zodat de EU in lijn blijft met de internationale normen en de regels transparanter en voorspelbaarder worden. Er moet ook voor toegang tot extra financieringsbronnen worden gezorgd.

Met het oog op verdere harmonisatie stelde de Raad van Bestuur voor om voor de EU-regelgeving voor banken over te stappen van richtlijnen naar rechtstreeks toepasselijke verordeningen.

Wat het toezicht betreft, beval de Raad van Bestuur aan om het Single Rulebook (gemeenschappelijk reglement) te vervolledigen en de regels inzake vergunningverlening, governance en transacties met verbonden partijen, zoals aandeelhouders en bestuursleden, te harmoniseren, waardoor het toezicht minder complex zou worden. Daartoe zouden de toezichthouders meer flexibiliteit moeten krijgen, bijvoorbeeld in de mate waarin ze de interne modellen van banken beoordelen.

Daarnaast stelde de Raad van Bestuur voor om de EU-brede stresstest te vereenvoudigen door de methodologie en reikwijdte ervan te stroomlijnen en de resultaten ervan nuttiger te maken vanuit het oogpunt van het bankwezen en van de afzonderlijke banken. De resultaten van deze herziene stresstest zouden de afstemming tussen macroprudentiële en microprudentiële buffers helpen te verbeteren.

De Raad van Bestuur stelde ook voor om de verantwoordelijkheid op zich te nemen om het totale kapitaal in de bankenunie en de verschillen tussen landen op een holistische manier te bekijken, wat momenteel niet gebeurt. Daartoe zou de rol van het Macroprudentieel Forum, dat reeds bestaat uit de Raad van Bestuur en de Raad van Toezicht, kunnen worden uitgebreid om voor een betere coördinatie en meer consistentie tussen de lidstaten te zorgen bij het vaststellen van micro- en macroprudentiële instrumenten.

De Raad van Bestuur moedigde de voltooiing van zowel de bankenunie als de spaar- en investeringsunie sterk aan om de fragmentatie tussen landen te verminderen en efficiëntere kapitaalmarkten mogelijk te maken.

Op het gebied van rapportage stelde de Raad van Bestuur voor dat de Europese autoriteiten hun gegevens op grotere schaal met elkaar zouden delen, zodat banken slechts één keer hoeven te rapporteren, waardoor er een volledig geïntegreerd rapportagesysteem op Europees niveau ontstaat voor statistische, prudentiële en afwikkelingsdoeleinden. Idealiter zou dit via het Joint Bank Reporting Committee verlopen.[54] Alle rapportagevereisten kunnen om de drie tot vijf jaar worden geëvalueerd om na te gaan of ze nog steeds nodig zijn. Banken en toezichthouders zouden zich concentreren op de belangrijke gegevens en kleine rapportagefouten buiten beschouwing laten door een materialiteitsdrempel in te voeren voor verzoeken om gegevens opnieuw in te dienen. Door toezichts- en openbaarmakingsgegevens te bundelen, zouden de rapportage-inspanningen verder afnemen, waarbij openbaarmakingen (Pijler 3-verslagen) van de toezichtsrapportage zouden kunnen worden afgeleid.

4 Soepel functioneren van marktinfrastructuur en betalingsverkeer

Het Eurosysteem speelt een centrale rol bij de ontwikkeling en het functioneren van marktinfrastructuren en betalingsverkeer, en bij het toezicht daarop. Het exploiteert de TARGET-diensten, die in 2025 alle toenamen in transactievolume. De functionaliteiten van deze diensten, waaronder afwikkelingsdiensten in meerdere valuta’s, werden verder ontwikkeld. Op 16 juni is van een nieuwe TARGET-dienst in gebruik genomen, het Eurosystem Collateral Management System (ECMS). Dit is een uniform systeem voor geharmoniseerd onderpandbeheer bij de krediettransacties van het Eurosysteem voor alle rechtsgebieden van het eurogebied. Het Eurosysteem bleef ook in 2025 de veiligheid en efficiëntie van de Europese betalings- en marktinfrastructuur bevorderen, met oog voor de drie vereisten van innovatie, integratie en onafhankelijkheid. Verder is de voorbereidingsfase van het project voor de digitale euro afgerond als basis voor de mogelijke uitgifte van een digitale euro. In 2025 heeft het Eurosysteem verder gewerkt aan de ontwikkeling van een innovatief, geïntegreerd en veilig Europees ecosysteem voor digitale activa voor wholesaletransacties met behulp van distributed ledger-technologie, met de start van de Pontes- en Appia-initiatieven. Op het gebied van oversight heeft de herschikking van de ECB-verordening met betrekking tot oversightvereisten voor systeemrelevante betalingssystemen geleid tot actualisatie van de definitie van een exploitant van systeemrelevante betalingssystemen en van de bepalingen inzake governance, cyberrisico’s en uitbesteding.

4.1 TARGET-diensten

De TARGET-diensten bestaan uit drie vereveningsdiensten en een onderpandbeheerdienst: T2, een real-time brutovereveningssysteem (real-time gross settlement – RTGS) voor betalingstransacties die de monetairbeleidstransacties en de interbancaire en commerciële transacties ondersteunen; TARGET2-Securities (T2S), een gemeenschappelijk platform voor effectenafwikkeling op Europese schaal; TARGET Instant Payment Settlement (TIPS), voor de 24/7-uitvoering van instant payments in centralebankgeld; en het Eurosystem Collateral Management System (ECMS), een uniform systeem dan op 16 juni 2025 met succes in ingevoerd en het onderpandbeheer bij de krediettransacties van het Eurosysteem voor alle rechtsgebieden van het eurogebied harmoniseert.

Het multi-currency-element van de TARGET-diensten is verder uitgebreid

Het multi-currency-element van de TARGET-diensten maakt het mogelijk om afwikkelingsdiensten te verlenen in andere valuta’s dan de euro. Het wordt sinds oktober 2018 bij T2S gebruikt voor de afwikkeling van effectentransacties in Deense kronen en sinds februari 2024 in TIPS voor de afwikkeling van instant payments in Zweedse kronen. In april 2025 werd ook verrekening in Deense kronen mogelijk in T2 en TIPS. In de toekomst is in TIPS ook de afwikkeling in Noorse kronen mogelijk, en de mogelijke toevoeging van andere valuta’s in zowel TIPS als T2 wordt momenteel onderzocht. In het kader van de toetreding van Bulgarije tot het eurogebied op 1 januari 2026 zijn de Nationale Bank van Bulgarije en de financiële sector van dat land toegetreden tot alle TARGET-diensten, met inbegrip van het ECMS.

Toename van het transactievolume bij alle TARGET-diensten

In 2025 is het transactievolume bij alle TARGET-diensten toegenomen. T2 verwerkte gemiddeld 431,067 betalingen in euro per dag, een stijging van 2,2% ten opzichte van het voorgaande jaar, voornamelijk onder invloed van de betalingen die banken namens klanten aanleverden. T2S verwerkte een gemiddeld dagvolume van 922,533 transacties, een stijging van 16,6%, die gespreid was over veel markten. De EU-Instant Payments-verordening[55], op grond waarvan betalingsdienstaanbieders in het eurogebied uiterlijk op 9 januari en 9 oktober 2025 instantbetalingen moesten kunnen ontvangen respectievelijk verzenden, leidde in 2025 tot een aanzienlijke toename van de in euro luidende TIPS-transacties.[56] Het dagelijkse gemiddelde aantal transacties steeg van 1.657.421 betalingen in december 2024 tot 1.883.368 in januari 2025 en 3.845.376 in december 2025, meer dan een verdubbeling in de loop van het jaar.

De vierde TARGET-dienst is in juni 2025 in gebruik genomen

Het ECMS is op 16 juni 2025 met succes ingevoerd en vlot van start gegaan, na een gecoördineerde migratie waarbij 20 nationale centrale banken en de bijbehorende financiële sectoren betrokken waren.[57] Het werd de vierde TARGET-dienst, volledig geïntegreerd in andere TARGET-diensten, met name T2S en T2. Het ECMS verwerkte dagelijks gemiddeld ruim 5.000 opdrachten, voornamelijk in verband met het mobiliseren en demobiliseren van kredietvorderingen als onderpand.

De ontwikkeling van de TARGET-diensten heeft aanzienlijke efficiëntiewinsten opgeleverd

Het Eurosysteem heeft in 2025 aanzienlijke vooruitgang geboekt met de ontwikkeling van alle TARGET-diensten. Er zijn een aantal operationele verbeteringen en productverbeteringen doorgevoerd om de efficiëntie van T2 voor deelnemers en centrale banken te verhogen. Daarnaast heeft het Eurosysteem in 2025 niet-bancaire betaaldienstverleners toegang verleend tot door centrale banken geëxploiteerde betalingssystemen, waaronder TARGET. In juni startte het Eurosysteem een openbare raadpleging over een mogelijke verruiming van de openingstijden van T2. Nadat alle reacties zijn verwerkt, wordt in de eerste helft van 2026 een verslag gepubliceerd. Tot slot is vooruitgang geboekt bij de voorbereiding van de T2-aanpassingen die nodig zijn voor het digitale-europroject.

Aan T2S zijn belangrijke nieuwe functionaliteiten toegevoegd om de grensoverschrijdende afwikkeling te verbeteren, de afwikkelingsefficiëntie verder te verbeteren – met name door geoptimaliseerde gedeeltelijke afwikkeling – en de automatische liquiditeitsbeheersdiensten voor betalingsbanken te versterken. Verder werd verder gewerkt aan de verbetering van de algehele weerbaarheid van T2S. In nauwe samenwerking met de financiële sector hebben de T2S-bestuursorganen ook belangrijke beleidsinitiatieven genomen. Er is begonnen met de vaststelling en beoordeling van de systeemwijzigingen die nodig zijn om de overgang naar een kortere effectenafwikkelingscyclus in de EU (T+ 1) te ondersteunen, en de implementatie is gepland vóór de invoering van T+1 in oktober 2027.

Vervolgmaatregelen na het incident bij de TARGET-diensten op 27 februari 2025

Op 27 februari 2025 kregen de TARGET-diensten te maken met een omvangrijk incident, waardoor T2 en T2S gedurende respectievelijk ongeveer tien en acht uur niet beschikbaar waren. Als gevolg hiervan werd de verwerking van effectenafwikkelingsopdrachten, betalingen, afwikkelingen in aangesloten systemen en liquiditeitsoverboekingen tussen TARGET-diensten opgeschort. In vervolg op het incident hebben de bestuursorganen van TARGET-diensten twintig maatregelen vastgesteld om de noodvoorzieningen in de toekomst te verbeteren.[58] De maatregelen omvatten: i) de vervanging van een defecte fysieke component, ii) de evaluatie van het business continuity management en het continuity management van de IT-diensten, en iii) het verzamelen van gedetailleerde feedback uit de markt over de doeltreffendheid van uitgestelde afsluitdata na een langdurige onderbreking. Er is aanzienlijke vooruitgang geboekt met de vastgestelde maatregelen, waarvan de meeste in het vierde kwartaal van 2025 zijn uitgevoerd.[59] Ook andere incidenten, die eveneens van invloed waren op de beschikbaarheid van de TARGET-diensten, zij het in mindere mate (met name in maart, mei en november 2025), zijn door het Eurosysteem ook zorgvuldig gemanaged, waarbij nog meer lessen zijn getrokken.

4.2 Werken aan de Europese betalings- en marktinfrastructuur van de toekomst

De acties van het Eurosysteem om de toekomst van het betalingsverkeer en de marktinfrastructuur in Europa vorm te geven, zijn gericht op drie vereisten: innovatie, integratie en onafhankelijkheid. Het Eurosysteem gebruikt innovatieve technologie om het retail- en wholesalebetalingsverkeer en de effectenmarkten verder te digitaliseren en diepere integratie en concurrentie te bevorderen door harmonisatie en standaardisatie, bijvoorbeeld op het gebied van post-trade. In combinatie met de uitrol van pan-Europese oplossingen zijn deze activiteiten van cruciaal belang om de efficiëntie van transacties te verbeteren en de strategische autonomie en weerbaarheid van Europa te versterken. De monetaire soevereiniteit van Europa wordt daarmee versterkt, de internationale rol van de euro verder benadrukt en de financiële stabiliteit gehandhaafd.

Behoud van de monetaire soevereiniteit van Europa met de digitale euro

Het Eurosysteem heeft in 2025 belangrijke stappen gezet in de richting van de digitale euro om daarmee de toegang van gebruikers tot publiek geld in het digitale tijdperk te waarborgen. De digitale euro zou een digitale vorm van contant geld zijn die een aanvulling vormt op bankbiljetten en munten en op andere digitale betaalmiddelen. Daarmee zou een digitale euro een eenvoudige en algemeen aanvaarde manier zijn om in het hele eurogebied te betalen, kosteloos voor basisgebruik en met hoge standaarden op het gebied van privacy, veiligheid en toegankelijkheid. In oktober 2025 besloot de Raad van Bestuur over te gaan naar de volgende fase van het project. Meer informatie over het project is te vinden in Kader 4.

Bevordering van een veilig en geïntegreerd Europees ecosysteem voor digitale activa

Voortbouwend op het succes van de verkennende werkzaamheden van het Eurosysteem met distributed ledger technology (DLT), heeft de Raad van Bestuur in 2025 een strategisch plan goedgekeurd om de ontwikkeling van een Europees ecosysteem voor digitale activa te bevorderen dat het potentieel van DLT benut. Zie voor nadere bijzonderheden Kader 5.

Beter grensoverschrijdend betalingsverkeer dankzij het onderling koppelen van snelle betaalsystemen

Met betrekking tot internationale betalingen is een belangrijk doel van de strategie voor retailbetalingen van het Eurosysteem het faciliteren van grensoverschrijdende transacties voor bedrijven en consumenten in Europa en het versterken van de internationale rol van de euro. Het Eurosysteem onderzoekt hoe TIPS de doelstellingen van de grensoverschrijdende routekaart van de G20 kan ondersteunen.

In juni 2025 werd in TIPS een afwikkelingsdienst voor meerdere valuta’s ingevoerd, gebaseerd op de One-Leg Out (OLO) Instant Credit Transfer-norm (OCT Inst) van de Europese Betalingsraad (EPC). Hierdoor kunnen transacties tussen twee willekeurige valuta’s worden geïnitieerd zolang ten minste een van de twee onderdelen in een van de door TIPS beheerde valuta’s luidt.

Op mondiaal niveau onderzoekt het Eurosysteem de koppeling van TIPS aan andere snelle betalingssystemen om zo de interoperabiliteit verder te verbeteren, de kosten te verlagen en de snelheid en transparantie van grensoverschrijdende betalingen te vergroten. In september 2025 heeft de Raad van Bestuur besloten het opzetten van een mogelijke koppeling tussen TIPS en het Swiss Interbank Clearing Instant Payments (SIC IP)-systeem te onderzoeken. In november 2025 heeft de Raad van Bestuur besloten verder te gaan met de werkzaamheden om TIPS te koppelen aan de Unified Payments Interface van India en aan Nexus Global Payments.

Integratie van de Europese marktinfrastructuren voor effecten en onderpand

Het gebruik van een gemeenschappelijke berichtenstandaard wordt vereist door de SCoRE-normen (Single Collateral Management Rulebook for Europe) en is van cruciaal belang voor het verbeteren van de automatisering van corporate action en tripartiet onderpandbeheer. In december 2025 heeft de Advisory Group on Market Infrastructures for Securities and Collateral (AMI-SeCo) van het Eurosysteem in zijn ISO 20022-migratiestrategie een routekaart uiteengezet voor een marktbrede overgang naar ISO 20022. Ook heeft AMI-SeCo ook een uitgebreid verslag over de resterende belemmeringen voor post-trade-integratie in Europa gepubliceerd. Zowel het 2025 Corporate Events Compliance Report en het SCoREBOARD report for the second half of 2025 wijzen op beperkte vooruitgang en vertragingen bij de naleving van de AMI-SeCo-normen. Het Eurosysteem vraagt daarom feedback van relevante belanghebbenden over hun concrete stappen en tijdschema om te komen tot volledige naleving van de ScoRE-normen. AMI-SeCo ondersteunt de geplande overgang van de EU naar een kortere afwikkelingscyclus (T+1) op sommige terreinen van de verwerking van corporate events.

Meer in het algemeen ondersteunt de ECB, samen met de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten (ESMA) en de Europese Commissie, de overgang van de EU naar T+1 (zie ook Paragraaf 4.1) door deel te nemen aan de specifieke EU T+1-governancestructuur.

Kader 4
De digitale euro

Digitalisering heeft invloed op onze manier van betalen. In winkels wordt steeds vaker digitaal betaald, contant geld wordt steeds minder gebruikt en online winkelen neemt toe. Een digitale euro zou betekenen dat er nog steeds met publiek geld kan worden betaald, in aanvulling op contant geld als equivalent voor digitale betalingen. De munt zou in het hele eurogebied voor iedereen beschikbaar zijn, kosteloos voor basisgebruik en geaccepteerd voor alle digitale betalingen. De digitale euro zou kostenefficiënt zijn en voldoen aan de hoogste privacynormen. Het gebruiksgemak voor consumenten zou worden vergroot en de tarieven voor winkeliers verlaagd. De open standaarden van de digitale euro zouden het ook mogelijk maken om Europese private betaaloplossingen gemakkelijker op te schalen, waardoor de gefragmenteerde markt voor retailbetalingen van het eurogebied wordt verenigd en innovatie in Europa wordt bevorderd. Door de technische architectuur en de offline-functionaliteit zou de munt de retailbetalingen in het eurogebied weerbaarder maken en kunnen betalingen worden verricht tussen twee apparaten dicht bij elkaar, zelfs zonder internetverbinding, met een mate van privacy die gelijk is aan die van contant geld.[60]

Voorbereidingsfase afgerond in oktober 2025

De afronding van de voorbereidingsfase van het project voor de digitale euro markeert een belangrijke overgang in het project. Voortbouwend op de inzichten die we tijdens de onderzoeksfase tussen 2021 en 2023 hebben opgedaan, zijn we overgegaan op het verfijnen van het praktische ontwerp. De belangrijkste resultaten zijn i) de ontwikkeling van het ontwerp-rulebook voor de digitale euro, ii) de selectie van aanbieders van componenten van de digitale euro en aanverwante diensten, iii) de succesvolle ingebruikname van een innovatieplatform voor experimenten met marktdeelnemers, en iv) het onderzoek door een technische werkstroom naar de geschiktheid van de digitale euro in het betalingsecosysteem. Om ervoor te zorgen dat de digitale euro zo wordt vormgegeven dat aan de behoeften van Europese burgers en winkeliers wordt voldaan, heeft het Eurosysteem ook uitgebreid gebruikersonderzoek laten uitvoeren, gericht op kwetsbare consumenten en kleine winkeliers. De ECB heeft aangetoond dat de kosten van de digitale euro voor banken beperkt zouden zijn, aangezien er synergieën kunnen worden benut en vanwege de praktijken van banken om kosten te mutualiseren. De ECB verdiepte haar technische werkzaamheden op het gebied van veiligheid, weerbaarheid en de impact van de digitale euro op de financiële stabiliteit, en leverde op verzoek technische input aan de EU-wetgevers.

Vanaf november 2025: zorgen voor technische gereedheid

De Raad van Bestuur besloot eind oktober om door te gaan met de volgende fase van het project voor de digitale euro. Uitgaande van de werkveronderstelling dat de verordening betreffende de vaststelling van de digitale euro in 2026 wordt aangenomen, streeft de ECB ernaar klaar te zijn voor een mogelijke eerste uitgifte in 2029. In maart 2026 werden betalingsdienstaanbieders uitgenodigd om deel te nemen aan een proefproject dat in de tweede helft van 2027 zal plaatsvinden. De huidige projectfase is gericht op drie belangrijke werkstromen: het zorgen voor technische gereedheid, het verdiepen van de betrokkenheid van de markt en het ondersteunen van het wetgevingsproces. Bij de werkzaamheden wordt een modulaire, flexibele aanpak gevolgd, zodat een geleidelijke opschaling en een beperking van de kosten mogelijk is totdat een definitief besluit over uitgifte is genomen. Het Eurosysteem zet zich in voor de verfijning van de vormgeving van de digitale euro waarbij rekening wordt gehouden met de uitkomsten van wetgeving en de feedback van belanghebbenden, zodat wordt tegemoetgekomen aan de behoeften van de inwoners van het eurogebied.

Kader 5
Bevordering van de ontwikkeling van een Europees ecosysteem voor digitale activa

De digitalisering van de financiële sector is al tientallen jaren aan de gang, maar distributed ledger-technologie (DLT) kan de technologische grens aanzienlijk verder verleggen. Met DLT is tokenisatie van financiële transacties mogelijk, een proces waarbij activa worden uitgegeven of weergegeven als digitale tokens in een distributed ledger. Met tokenisatie kan de efficiëntie, transparantie en automatisering van transacties worden vergroot, met mogelijk belangrijke gevolgen voor de marktinfrastructuur en de rol van marktdeelnemers. Het Eurosysteem grijpt dit moment aan om in overeenstemming met zijn mandaat ervoor te zorgen dat Europa concurrerend, geïntegreerd en strategisch autonoom blijft bij het vormgeven van haar digitale toekomst. Tegelijkertijd waarborgt het Euroysteem de effectiviteit van het monetair beleid en de financiële stabiliteit door ervoor te zorgen dat centralebankgeld een centrale plaats behoudt in het monetaire stelsel.

In 2025 heeft de Raad van Bestuur zijn goedkeuring gehecht aan een strategie ter ondersteuning van de veilige en geïntegreerde ontwikkeling van een Europees ecosysteem voor digitale activa voor wholesalemarkten.[61] Het gemeenschappelijke werkprogramma van het Eurosysteem bestaat uit twee hoofdelementen:

  • Pontes: als brug tussen vandaag en morgen verbindt Pontes DLT-marktplatforms rechtstreeks met de TARGET-diensten van het Eurosysteem. Daardoor kunnen marktdeelnemers getokeniseerde transacties in centralebankgeld afwikkelen, zodat zij de veiligheid en de zekerheid krijgen die zij vandaag nodig hebben en tegelijkertijd operationele ervaring opdoen voor morgen. De eerste mijlpaal is de aanvankelijke lancering van Pontes in het derde kwartaal van 2026, waarmee een aantal functies beschikbaar komen die tegemoetkomen aan de onmiddellijke behoeften van de markt. Het gaat echter om oplossing in ontwikkeling, waaraan vanaf medio 2027 geleidelijk aanvullende functies en functionaliteiten worden toegevoegd. De ECB heeft een governancestructuur opgezet om systematisch met belanghebbenden in gesprek te gaan.
  • Appia: de weg naar een geïntegreerd digitaal financieel ecosysteem in Europa. In samenwerking met publieke en private belanghebbenden worden met het Appia-initiatief manieren onderzocht om de algehele architectuur van een innovatief en geïntegreerd Europees getokeniseerd financieel ecosysteem tot stand te brengen, van afwikkelingsinfrastructuur de standaarden, de regels en de governancekaders. In vervolg op de publicatie van de routekaart voor Appia op 11 maart 2026 gaat het Eurosysteem intensief samenwerken met marktdeelnemers, wetgevers en regelgevers om in 2028 een blauwdruk voor dit ecosysteem op te kunnen stellen, met een uitgebreide lijst van bevindingen, aanbevelingen en uitgangspunten. Appia gaat ook input leveren voor het ontwerp en de prioritering van verbeteringen aan Pontes.

De strategie van het Eurosysteem ten aanzien van DLT geen invulling aan de drie vereisten van innovatie, integratie en onafhankelijkheid.

Innovatie: het Eurosysteem omarmt innovatie zonder afbreuk te doen aan de veiligheid. De initiatieven zullen de financiële markten voorzien van een afwikkelingslaag in centralebankgeld die niet te maken heeft met het krediet- en liquiditeitsrisico van particuliere activa. Centralebankgeld is de solide basis die innovatie duurzaam en betrouwbaar maakt.

Integratie: het Europese post-trade-landschap blijft versnipperd.[62] Daardoor zijn de kosten hoog, de liquiditeit laag en worden grensoverschrijdende activiteiten bemoeilijkt door uiteenlopende regels, vergoedingen en procedures. Met het door de Europese Commissie voorgestelde pakket voor marktintegratie wordt deze uitdaging erkend en word beoogd om een diepere integratie van de kapitaalmarkt te bevorderen. DLT kan van nut zijn doordat het gedeelde, rechtsgebiedoverschrijdende markinfrastructuren mogelijk maakt. Hiervoor moet vanaf het begin worden stilgestaan bij harmonisatie en interoperabiliteit.

Onafhankelijkheid: Europa heeft behoefte aan strategische autonomie in een voortdurend veranderend mondiaal landschap. Hierbij bieden Pontes en Appia ondersteuning doordat ze bouwen aan een ecosysteem rond centralebankgeld als een betrouwbaar publiek afwikkelingsmiddel. Daardoor is het mogelijk om gereguleerde particuliere afwikkelingsactiva in euro veilig te ontwikkelen.

4.3 Oversight en de rol van de centrale bank van uitgifte

De veilige en efficiënte werking van financiële marktinfrastructuren en het betalingsverkeer in het eurogebied blijven een prioriteit voor het Eurosysteem in zijn hoedanigheid van toezichthouder. Daarnaast neemt het Eurosysteem, als centrale bank van uitgifte van de euro, deel in samenwerkingsregelingen met andere toezichthouders of bevoegde autoriteiten voor financiële marktinfrastructuren met aanzienlijke in euro luidende activiteiten.

Het Eurosysteem voerde meerdere beoordelingen uit van zowel systeemrelevante betalingssystemen als pan-Europese en nationale betalingssystemen en -regelingen

Uit de alomvattende beoordeling van TARGET-diensten, die in 2025 werd afgerond, is geconcludeerd dat de diensten grotendeels voldoen aan de toepasselijke oversightvereisten. Er zijn aanbevelingen gedaan met betrekking tot met name de governance van het risicomanagement en de integratie van cyberprocessen in het operationele risicomanagement. De bevindingen zijn niet beschouwd als een ernstig risico. De incidenten die de TARGET-diensten in 2025 troffen, zijn geëvalueerd, met name het grote incident in februari en latere incidenten in maart, mei en november. De evaluatie heeft geleid tot aanbevelingen ten aanzien van het omvangrijke incident en inzake processen voor de business continuity management.

De ECB-verordening met betrekking tot de oversightvereisten voor systeemrelevante betalingssystemen is in de herschikte versie gepubliceerd

Het Eurosysteem heeft tevens een aantal beoordelingen uitgevoerd van andere systeemrelevante betalingssystemen, zoals EURO1 en STEP2-T van EBA CLEARING en het Mastercard Clearing Management System, waarbij de nadruk lag op operationele weerbaarheid en belangrijke veranderingen. Volgend op de jaarlijkse rubricering van betalingssystemen voor oversightdoeleinden zijn in 2025 wijzigingen aangebracht in de status van sommige betalingssystemen.[63] Daarnaast heeft het Eurosysteem de herschikking afgerond van de ECB-verordening met betrekking tot oversightvereisten voor systeemrelevante betalingssystemen (ECB SIPS-Verordening)[64], waarin verschillende elementen zijn herzien, zoals de definitie van een SIPS-exploitant zodat hier ook bijkantoren in het eurogebied van een buiten het eurogebied gevestigde rechtspersonen onder vallen. Voorts bevat de herschikte verordening bepalingen met betrekking tot cyberrisico’s en uitbesteding, waarbij ook rekening wordt gehouden met ontwikkelingen in de technologie en regelgeving in de Europese Unie, waaronder de Wet digitale operationele weerbaarheid (Digital Operational Resilience Act – DORA)[65].

Het Eurosysteem heeft binnen zijn oversightkader voor elektronisch betalingsverkeer, -systemen en -regelingen (het PISA-kader) alomvattende beoordelingen van geselecteerde betalingssystemen afgerond. Verder heeft het Eurosysteem zijn nieuwe verantwoordelijkheden in het kader van de verordening betreffende markten in cryptoactiva (MiCAR)[66] tot uitvoering gebracht en, in samenwerking met de Europese Bankautoriteit, het gezamenlijk rapport over betaalfraude over 2025 afgerond.

Op het gebied van cyberweerbaarheid heeft het Eurosysteem zijn periodieke cyberenquête gehouden om de weerbaarheid van onder toezicht staande entiteiten te beoordelen.[67] Het coördineerde ook de activiteiten van de Euro Cyber Resilience Board for Pan-European Financial Infrastructures, waarvoor crisiscoördinatie en de beheersing van risico’s van derden in 2025 belangrijke aandachtsgebieden waren.

Het Eurosysteem heeft de CCP-kredietfaciliteit in TARGET herzien om ervoor te zorgen dat deze snel operationeel wordt

Als centrale bank van uitgifte voor de euro droeg het Eurosysteem bij aan de werkzaamheden van toezichts- en resolutiecolleges voor centrale tegenpartijen (CCP’s) in de EU en nam het deel aan het reguliere toezicht op systeemrelevante CCP’s uit derde landen. Ook werd de evaluatie afgerond van de CCP-kredietfaciliteit die op grond van het TARGET-richtsnoer beschikbaar is voor in aanmerking komende CCP’s uit het eurogebied.[68] De ECB hield in 2025 toezicht op de ontwikkelingen in het clearinglandschap in de EU en voerde diepgaande analyses uit van de structuur en het functioneren van de liquiditeitspools voor in euro luidende rentederivaten. Zij heeft ook bijgedragen aan de werkzaamheden van het onlangs opgezette gezamenlijke monitoringmechanisme.

Als centrale bank van uitgifte voor de euro droeg het Eurosysteem bi aan toezichtsprocedures voor post-trading-marktinfrastructuren

Op het gebied van effectenafwikkeling bleef het Eurosysteem zijn rol als relevante autoriteit vervullen uit hoofde van de verordening betreffende centrale effectenbewaarinstellingen[69] (Central Securities Depositories Regulation – CSDR) door met redenen omklede adviezen te verstrekken over de regelmatige toetsing en evaluatie, en de uitbreiding van de vergunningen, van bepaalde centrale effectenbewaarinstellingen. Daarnaast heeft het Eurosysteem niet-bindende adviezen uitgebracht over een aantal aanvragen die werden ingediend in het kader van de verordening DLT Pilot Regime[70].

Tot slot heeft de ECB bijgedragen aan diverse beleids- en regelgevende werkzaamheden op EU- en internationaal niveau, waaronder de ontwikkeling van technische reguleringsnormen in verband met recent vastgestelde of geactualiseerde EU-wetgeving op het gebied van financiëlemarktinfrastructuren.

5 Markttransactie-activiteiten en aan andere instellingen verstrekte financiële diensten

De swap- en repolijnen van het Eurosysteem met centrale banken buiten het eurogebied zijn monetaire beleidsinstrumenten die worden gebruikt als stabilisatie-instrumenten in tijden van spanningen op de mondiale financiële markten. De euroliquiditeitsovereenkomsten boden in 2025 opnieuw een achtervang voor marktgebaseerde financiering. De ECB bleef ook op regelmatige basis transacties in Amerikaanse dollars aanbieden aan in aanmerking komende tegenpartijen van het eurogebied, daarbij ondersteund door het permanente swaplijnnetwerk van belangrijke centrale banken, bestaande uit de ECB samen met het Federal Reserve System, de Bank of Canada, de Bank of England, de Bank of Japan en de Swiss National Bank. Er waren in 2025 geen ECB-interventies op de valutamarkt. De ECB bleef namens de EU verantwoordelijk voor het beheer van verschillende financiële transacties en bleef de dienstverlening van het Eurosysteem op het gebied van reservebeheer coördineren.

5.1 Markttransactie-ontwikkelingen

Liquiditeitsovereenkomsten voor euro’s en andere valuta's

De swap- en repolijnen van het Eurosysteem bleven in 2025 operationeel

De swap- en repolijnen van het Eurosysteem zijn monetairbeleidsinstrumenten. Ze helpen voorkomen dat spanningen op de internationale financieringsmarkten de effectiviteit van de monetairbeleidstransmissie in het eurogebied belemmeren. Tabel 5.1 geeft een overzicht van de liquiditeitsovereenkomsten per 31 december 2025. Het aanspreken van de euroliquiditeitsovereenkomsten bleef in 2025 uiterst beperkt.

Wat liquiditeitsovereenkomsten in vreemde valuta’s betreft, bleef de ECB in 2025 wekelijks liquiditeit in Amerikaanse dollars verschaffen, met een looptijd van zeven dagen, in overleg met het Federal Reserve System, de Bank of Canada, de Bank of England, de Bank of Japan en de Zwitserse centrale bank (het swaplijnnetwerk). Leningen door tegenpartijen in het eurogebied bleven het hele jaar uiterst beperkt.

Tabel 5.1

Overzicht van liquiditeitsovereenkomsten van het Eurosysteem per 31 december 2025

Centrale bank buiten het eurogebied

Type overeenkomst

Wederkerig

Maximaal te lenen bedrag (in EUR miljoen)

Danmarks Nationalbank

Swaplijn

Nee

24.000

Sveriges Riksbank

Swaplijn

Nee

10.000

Bank of Canada

Swaplijn

Ja

Onbeperkt

People’s Bank of China

Swaplijn

Ja

45.000

Bank of Japan

Swaplijn

Ja

Onbeperkt

Swiss National Bank

Swaplijn

Ja

Onbeperkt

Bank of England

Swaplijn

Ja

Onbeperkt

Federal Reserve System

Swaplijn

Ja

Onbeperkt

Banca Naţională a României

Repolijn

Nee

4.500

Magyar Nemzeti Bank

Repolijn

Nee

4.000

Bank of Albania

Repolijn

Nee

400

Andorran Financial Authority

Repolijn

Nee

35

National Bank of the Republic of North Macedonia

Repolijn

Nee

400

Central Bank of the Republic of San Marino

Repolijn

Nee

100

Central Bank of Montenegro

Repolijn

Nee

250

Central Bank of the Republic of Kosovo

Repolijn

Nee

100

Bron: ECB.

Verslaglegging over valuta-interventies

De ECB voert sinds 2011 geen valutamarktinterventies meer uit

Er waren in 2025 geen ECB-interventies op de valutamarkt. Sinds de invoering van de euro heeft de ECB tweemaal geïntervenieerd op de valutamarkt, in 2000 en 2011. Gegevens over valuta-interventies worden op kwartaalbasis met een vertraging van één kwartaal gepubliceerd op de website van de ECB en in het ECB Data Portal en zijn in samengevatte vorm opgenomen in Tabel 5.2. Als zich in een bepaald kwartaal geen valuta-interventie heeft voorgedaan, wordt dit expliciet vermeld.

Tabel 5.2

Valuta-interventies door de ECB

Periode

Datum

Soort interventie

Valutapaar

Aangekochte valuta

Brutobedrag (in EUR miljoen)

Nettobedrag (in EUR miljoen)

2000-III

22 september 2000

Gecoördineerd

EUR/USD

EUR

1.640

1.640

22 september 2000

Gecoördineerd

EUR/JPY

EUR

1.500

1.500

2000-IV

3 november 2000

Eenzijdig

EUR/USD

EUR

2.890

2.890

3 november 2000

Eenzijdig

EUR/JPY

EUR

680

680

6 november 2000

Eenzijdig

EUR/USD

EUR

1.000

1.000

9 november 2000

Eenzijdig

EUR/USD

EUR

1.700

1.700

9 november 2000

Eenzijdig

EUR/JPY

EUR

800

800

2011-I

18 maart 2011

Gecoördineerd

EUR/JPY

EUR

700

700

2012-24

-

-

-

-

-

-

2025-I tot 2025-IV

-

-

-

-

-

-

Bron: ECB.

Het verslagleggingskader omvat de eenzijdig door de ECB uitgevoerde en in coördinatie met andere internationale autoriteiten uitgevoerde valuta-interventies, en interventies tegen limietkoersen in het kader van het wisselkoersmechanisme (exchange rate mechanism – ERM II).

5.2 Beheer van krediettransacties van de EU

De ECB verwerkte betalingen voor verschillende leningenprogramma’s van de EU

De ECB treedt op als uitbetalingsinstantie voor de Europese Commissie voor het beheer van door de EU opgenomen en verstrekte leningen. In 2025 was zij verantwoordelijk voor het beheer van de rekeningen en de verwerking van betalingen in verband met de volgende EU-programma’s:

  • De faciliteit voor financiële bijstand op de middellange termijn (medium-term financial assistance facility – MTFA);
  • Het Europees Financieel Stabilisatiemechanisme (EFSM);
  • Het Europees instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid te beperken in een noodtoestand (SURE);
  • Het Next Generation EU-programma (NGEU);
  • Het samenwerkingsmechanisme voor leningen aan Oekraïne (ULCM);
  • De faciliteit voor Oekraïne;
  • Macrofinanciële bijstand (MFA);
  • De hervormings- en groeifaciliteit voor de westelijke Balkan.

De ECB treedt ook op als uitbetalende instantie voor de Europese Commissie met betrekking tot de EU Issuance Service.

In 2025 verwerkte de ECB diverse uitbetalingen en aflossingen met betrekking tot de bovengenoemde programma’s.

Daarnaast is de ECB ook verantwoordelijk voor het verwerken van alle betalingen in het kader van de kredietfaciliteitovereenkomst voor Griekenland.

Op 31 december 2025 bedroegen de totale nominale uitstaande bedragen € 37,1 miljard uit hoofde van het EFSM, € 90,4 miljard uit hoofde van SURE en € 26,3 miljard uit hoofde van de kredietfaciliteitovereenkomst voor Griekenland. Per die datum stonden er in het kader van de MTFA geen bedragen uit.

5.3 Diensten van het Eurosysteem inzake reservebeheer

Diverse nationale centrale banken van het Eurosysteem verleenden diensten uit hoofde van het ERMS

In 2025 bood het Eurosysteem wederom een veelomvattende reeks financiële diensten aan uit hoofde van het in 2005 ingevoerde kader voor het beheer van in euro luidende reserveactiva (Eurosystem Reserve Management Services - EMRS) toebehorend aan cliënten. Diverse nationale centrale banken van het Eurosysteem stelden deze diensten onder geharmoniseerde voorwaarden en volgens marktstandaarden beschikbaar aan centrale banken, monetaire autoriteiten en overheidsinstanties buiten het eurogebied, alsook aan internationale organisaties. De ECB coördineerde opnieuw het ERMS-kader, zag toe op het soepel functioneren van de diensten, faciliteerde verbeteringen aan het kader en verzorgde de verslaglegging voor de besluitvormende organen van de ECB.

Eind 2025 bedroeg het aantal rekeningen van cliënten in het ERMS 285, tegen 287 eind 2024. In het vierde kwartaal van 2025 waren de totale gemiddelde geaggregeerde aanhoudingen (met inbegrip van liquiditeiten en aangehouden effecten) die binnen het ERMS-kader werden beheerd ongeveer 8% hoger dan in het vierde kwartaal van 2024.

6 De contante euro: klaar voor de toekomst

In 2025 nam het aantal eurobankbiljetten in omloop opnieuw toe. Het proces voor het nieuwe ontwerp van de eurobankbiljetten is voortgezet, overeenkomstig de inzet van het Eurosysteem voor de blijvende beschikbaarheid, toegankelijkheid en acceptatie van contant geld als betaalmiddel. Tegelijkertijd willen we dat het zo duurzaam en milieuvriendelijk mogelijk is. Door de ontwikkeling van de nieuwe serie wordt de veiligheid van de eurobankbiljetten verbeterd en worden ze aansprekender voor alle Europeanen.

6.1 Ontwikkelingen in de omloop en verwerking van contant geld

De omloop van eurobankbiljetten en -munten nam opnieuw toe

Het aantal eurobankbiljetten in omloop nam ook in 2025 toe en bereikten aan het einde van het jaar een nieuw record. Het aantal biljetten bedroeg 31,3 miljard met een totale nominale waarde van € 1.619,5 miljard. Na een afvlakking tijdens de periode van stijgende rentetarieven, herstelde de nominale groei licht, tot 2,5% in aantal en 2,0% in waarde op jaarbasis.

Grafiek 6.1

Aantal en waarde van eurobankbiljetten in omloop

(links: EUR miljard; rechts: miljard)

Bron: ECB.

In het afgelopen decennium bedroeg de waarde van contant geld in omloop meer dan 10% van het bbp van het eurogebied, wat het belang van contant geld onderstreept

In de periode 2015-2025 bedroeg de waarde van contant geld in omloop steeds meer dan 10% van het bbp van het eurogebied, wat het belang onderstreept van contant geld als betaalmiddel en als liquide middel dat wordt aangehouden voor transactie- en voorzorgsdoeleinden. De groei van de bankbiljettenomloop werd ook gestimuleerd door het internationale gebruik van de euro.

In 2025 hebben kredietinstellingen 24,5 miljard bankbiljetten aan de nationale centrale banken (NCB’s) van het eurogebied geretourneerd, een lichte afname ten opzichte van 2024 van 0,9 miljard bankbiljetten. Gemeten naar waarde bedroegen de bij de NCB’s gestorte bankbiljetten in 2025 in totaal € 833 miljard, tegen € 856 miljard in 2024. Kredietinstellingen hebben grotere hoeveelheden bankbiljetten opnieuw in omloop gebracht onder klanten in plaats van ze te retourneren aan de nationale centrale banken.

In 2025 was de toename van de euromunten in omloop door uitgiften van lidstaten van het eurogebied 1,8% in aantal en 2,6% in waarde op jaarbasis, te weten 2,7 miljard munten met een nominale waarde van € 890 miljoen.

6.2 Versterking van het wettelijk kader voor contant geld

Contant geld speelt een belangrijke rol bij noodgevallen en ondersteunt de weerbaarheid van het betalingsverkeer

De toename van de eurobankbiljetten in omloop toont aan dat er nog steeds behoefte is aan toekomstgericht beleid dat de acceptatie van contant geld waarborgt en een goede toegang tot contantgelddiensten waarborgt, evenals de veiligheid en duurzaamheid van bankbiljetten. De groeiende bezorgdheid in het eurogebied over de acceptatie van contant geld en de toegang tot contant geld maakt duidelijk dat er dringend behoefte is aan een alomvattend EU-kader met duidelijke en bindende regels betreffende de status van eurobankbiljetten en -munten als wettig betaalmiddel. Met een dergelijk kader zal het vertrouwen van het publiek in contant geld worden versterkt en de verantwoordelijkheden van de lidstaten worden verduidelijkt wat betreft het waarborgen van effectieve toegang tot en een grotere weerbaarheid van contantgelddiensten. De ECB verwelkomde de aanzienlijke vooruitgang die de EU-wetgevers hebben geboekt, met het akkoord van de Raad van de Europese Unie van december 2025 over een algemene aanpak, en zij is bereid technische ondersteuning te bieden voor de afronding van de Verordening inzake eurobankbiljetten en -munten als wettig betaalmiddel[71] in het kader van het pakket voor de gemeenschappelijke munt. Ondanks de algemene stijging van digitale retailbetalingen in het eurogebied blijkt uit analyses van stroomstoringen dat contant geld een betrouwbare terugvaloptie blijft in het geval van verstoringen in het betalingsverkeer, die onverwacht kunnen optreden en transacties op grote schaal kunnen beïnvloeden.[72] Contant geld versterkt de weerbaarheid van het stelsel, waarbij het zowel (naast het dagelijkse wijdverbreide gebruik ervan) als een “reserveband” voor het betalingsverkeer bij verstoringen fungeert als de concurrentie op de betaalmarkten bevordert. Het is ook belangrijk voor financiële inclusie, aangezien veel burgers, niet in de laatste plaats kwetsbare groepen, voor hun dagelijkse betalingen afhankelijk zijn van contant geld.

6.3 Vervalsingen en de ontwikkeling van eurobankbiljetten

Het aantal vervalsingen dat uit de omloop is genomen daalde met 20%

In 2025 zijn ongeveer 444 000 valse eurobankbiljetten uit omloop genomen, een daling van 20% ten opzichte van het voorgaande jaar. De biljetten van € 20 en € 50 werden opnieuw het vaakst vervalst. Samen waren ze goed voor ongeveer 80% van het totaal.

De vervalsingen in verhouding tot de totale bankbiljetten in omloop waren een van de laagste sinds de invoering van de euro

In 2025 werden per miljoen echte bankbiljetten in omloop 14 vervalsingen ontdekt, een van de laagste niveaus sinds de invoering van de euro (Grafiek 6.2). De kans een vervalst bankbiljet in handen te krijgen is dus zeer klein.

De meeste vervalsingen zijn van lage kwaliteit, met geen of zeer slecht nagemaakte echtheidskenmerken. Bankbiljetten kunnen worden gecheckt met de eenvoudige ‘voel, kijk en kantel’-methode die wordt beschreven op de pagina over echtheidskenmerken van de ECB-website en de websites van de NCB’s in het eurogebied.

Grafiek 6.2

Aantal ontdekte vervalsingen op jaarbasis per miljoen echte eurobiljetten in omloop:

Bron: ECB.

Voortgang met het nieuwe ontwerp van de eurobankbiljetten

In 2025 heeft de ECB haar werkzaamheden met betrekking tot het ontwerp van de eurobankbiljetten voortgezet. Het doel van dit proces is dat de nieuwe bankbiljetten de eenheid, identiteit en waarden van Europa beter weergeven en veiliger, milieuvriendelijker en aansprekender zijn voor alle Europeanen. Dit project, dat in december 2021 van start is gegaan, sluit aan op de inzet van de ECB voor contant geld als veilig en inclusief betaalmiddel.

Het publiek wordt tijdens het gehele ontwerpproces geraadpleegd en rond eind 2026 wordt een besluit over de definitieve ontwerpen verwacht

Betrokkenheid van het publiek is van cruciaal belang geweest bij het ontwerpproces. Via raadplegingen en enquêtes heeft de ECB ideeën en feedback uit de hele Europese Unie verzameld. In 2023 heeft de Raad van Bestuur op basis van bijdragen van het publiek en aanbevelingen van deskundigen twee thema’s voor de nieuwe bankbiljetten gekozen: “Europese cultuur”, waarmee gezamenlijk culturele ruimten en iconische Europese personages worden uitgelicht, en “Rivieren en vogels”, waarin de rijke natuurlijk diversiteit van Europa tot uiting komt. Begin 2025 heeft zij de motieven geselecteerd waarmee de thema’s worden geïllustreerd.

Later in het jaar, op 15 juli, lanceerde de ECB haar ontwerpwedstrijd voor de nieuwe bankbiljetten, waarin ontwerpers en kunstenaars uit de Europese Unie werden uitgenodigd om aanvragen in te dienen voor deelname aan de ontwerpfase. De deelnemers werden geselecteerd op basis van hun ervaring en prestaties en zijn inmiddels begonnen met het opstellen van ontwerpvoorstellen. De jury van de ontwerpwedstrijd, bestaande uit onafhankelijke deskundigen uit elk land van het eurogebied, selecteert maximaal vijf winnende ontwerpen voor elk thema. Het publiek zal zijn mening kunnen geven voordat de Raad van Bestuur de definitieve ontwerpen kiest, wat naar verwachting rond eind 2026 zal plaatsvinden. De nieuwe bankbiljetten zullen enkele jaren na deze beslissing en volgend op het productieproces in omloop worden gebracht.

7 Statistieken

Met hulp van de nationale centrale banken (NCB's) houdt de ECB zich bezig met het ontwikkelen, verzamelen, samenstellen en publiceren van allerlei statistieken en gegevens die nodig zijn voor de taken van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) en het Europees comité voor systeemrisico's, al dan niet op het gebied van financiële stabiliteit. Ook overheden, internationale organisaties, financiële marktpartijen, de media en het grote publiek gebruiken deze statistieken, die de ECB helpen om transparanter te werken.

In 2025 verfijnde de ECB de statistieken voor het eurogebied om het monetair beleid, de financiële stabiliteit en de bredere prioriteiten van de EU beter te ondersteunen. De belangrijkste datasets over geldmarkten, banken en overheidsfinanciën zijn verbeterd, waardoor de dekking, consistentie en transparantie zijn verbeterd. Bovendien is de rapportage door de nationale centrale banken gestroomlijnd. Klimaatgerelateerde indicatoren werden verder ontwikkeld zodat completere informatie over duurzame financiering en klimaatrisico’s kan worden verschaft en zo bij te dragen tot de integratie van klimaatoverwegingen in beleidsanalyses. Op wetgevingsniveau heeft de ECB gerichte wijzigingen van Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad aanbevolen om het kader voor de verzameling van statistieken te moderniseren, de kwaliteit en efficiëntie van de gegevens te verbeteren en de rapportagelast tot een minimum te beperken en tegelijkertijd de vertrouwelijkheid te beschermen. Tegelijkertijd heeft het Joint Bank Reporting Committee (JBRC) belangrijke vorderingen gemaakt om de gegevensrapportage van banken efficiënter te maken met de publicatie van zijn eerste advies, dat betrekking had op de tenuitvoerlegging van de herziene statistische classificatie van economische activiteiten.

7.1 Statistieken voor het eurogebied verder ontwikkelen om tegemoet te komen aan veranderende beleidsbehoeften

De transparantie van de STEP-markt werd vergroot door een grotere dekking en een betere nauwkeurigheid

In januari 2025 heeft de ECB haar statistieken voor het Short-Term European Paper (STEP) aanzienlijk verbeterd, die informatie verschaffen over volumes, transacties en rendementen op de primaire markt voor kortlopende schuldbewijzen die zijn uitgegeven in het kader van programma’s die het STEP-keurmerk hebben gekregen. De nieuwe STEP-statistieken profiteren niet alleen van gegevens afkomstig van in aanmerking komende STEP-gegevensverstrekkers, maar ook van andere hoogwaardige gegevens die beschikbaar zijn in de Centrale Effectendatabase van de ECB (Centralised Securities Database – CSDB), wat leidt tot een betere kwaliteit en dekking van de gegevens. De verbeterde statistieken worden gepubliceerd in interactieve rapporten met nieuwe wekelijkse gegevens, waardoor het eenvoudiger wordt de geldmarktactiviteiten van het Eurosysteem (in het kader van zijn monetairbeleidstransacties), effectenemittenten en beleggers te volgen.

De Raad van Bestuur heeft een nieuw Richtsnoer vastgesteld op het gebied van statistieken over vermogen, inkomen en consumptie van huishoudens

In januari heeft de Raad van Bestuur eveneens een nieuw Richtsnoer vastgesteld dat het bestaande kader voor de statistieken van het eurogebied over vermogen, inkomen en consumptie van huishoudens verbetert en verder harmoniseert.[73] Het kader geeft een beter inzicht in de situatie van de verschillende groepen huishoudens en in de wijze waarop deze door de economische ontwikkelingen en het monetaire beleid worden geraakt.

Het herschikte Richtsnoer betreffende statistieken over de overheidsfinanciën moderniseert tekort- en schuldgegevens en stroomlijnt de rapportage door NCB’s

De Raad van Bestuur heeft zijn goedkeuring gehecht aan een herschikt Richtsnoer betreffende statistieken over de overheidsfinanciën, waarin wordt geregeld hoe gegevens voor het eurogebied met betrekking tot overheidsinkomsten, -uitgaven, -tekorten/overschotten en -schulden worden samengesteld en gerapporteerd.[74] Het herschikte Richtsnoer introduceert duidelijkere templates voor gegevens per sector (centrale, deelstaat- en lagere overheid en socialezekerheidsfondsen), voegt geharmoniseerde informatie toe over financiële verbanden met de EU-begroting en bepaalt wanneer NCB’s mogen afgaan op reeds door Eurostat verstrekte statistieken. Dit verbetert de consistentie en voorkomt onnodige overlap van rapportages.

De toevoeging van nieuwe rapporteurs in de €STR-berekening toont aan dat de ECB zich inzet voor betrouwbare en transparante benchmarks voor de eurogeldmarkt

Om de robuustheid en representativiteit van de eurogeldmarktstatistieken te versterken, werden vanaf 2 juli 2025 gegevens uit de uitgebreide populatie voor geldmarktstatistieken (MMSR) opgenomen in de dagelijkse berekening van de kortetermijnrente voor de euro (euro short-term rate – €STR). Dit volgde op de toevoeging van 24 nieuwe banken aan de MMSR-populatie op 1 juli 2024, waardoor voor verschillende landen van het eurogebied de omvang van de groep is vergroot en de dekking voor het eerst is uitgebreid met Luxemburg en Portugal. De benchmark is nu gebaseerd op hogere transactievolumes en een betere dekking.

Nieuwe uitsplitsingen van statistieken over schuldbeleggingen geven een duidelijker en gedetailleerder beeld van blootstellingen in de loop van de tijd

In juli 2025 is de ECB begonnen met de publicatie van gedetailleerdere statistieken over grensoverschrijdende beleggingsposities in schuldbewijzen in het eurogebied.[75] Deze nieuwe uitsplitsingen tonen meer valuta’s en emittentenlanden, een breder scala aan beleggers- en emittentensectoren, verschillende looptijden en de vraag of een obligatie groen of duurzaam is. Ook worden activa en passiva gegroepeerd volgens eenvoudige, op kredietratings gebaseerde risicocategorieën en is er sprake van een aantal indicatoren volgens zowel nominale waarde als marktwaarde, waardoor een duidelijker beeld wordt gegeven van de blootstelling in de loop van de tijd.

Geactualiseerde geconsolideerde bankgegevens omvatten nu klasse-1 beleggingsondernemingen en maken gecentraliseerde aggregatie door de ECB mogelijk

In oktober 2025 heeft de Raad van Bestuur zijn goedkeuring gehecht aan een Richtsnoer tot wijziging van het Richtsnoer over geconsolideerde bankgegevens.[76] Hiermee werd de dekking van de statistieken uitgebreid tot klasse-1 beleggingsondernemingen, zodat de geaggregeerde gegevens de volledige bankensector van de EU beter weergeven.[77] De wijziging stelt de ECB in staat toezichtsgegevens centraal namens de NCB’s te aggregeren met behulp van haar IT-systemen om de consistentie en efficiëntie tussen landen te verbeteren. Daarnaast zijn de rapportagesjablonen verfijnd zodat gedetailleerdere informatie over bankstatistieken kan worden verschaft.

Verbeterde klimaatindicatoren bieden nieuwe uitsplitsingen en gedetailleerdere maatstaven voor transitierisico’s en fysieke klimaatrisico’s

In november 2025 heeft de ECB haar statistische klimaatindicatoren verder verbeterd. De indicatoren voor duurzame schuldbewijzen werden uitgebreid met nieuwe uitsplitsingen naar valuta, looptijd en rentetype. De transitierisico-indicatoren bieden nu een gedetailleerder beeld van de CO2- en sectorale profielen van de leningen en effectenportefeuilles van banken, waardoor het eenvoudiger is om blootstellingen aan sectoren met een hoge uitstoot te beoordelen en veranderingen in de loop van de tijd te volgen. De fysieke risico-indicatoren werden verfijnd zodat een bredere reeks gevaren wordt bestreken, waaronder temperatuur- en neerslaggerelateerde risico’s en waterschaarste, en ze zijn gekoppeld aan de geografische locatie van de onderliggende blootstellingen.

7.2 Herziening van Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad – verzamelen van statistische gegevens door de ECB

De wetgeving inzake statistieken is geactualiseerd om de kwaliteit en efficiëntie van de gegevens te verbeteren en de rapportagelast te verminderen

Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad[78] voorziet in het juridische kader voor het verzamelen van de statistische gegevens van banken en andere informatieplichtigen die nodig zijn voor de taken van het ESCB. De verordening is in 1998 vastgesteld en in 2009 en 2015 gewijzigd. Aangezien de economie, het financiële stelsel en het datalandschap zich verder ontwikkelen, heeft de ECB in 2025 een nieuwe aanbeveling gedaan om de verordening te wijzigen.[79] Vervolgens heeft de Raad van de Europese Unie op 16 december 2025 een wijzigingsverordening vastgesteld.[80]

Er zijn meer gedetailleerde gegevens nodig, maar de rapportagelast moet tot een minimum worden beperkt

De digitale transformatie leidt tot nieuwe eisen en kansen, niet alleen voor bedrijven, maar ook voor de verlening van overheidsdiensten. Er is ongekende omgeving ontstaan met nieuwe behoeften aan statistische gegeven om de taken van het ESCB uit te voeren maar ook nieuwe mogelijkheden voor de efficiënte verzameling van gedetailleerde gegevens. Bovendien hebben recente economische en financiële ontwikkelingen de noodzaak vergroot om tijdiger, frequentere en gedetailleerdere statistieken te verzamelen en tegelijkertijd de rapportagelast tot een minimum te beperken.

Om de rapportagelast te verlichten, mogen de gegevens slechts eenmaal worden verzameld en met de betrokken partijen worden gedeeld

Het was dan ook van belang om het wettelijk kader zodanig aan te passen dat de statistische en wettelijk vereiste rapportage waar mogelijk volgens het beginsel van “eenmalig rapporteren” kan plaatsvinden. Om te voorkomen dat meerdere lidstaten en autoriteiten en organen van de EU dezelfde gegevens verzamelen, moeten statistische gegevens onder duidelijk omschreven omstandigheden worden gedeeld tussen de leden van het ESCB en door het ESCB met leden van het Europees Statistisch Systeem en andere relevante partijen, ongeacht welk ESCB-lid de gegevens in eerste instantie heeft verzameld.

7.3 Het efficiënter maken van de verslaglegging van banken

Het JBRC bleef werken aan vereenvoudiging en harmonisatie

Er werd belangrijke vooruitgang geboekt bij het efficiënter maken van de gegevensrapportage door banken, aangestuurd door het Joint Bank Reporting Committee (JBRC), dat Europese en nationale autoriteiten en de bankensector bijeenbrengt. Het JBRC bereikte in juni 2025 een belangrijke mijlpaal met de publicatie van zijn eerste advies, dat betrekking had op de uitvoering van de herziene statistische classificatie van economische activiteiten (NACE Rev. 2.1). De ECB en de Europese Bankautoriteit zorgen dat banken de herziene classificatie voor statistische, toezichts- en resolutierapportage gelijktijdig kunnen toepassen.

Het Eurosysteem besloot na te gaan of het IReF een stap zou kunnen zijn in de richting van een meer technologisch soeverein Europa

In 2025 bleef het Eurosysteem zich inzetten voor het verminderen van de rapportagelast van banken door zijn statistische rapportagevereisten te consolideren via het kader voor geïntegreerde verslaglegging (Integrated Reporting Framework – IReF). Gezien de geopolitieke ontwikkelingen en het langetermijnkarakter van het IReF-project heeft het Eurosysteem besloten te onderzoeken of deze eerste stap naar een volledig geïntegreerd rapportagesysteem ook een stap zou kunnen zijn in de richting van een technologisch soevereiner Europa. Daartoe heeft het Eurosysteem meer tijd nodig dan verwacht om soevereinere oplossingen, waaronder cloudhostingoplossingen, te beoordelen voor het implementeren van het IReF.

De dekking van de BIRD is in 2025 toegenomen, waaruit blijkt dat gedetailleerde afstemming van statistische en toezichtsrapportages de kwaliteit en consistentie ervan verbetert

Tot slot is in 20205 de rol van de Banks’ Integrated Reporting Dictionary (BIRD) verder uitgebreid, die een brug slaat tussen de gegevensvereisten van autoriteiten en de bewoordingen en definities die door banken worden gebruikt. Het gaat onder meer om de toevoeging van FINREP, activabezwaring en AnaCredit aan de BIRD. Er zijn nieuwe werkstromen opgezet waarmee aanvullende toezichtkaders en gegevensvereisten zijn geïntegreerd en de dekking van de BIRD verder is uitgebreid tot andere dan statistische gegevens. Deze werkzaamheden zijn met name van belang omdat ze een bevestiging vormen van de haalbaarheid van het onderling afstemmen van de statistische rapportage en de toezichtsrapportage op een gedetailleerd niveau, waardoor de kwaliteit van de door banken gerapporteerde gegevens wordt verbeterd en de consistentie tussen de verschillende rapportagedomeinen wordt bevorderd.

Kader 6
Op weg naar mondiale normen op het gebied van macro-economische statistieken

In 2025 kwam er een einde aan een lang internationaal gecoördineerd herzieningsproces voor de voornaamste statistische standaarden. De herziening was gericht op het standaardiseren en uitbreiden van de wijze waarop de economische en financiële bedrijvigheid wordt gemeten zodat wordt beantwoord aan nieuwe onderzoeksbehoeften en beleidsvraagstukken. Indicatoren zoals het bruto binnenlands product (bbp), het saldo op de externe rekening en het vermogen, die essentieel zijn voor de economische analyses van de ECB, zijn geactualiseerd aan de hand van herziene definities, zodat de onderliggende economische realiteit beter wordt weergegeven.

De herziening

De herziening betrof zowel het System of National Accounts (SNA) and the Balance of Payments and International Investment Position Manual (BPM). De herziene edities staan bekend als het SNA 2025 en het BPM7. Deze twee statistische handboeken vormen de kern van de internationale macro-economische statistische standaarden, de reeks overeengekomen concepten, classificaties en boekhoudkundige conventies die bij de samenstelling van macro-economische statistieken worden gebruikt. Het herzieningsproces, dat in 2020 van start is gegaan, loopt nog voor verschillende andere aanverwante statistische handboeken, waaronder die voor statistieken over overheidsfinanciën, monetaire en financiële statistieken en milieuverslaglegging. Landen over de hele wereld worden aangemoedigd om de nieuwe normen uiterlijk in 2030 in te voeren.

Met de actualisering van de standaarden wordt getracht recht te doen aan de aanzienlijke veranderingen in het economische landschap sinds de vorige (in 2008 afgeronde) herziening, zoals de toegenomen globalisering en digitalisering van economische interacties en transformaties in het financiële stelsel. Daarnaast zijn de handboeken zodanig verbeterd dat beter wordt beantwoord aan prioriteiten voor het analyseren van bijvoorbeeld welzijn, milieu en duurzaamheid.

Betere behandeling van activa

De meest ingrijpende veranderingen betreffen de behandeling van economische activa. De digitale transformatie heeft geleid tot nieuwe soorten activa die in macro-economische statistieken moeten worden onderkend. Het gaat onder meer om cryptoactiva en elektronische gegevens die fungeren als activa die de economische bedrijvigheid ondersteunen. Deze laatste zullen worden ingedeeld als vervaardigde activa, zodat de gemeten investeringen en het bbp zullen toenemen.

Bovendien zullen natuurlijke hulpbronnen een centralere rol gaan spelen. Binnen de classificatie van activa is een nieuwe categorie ingevoerd die alle natuurlijke hulpbronnen omvat (in tegenstelling tot andere vervaardigde en niet-vervaardigde activa), en hernieuwbare energiebronnen worden uitdrukkelijk als zodanig onderkend. Tegelijkertijd wordt de uitputting van niet-hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen behandeld als productiekosten, wat leidt tot een lager netto binnenlands product (nbp) in vergelijking met de huidige berekeningsmethode. In het nieuwe systeem wordt de nadruk gelegd op het nbp en andere netto-indicatoren die naast waardecreatie ook waardevernietiging in aanmerking nemen als conceptueel informatievere indicatoren van de onderliggende economische bedrijvigheid, met name bij de beoordeling van de economische groei, waarbij wordt benadrukt dat zowel het nbp als het bbp op een vergelijkbare wijze bij de economische analyse moeten worden gehanteerd.

De rol van overheidsactiva bij de productie van goederen en diensten zal ook worden versterkt, aangezien de kapitaaldienstenstromen van deze activa nu zullen worden opgenomen in de raming van de overheidsproductie. Dit zal op zijn beurt leiden tot een toename van het gemeten bbp.

Verbeterde analysemogelijkheden

Zowel het SNA 2025 als het BPM7 bevatten aanvullende uitsplitsingen ten opzichte van eerdere edities. Met deze verbeteringen wordt beoogd het gebruik van macro-economische statistieken voor economische en financiële analyse uit te breiden en te beantwoorden aan nieuwe onderzoeksbehoeften en beleidsvraagstukken.

Zo wordt in de handboeken nu een kader voorgesteld voor de presentatie van verdelingsmaatstaven voor inkomen, consumptie en vermogen van huishoudens. Om de rol van multinationale ondernemingen beter weer te kunnen geven, zijn nieuwe subsectoren binnen het bedrijfsleven ingevoerd en is de vaststelling van buitenlandse zeggenschap in ondernemingen verduidelijkt en prominenter aangeduid. Verder wordt voorzien in aanvullende detailgegevens over activa en economische stromen ter ondersteuning van duurzaamheidsanalyses, zoals over de identificatie van effecten en andere financiële instrumenten met milieu-, maatschappij- en governancekenmerken (ESG). De financiële sector wordt fijnmaziger gepresenteerd, zodat rekening wordt gehouden met nieuwe vormen van financiële intermediatie, waaronder niet-bancaire financiële intermediatie en fintech.

Statistici binnen het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) zijn de afgelopen jaren sterk betrokken geweest bij de ontwikkeling van deze aspecten, zelfs voordat deze formeel in de internationale standaarden werden opgenomen, vanwege hun relevantie voor de functies van het ESCB.

Implementatie door de EU

Het proces gericht op de implementatie van de geactualiseerde internationale macro-economische standaarden in de EU is inmiddels gestart. Met 2030 als streefdatum, en met goedkeuring van de relevante EU-organen, werken de bureaus voor de statistiek en de centrale banken aan de verbetering en aanpassing van hun bronnen en methodologieën, zodat rekening wordt gehouden met de nieuwe statistische vastlegging en nieuwe uitsplitsingen worden ingevoerd waarmee de economische analyses worden verbeterd.

Een centraal element van de implementatie door de EU is de noodzakelijke herziening van de desbetreffende statistische EU-wetgeving. Een belangrijk onderdeel hiervan is het Europees Systeem Van Rekeningen (European System of Accounts – ESA), waarvan de actualisering naar verwachting in 2028 zal worden afgerond. Soortgelijke tijdschema’s zijn ook vastgesteld voor herzieningen van de Verordening betreffende de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen[81] en de ECB-Richtsnoeren betreffende financiële kwartaalrekeningen[82], externe statistieken[83] en overheidsfinanciën[84].

8 Onderzoeksactiviteiten van de ECB

In 2025 hebben medewerkers van de ECB uitgebreid economisch, monetair, financieel en juridisch onderzoek verricht, waarmee zij belangrijke input leverden voor de beleidsvorming, onder meer voor de strategiebeoordeling van 2025. De werkzaamheden in het kader van het ChaMP-onderzoeksnetwerk[85], evenals onderzoek op basis van de Consumer Expectations Survey en de Household Finance and Consumption Survey, vormden opnieuw een rijke bron van gegevens voor het monetair beleid.

Allereerst wordt ingegaan op de kwaliteit van het ECB-onderzoek, waarna de vijf belangrijkste onderzoeks- en beleidsadviesgebieden worden beschreven, evenals de in de loop van het jaar op deze gebieden geboekte vooruitgang, Verder wordt een beschrijving gegeven van de oprichting en werkzaamheden van de Research Task Force (RTF) inzake kunstmatige intelligentie (AI) en wordt afgesloten af met het Kader “Macro-economische modellering in onzekere tijden”.

Het onderzoek bij de ECB geniet wereldwijde erkenning

De ECB streeft ernaar hoogwaardig onderzoek te doen op gebieden die van belang zijn voor het mandaat en de werkzaamheden van centrale banken. Sinds december 2024 rangschikt Research Papers in Economics (RePEc) – een veelgebruikte index van economisch onderzoek – de ECB op het gebied van monetaire economie als hoogste ter wereld. In 2025 stonden de Federal Reserve Board en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) respectievelijk op de tweede en derde plaats. Op het bredere gebied van de macro-economie staat de ECB op de tweede plaats, onder de Harvard University Department of Economics en boven het IMF. Op het gebied van de bankensector staat de ECB nog steeds op de eerste plaats, boven de Bank voor Internationale Betalingen en de University of Chicago Booth School of Business. Van de centrale banken en soortgelijke instellingen overal ter wereld staat de ECB in 2025 op de tweede plaats, onder het IMF en boven de Federal Reserve Board. In Europa staat de ECB op de derde plaats bij alle disciplines en instellingen, onder de London School of Economics and Political Science en de Paris School of Economics.

Het onderzoek in 2025 betrof vijf brede themagebieden

De in 2025 bij de ECB uitgevoerde onderzoeksprojecten kunnen worden gegroepeerd in vijf brede themagebieden. Op alle gebieden konden de projecten profiteren van de input van nationale centrale banken en de samenwerking binnen onderzoeksclusters van het Europees Stelsel van Centrale Banken.

Ten eerste ondersteunde het onderzoek naar de monetairbeleidsstrategie en -transmissie de strategiebeoordeling van de ECB van 2025 en zorgde het voor een diepgaander inzicht in de transmissie van het monetair beleid. Door actualiseringen van de prognosemodellen werd de transmissie zwakker geraamd. Deze actualiseringen verbeterden ook de voorspelprestaties en het interpretatievermogen van de modellen tijdens periodes van onconventioneel beleid en energiegedreven inflatie. Andere werkzaamheden op het gebied van de transmissie van het monetair beleid betroffen analyses van kwantitatieve verkrapping, aankopen van activa en crisisinterventies. De bevindingen werpen een nieuw licht op de effecten van liquiditeitsverwachtingen op de geldmarktspreads; de heterogene transmissie tussen huishoudens, bedrijven en sectoren; niet-lineaire inflatiedynamiek, en interacties tussen monetair beleid, financiële stabiliteit en begrotingsbeleid. Ten slotte richtten de studies naar de tenuitvoerlegging van het monetaire beleid zich op de geldmarktvolatiliteit, de repoprijs en veranderingen in de regelgeving, terwijl bij het onderzoek naar communicatie werd gekeken naar vertrouwen, de verankering van verwachtingen en de houding van het publiek ten opzichte van de communicatie van centrale banken en de digitale euro. Bij het communicatieonderzoek werd samengewerkt binnen het ChaMP-onderzoeksnetwerk.

Een tweede themagebied betrof het begrotingsbeleid en de governance in de Economische en Monetaire Unie. Het onderzoek op dit gebied had betrekking op monetair-fiscale interacties, begrotingsmultiplicatoren en de groene transitie. Uit de bevindingen bleek dat goed ontworpen begrotingsregels het monetair beleid aan de ondergrens kunnen ondersteunen, dat budgettaire stimulering de inflatiedynamiek beïnvloedt en dat het klimaatbeleid gepaard gaat met afwegingen tussen inflatie, productie en de effectiviteit van de transitie.

Ten derde hebben onderzoekers van de ECB op het gebied van internationale macro-economie en financiën onderzoek gedaan naar geopolitieke fragmentatie, grensoverschrijdende overloopeffecten van schokken, de dominantie van valuta’s en het internationale monetaire stelsel. De desbetreffende bevindingen wijzen op de regionalisering van handel en betalingen, ongelijke mondiale overloopeffecten van het Amerikaanse monetaire beleid en de aanhoudende dominantie van de Amerikaanse dollar, naast geleidelijke verschuivingen in het gebruik van valuta’s en de financiële infrastructuur. Ook de rechtsstaat, een waarde die op internationaal niveau ter discussie wordt gesteld, is onderzocht.

Een vierde themagebied voor het onderzoek van de ECB is de macro-economische dynamiek en microfundamenten. In 2025 lag de nadruk op de analyse van bedrijven, huishoudens, arbeidsmarkten en prijzen, evenals op onderzoeksmethoden met gebruikmaking van gedetailleerde gegevens en micro-gefundeerde modellen. De werkzaamheden op dit gebied wezen op heterogene reacties op schokken en monetair beleid, de rol van verwachtingen, de sectorale inflatiedynamiek en de veerkracht van de arbeidsmarkt. Ook werd gebruikgemaakt van vooruitgang in de methodologie, waaronder met behulp van op AI gebaseerde prognose- en ramingsinstrumenten.

Tot slot werd in 2025 op het gebied van financiële instellingen en markten de interactie tussen monetair beleid, financiële markten, inflatie en de reële economie uitgebreid geanalyseerd. In studies werd de transmissie van het monetaire beleid via woonruimteverzekeringen, het kredietaanbod en de contractstructuren voor leningen onderzocht, waarbij de rol van de balanskenmerken van banken en de heterogeniteit van de markt werden benadrukt. Andere werkzaamheden op dit gebied beoordeelden de effecten van de aankoop van activa door centrale banken en interacties tussen monetair en macroprudentieel beleid, waaruit blijkt dat monetair beleid een grotere invloed heeft op de krediettarieven dan het macroprudentieel beleid. Daarnaast richten onderzoekers zich opnieuw op de weerbaarheid van banken, toezichtshervormingen en niet-bancaire intermediairs, waaronder beleggingsfondsen en verzekeraars. Tot slot omvatte onderzoek naar het financiële stelsel eveneens analyses van klimaatgerelateerde financiële risico’s, waaronder klimaattransitierisico’s, en de effectiviteit van klimaatgerelateerde toezeggingen.

Er werd een Research Task Force inzake AI opgericht

De snelle verspreiding van AI zal de economie naar verwachting verregaand veranderen. Naar aanleiding daarvan werd in september 2025 een RTF inzake AI met een duur van twee jaar opgericht, die zich op twee werkstromen richt: AI en de reële economie, en AI en de financiële sector. De reguliere werkzaamheden in de werkstroom over de reële economie omvatten het bestuderen van de effecten van AI op de productiviteit, de vraag naar arbeid, de dynamiek van bedrijven, de concurrentie en de inflatie. Aandachtsgebieden zijn ook het gebruik van machine learning en large language models om teksten te analyseren, prognoses op te stellen en de verspreiding van technologie te bestuderen. In de werkstroom over de financiële sector zijn onderzoekers begonnen te experimenteren met het gebruik van AI om effectenmarkten, bankactiviteiten en digitale betalingen te analyseren. De eerste resultaten lijken te verschillen van die van standaardmodellen, wat gevolgen heeft voor de financiële stabiliteit en de prijsstelling van leningen.

De onderzoeksproductie van de ECB bleef groot

De onderzoeksproductie bij de ECB bleef op een hoog niveau. In totaal hebben medewerkers 158 papers gepubliceerd in de Working Paper Series van de ECB en 12 artikelen in het Research Bulletin. Veel van de working papers zijn ook extern in wetenschappelijke tijdschriften gepubliceerd. Parallel daaraan is onderzoek dat wordt gecoördineerd door het Legal Research Programme van de ECB in internationale toonaangevende tijdschriften gepubliceerd en heeft de ECB zelf een speciale bundel gepubliceerd met verzamelde papers over de juridische aspecten van de opbouw van de autonomie van de EU.

Kader 7
Macro-economische modellering in onzekere tijden

De ECB versterkt haar modelleringsmogelijkheden in reactie op de toegenomen macro-economische onzekerheid, ook in het kader van de reguliere evaluaties van haar strategie (zie Kader 2 “De evaluatie van de monetairbeleidsstrategie van 2025”). De afgelopen jaren is de onzekerheid toegenomen als gevolg van grootschalige schokken – waaronder mondiale geopolitieke veranderingen – die macro-economische prognoses en de vormgeving van monetair beleid op de proef stellen. De ECB heeft haar modellen en statistische instrumenten voor het meten van opkomende economische verschijnselen dan ook herzien en aangepast, en belangrijke modeltoepassingen voor nowcasting, prognoses en beleidsanalyse opnieuw beoordeeld.[86]

Door recente economische schokken is duidelijk geworden dat er behoefte is aan gedetailleerdere modellen die atypische economische schommelingen beter kunnen weergeven. De nieuwe Bayesiaanse vector-autoregressiemodellen (BVAR) van de ECB hanteren een fijnmazige bottom-upbenadering door de inflatie uit te splitsen in subcomponenten. Ook bieden ze stochastische volatiliteit en correcties van uitschieters.[87] De afnemende correlatie tussen de olie-, gas- en elektriciteitsprijzen, in combinatie met het toenemende belang van klimaatgerelateerd begrotingsbeleid vraagt daarnaast om een meer gedesaggregeerde modellering van de energieprijzen. De uitbreiding van de gebruikte gegevensbronnen heeft bijgedragen aan de evaluatie van nieuwe schokken van macro-economisch belang, waaronder verstoringen van de toeleveringsketen, die nu expliciet zijn opgenomen in inflatieramingsmodellen.[88] Bovendien worden bij de raming van de potentiële output steeds vaker maatstaven van de bezettingsgraad op basis van enquêtes en op bedrijfsniveau gebruikt, terwijl mede aan de hand van hoogfrequente indicatoren, tekstgegevens, online-zoekopdrachten en mobiliteitsindicatoren de economische bedrijvigheid in real time kan worden gemeten door middel van geharmoniseerde wekelijkse bedrijvigheidsindices voor het eurogebied en de afzonderlijke landen.

Het klimaat van hogere inflatie na de COVID-19-pandemie onderstreepte het belang van zowel sterke indirecte als tweederonde-effecten voor de inflatiedynamiek, evenals relevante niet-lineariteiten en toestandsafhankelijkheid. In reactie hierop heeft de ECB modellen ontwikkeld met in de tijd variërende schokeigenschappen en transmissiemechanismen, waaronder niet-parametrische modellen.[89] Deze kenmerken komen ook tot uiting in structurele modellen met input-outputkoppelingen en een uitgebreide sectorale heterogeniteit, met inbegrip van gekalibreerde multisectorale modellen voor meerdere landen[90]. Dankzij recente vooruitgang op het gebied van rekenmethoden is het mogelijk om een schatting te maken van Heterogeneous Agent New Keynesian (HANK)-modellen voor het eurogebied, waardoor uitgebreidere transmissiemechanismen met heterogene subjecten en een analyse van de verdelingseffecten van het beleid mogelijk zijn.[91] Bij de evaluatie van de strategie werd de nadruk gelegd op de lopende modelleringsinspanningen. Daarbij gaat het onder meer om de ontwikkeling van modellen die zowel structurele trends als macrofinanciële verbanden omvatten, en die ook analyses van de macro-economische effecten van defensie-uitgaven, concurrentiebeleid, geopolitieke onzekerheid, kunstmatige intelligentie, demografie, begrotingsuitdagingen op lange termijn en monetair-fiscale interacties mogelijk maken.

De ECB onderhoudt een robuust governancekader voor prognoses en beleidsmodellering, onderbouwd door interne toetsing en controle van haar macro-economische modelleringspraktijken. Dit proces heeft geleid tot de publicatie van een interne gids voor de governance van macro-economische modellen die worden gebruikt voor projecties en beleidsanalyse. De gids bevordert een voortdurende beoordeling waarmee de robuustheid, de transparantie en het aanpassingsvermogen van de modelleringsinfrastructuur en -portefeuille van de ECB wordt gewaarborgd. De modellen van de ECB worden regelmatig gevalideerd ten opzichte van empirische benchmarks – door middel van studies naar de transmissie van het monetair beleid[92], modeloverschrijdende heterogeniteit en voorspellingsprestaties van het ESCB – aan de hand van evaluaties buiten de steekproef en uitsplitsing van prognosefouten.[93] Het governancekader van de ECB voor macro-economische modellering waarborgt institutionele kennis, bevordert de integratie van nieuwe instrumenten en methodologieën in de academische voorhoede en vereenvoudigt het in dienst nemen van nieuwe medewerkers. Het bevat handreikingen over de bruikbaarheid, documentatie, validatie en controleerbaarheid van modellen en over de beheersing van het levenscyclusrisico. De ECB heeft ook haar modelleringsinfrastructuur gemoderniseerd, waarbij zij de hoogste technische standaarden hanteert voor het onderhoud van coderegisters en de ontwikkeling van modellen, en zij stelt in toenemende mate modelcodes beschikbaar aan het publiek.

9 Juridische werkzaamheden en taken

Dit hoofdstuk gaat in op de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) ten aanzien van de ECB en biedt informatie over adviezen van de ECB en gevallen van niet-naleving van de verplichting om de ECB te raadplegen over voorgenomen wetsvoorstellen op gebieden waarop zij bevoegd is en het monitoren van naleving van het verbod op monetaire financiering en bevoorrechte toegang door de ECB.

9.1 Bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie ten aanzien van de ECB

Er werd bevestigd dat bepalingen betreffende de bevoegdheden en de doelstellingen van het monetair beleid van de organen van de ECB geen rechten aan particulieren toekennen

In februari 2025 verwierp het HvJ-EU een hogere voorziening tegen de afwijzing door het Gerecht van een vordering tot schadevergoeding tegen de ECB na een openbare verklaring van de president van de ECB tijdens een persconferentie (C-11/24 P).[94] Het Hof bevestigde dat voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de ECB krachtens artikel 340 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel moet worden vastgesteld die ertoe strekt rechten aan particulieren toe te kennen. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de aangevoerde wettelijke bepalingen betreffende de verdeling van bevoegdheden tussen de organen van de ECB en de doelstellingen van het monetair beleid geen rechten aan particulieren toekennen en dat de ECB dus niet aansprakelijk is voor schadevergoeding. Het Hof heeft ook de vaststelling van het Gerecht bevestigd dat er geen causaal verband was vastgesteld tussen de openbare verklaring en de vermeende financiële verliezen. Dit oordeel bevestigt daarmee de grenzen van de aansprakelijkheid van de ECB voor monetaire beleidscommunicatie krachtens het recht van de Europese Unie (EU), wat bijdraagt aan de rechtszekerheid bij de uitvoering van haar institutionele mandaat.

Bevestigd werd dat de ECB het nationale recht moet uitleggen en toepassen in overeenstemming met de EU-richtlijnen die in genoemde nationale wetgeving zijn omgezet

Het HvJ-EU bevestigde in juli 2025 dat de ECB de Italiaanse wetgeving tot uitvoering van de Richtlijn herstel en afwikkeling van banken[95] juist had uitgelegd en toegepast bij het onder tijdelijk bewind plaatsen van Banca Carige (gevoegde zaken C-777/22 P en C-789/22 P). Het Hof verduidelijkte dat wanneer de ECB nationale wetgeving tot omzetting van een EU-richtlijn toepast op een bank die onder haar rechtstreeks toezicht staat – zoals bepaald in artikel 4, derde lid van de Verordening inzake het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (SSM-verordening)[96] – zij deze nationale regels moet uitleggen in overeenstemming met zowel de richtlijn als het Unierecht in zijn geheel. Deze door de ECB en de Europese Commissie ingestelde hogere voorzieningen hadden betrekking op het eerdere arrest van het Gerecht in de zaak T-502/19, Corneli / ECB, ingesteld door een minderheidsaandeelhouder tegen het besluit van de ECB om bij Banca Carige tijdelijke bewindvoerders te benoemen. Wat de vraag inzake de ontvankelijkheid betreft, bevestigde het HvJ-EU de bevinding van het Gerecht dat aandeelhouders van onder toezicht staande entiteiten in bepaalde omstandigheden de bevoegdheid kunnen hebben om toezichtsbesluiten van de ECB aan te vechten, met name wanneer die besluiten van invloed zijn op de uitoefening van hun administratieve rechten. Het HvJ-EU heeft het arrest van het Gerecht van 2022 vernietigd en de zaak terugverwezen.

9.2 Adviezen van de ECB en gevallen van niet-naleving

Er waren negen duidelijke en belangrijke gevallen van niet-naleving van de verplichting om de ECB te raadplegen over wetsvoorstellen

Krachtens artikel 127, lid 4, en artikel 282, lid 5, van het VWEU moet de ECB worden geraadpleegd over communautaire of nationale wetsvoorstellen op gebieden die onder haar bevoegdheid vallen. Alle adviezen van de ECB worden gepubliceerd op EUR-Lex.

Er zijn in 2025 negen duidelijke en belangrijke gevallen opgetekend waarin de verplichting tot raadpleging van de ECB met betrekking tot wetsvoorstellen niet werd nageleefd. Twee gevallen van niet-naleving betroffen wetsvoorstellen van de EU en zeven gevallen nationale wetsvoorstellen. Met betrekking tot beide gevallen van niet-raadpleging ten aanzien van EU-wetsvoorstellen heeft de ECB op eigen initiatief adviezen uitgebracht, evenals in zes van de zeven gevallen van niet-raadpleging ten aanzien van nationale wetsvoorstellen.

Het eerste geval ten aanzien van de EU betrof een EU-voorstel voor een richtlijn betreffende het uitstel met twee jaar van de termijn voor de lidstaten om bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsverslaggeving en due diligence-eisen voor ondernemingen toe te passen. Dit geval wordt als duidelijk en belangrijk beschouwd vanwege het belang ervan voor de tenuitvoerlegging van het monetaire beleid, het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, de bijdrage aan een goede beleidsvoering door bevoegde autoriteiten ten aanzien van de stabiliteit van het financiële stelsel, en het verzamelen van statistische gegevens.

Het tweede geval ten aanzien van de EU betrof een voorstel van de EU voor een verordening met betrekking tot bepaalde rapportagevereisten op het gebied van financiële diensten en investeringssteun. Deze zaak wordt als duidelijk en belangrijk beschouwd vanwege de mogelijke impact van de verordening op de rapportage en uitwisseling van toezichtsgegevens.

Het eerste nationale geval van niet-naleving betreft een Bulgaarse wet met maatregelen tegen de financiering van terrorisme, de proliferatie van massavernietigingswapens en het witwassen van geld. Deze zaak wordt als duidelijk en belangrijk beschouwd omdat het een nationaal recht betreft dat gevolgen heeft voor de exclusieve bevoegdheid van de ECB om binnen het SSM vergunningen te verlenen en in te trekken. De volgende drie nationale zaken hebben betrekking op Kroatische, Griekse en Hongaarse wetten die onder meer de toegang van burgers tot contant geld regelen. Deze gevallen worden als duidelijk en belangrijk beschouwd omdat voldoende en effectieve toegang tot chartale diensten noodzakelijk is om de effectiviteit van de status van wettig betaalmiddel van contant geld te behouden. De vijfde nationale zaak betreft een Hongaarse wet inzake de weerbaarheid van kritieke entiteiten. Dit geval wordt als duidelijk en belangrijk beschouwd omdat de verplichtingen en toezichtsbevoegdheden die in de desbetreffende wetten zijn vastgelegd van invloed zijn op de onafhankelijkheid van Magyar Nemzeti Bank krachtens artikel 130 van het VWEU. Het zesde nationale geval betreft een Hongaarse wet die van invloed is op Magyar Nemzeti Bank. Dit geval wordt als duidelijk en belangrijk beschouwd vanwege de invloed ervan op de besluitvormende organen van Magyar Nemzeti Bank, het verbod op monetaire financiering en de toegestane activiteiten van de door Magyar Nemzeti Bank opgerichte stichtingen. De zevende nationale zaak betreft een Hongaarse wet die in het kader van de omzetting van de herziene Richtlijn kapitaalvereisten (CRD)[97] betrekking heeft op de ambtstermijn van een adjunct-gouverneur en bepaalde vereisten in verband met diens benoeming en ontslag. Dit geval wordt als duidelijk en belangrijk beschouwd vanwege de invloed ervan op de besluitvormende organen van Magyar Nemzeti Bank en de onafhankelijkheid van de Magyar Nemzeti Bank.

De ECB heeft acht adviezen uitgebracht over voorgenomen wetsvoorstellen van de EU

De ECB heeft acht adviezen uitgebracht over wetsvoorstellen van de EU met betrekking tot (i) een kortere effectenafwikkelingscyclus in de EU; (ii) prudentiële vereisten voor kredietinstellingen met betrekking tot effectenfinancieringstransacties in het kader van de nettostabielefinancieringsratio; (iii) vereenvoudiging van duurzaamheidsverslaggeving door ondernemingen, evenals due diligence-vereisten en taxonomievereisten; (iv) niet-financiële statistieken over zakelijk onroerend goed; (v) de invoering van de euro in Bulgarije; vi) het Pericles V-programma ter bestrijding van eurovalsemunterij; vii) eenvoudige, transparante securitisaties en daarmee samenhangende kapitaalvereisten; en viii) de vereenvoudiging van de regels voor economische governance.

De ECB heeft 37 adviezen uitgebracht over nationale wetsvoorstellen

De ECB heeft 37 adviezen uitgebracht over nationale wetsvoorstellen. Adviezen inzake nationale wetgeving bestrijken vaak meer dan één onderwerp, afhankelijk van de reikwijdte van de nationale wetgeving waarover de ECB wordt geraadpleegd.[98] De ECB heeft de volgende adviezen uitgebracht:

  • 17 adviezen over nationale centrale banken, onder meer over de eigendom van goudreserves, de ambtstermijn en samenstelling van de leden van de besluitvormende organen, het voorkomen van belangenconflicten, winstuitkeringsregels, schatkistrekeningen, deelname aan het SSM, verantwoordelijkheden tijdens een civiele crisis, de toepassing van vereisten inzake cyberbeveiliging en weerbaarheid, de financiering van de quotumbijdrage van een lidstaat aan het Internationaal Monetair Fonds, en stichtingen en pensioenen;
  • acht adviezen over contant geld, waaronder toegang tot chartale diensten, limieten voor contant geld, de status van wettig betaalmiddel van contant geld en de invoering van een grondwettelijk recht om betalingen met contant geld te verrichten;
  • zeven adviezen over onafhankelijkheid van het toezicht en het voorkomen van belangenconflicten;
  • drie adviezen over belastingen op banken voor bijzondere doeleinden of belastingen op financiële transacties;
  • twee adviezen over toegang tot het betalingsverkeer;
  • twee adviezen over de beoordelingsprocedure voor fusies, afstotingen en overnames;
  • één advies over digitale operationele weerbaarheid op het gebied van betalingen;
  • één advies over het toezicht op aanbieders van diensten op het gebied van financieel berichtenverkeer;
  • één advies over de portabiliteit van IBAN-rekeningen;
  • één advies over de verplichte acceptatie van girale betalingen;
  • één advies over bijzondere kredietinstellingen met een lagere aanvangsdrempel van € 1 miljoen;
  • één advies over de interactie tussen nationaal recht, het SSM en sectorspecifieke bankregels;
  • één advies over minimumreserveratio’s in een land buiten het eurogebied;
  • één oordeel over overstromingsverzekering;
  • één advies over noodplanning in een civiele crisis;
  • één advies over macroprudentiële maatregelen in verband met hypothecaire leningen.

Tabel 9.1

Statistische ontwikkelingen in verband met de uitvoering van haar adviserende rol van de ECB van 2021 tot en met 2025

2021

2022

2023

2024

2025

Duidelijke en belangrijke gevallen van niet-raadpleging

3

5

12

9

9

Totaal aantal ECB-adviezen over EU-wetsvoorstellen

8

14

12

4

8

waarvan: adviezen op eigen initiatief

0

5

3

2

1

Totaal aantal ECB-adviezen over nationale wetsvoorstellen

32

32

35

38

37

waarvan: adviezen op eigen initiatief

0

2

5

5

5

9.3 Naleving van het verbod op monetaire financiering en bevoorrechte toegang

De verbodsbepalingen van de Artikelen 123 en 124 van het Verdrag werden in het algemeen nageleefd

Krachtens Artikel 271 onder d, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft de ECB de taak toe te zien op de naleving, door de nationale centrale banken (NCB’s) van de EU van de verbodsbepalingen zoals uiteengezet in Artikelen 123 en 124 van het Verdrag en Verordeningen (EC) Nr. 3603/93[99] en 3604/93[100] van de Raad. Artikel 123 verbiedt de ECB en de nationale centrale banken voorschotten in rekening-courant of andere kredietfaciliteiten aan overheden en instellingen of organen van de EU te verlenen, alsmede van hen rechtstreeks schuldbewijzen te kopen. Artikel 124 verbiedt alle niet op overwegingen van bedrijfseconomisch toezicht gebaseerde maatregelen waardoor overheden en instellingen of organen van de EU bevoorrechte toegang tot financiële instellingen zouden krijgen. Naast de Raad van Bestuur van de ECB ziet de Europese Commissie erop toe of de lidstaten de bovengenoemde bepalingen naleven.

De ECB controleert tevens de door de NCB's van de EU op de secundaire markt verrichte aankopen van schuldbewijzen die zijn uitgegeven door de binnenlandse overheidssector, de overheidssector van andere lidstaten en door instellingen en organen van de EU. Krachtens de overwegingen van Verordening (EG) Nr. 3603/93 van de Raad mag de aankoop van door de overheidssector uitgegeven schuldbewijzen op de secundaire markt niet worden gebruikt om het doel van Artikel 123 van het Verdrag te ontwijken.

De voor 2025 door de ECB uitgevoerde controle bevestigde dat de Artikelen 123 en 124 van het Verdrag in het algemeen werden nageleefd.

De ECB blijft de betrokkenheid van Magyar Nemzeti Bank bij de Budapest Stock Exchange op de voet volgen, aangezien de aankoop van een meerderheidsbelang in de Budapest Stock Exchange door Magyar Nemzeti Bank in november 2015 nog altijd kan worden beschouwd als reden tot bezorgdheid over monetaire financiering.

De financiering van verplichtingen van de overheidssector jegens het Internationaal Monetair Fonds door NCB's wordt niet als monetaire financiering beschouwd, mits deze resulteert in buitenlandse vorderingen die alle kenmerken van reserves hebben. De in voorgaande jaren door de Nationale Bank van België en Banque de France via het Internationaal Monetair Fonds verstrekte financiële bijdragen voor schuldverlichting voor arme landen met een zware schuldenlast hebben echter niet geleid tot buitenlandse vorderingen en vereisen derhalve corrigerende maatregelen.

De financiering van de Spaanse financiële inlichtingeneenheid (Servicio Ejecutivo de la Comisión de Prevención del Blanqueo de Capitales e Infracciones Monetarias – Sepblac) door de Banco de España is niet verenigbaar met het verbod op monetaire financiering, aangezien Sepblac een overheidsorgaan is. Bijgevolg dienen de regelingen met betrekking tot Sepblac worden herzien om ervoor te zorgen dat het verbod wordt nageleefd.

10 De ECB binnen de EU en in een internationale context

De drie besluitvormende organen van de ECB (de Raad van Bestuur, de Directie en de Algemene Raad) zijn voortgegaan met het voorbereiden en bepalen van de beleidskoers krachtens het mandaat van de ECB voor Europa. De ECB onderhield gedurende het jaar ook haar open en constructieve dialoog met Europese en internationale tegenhangers. Centraal in het verantwoordingskader van de ECB staat haar voortdurende interactie met het Europees Parlement, met name via reguliere hoorzittingen en correspondentie met de Commissie economische en monetaire zaken (ECON).

In de bredere internationale context ondersteunde de ECB de inspanningen van de G20 om zowel de bancaire als de niet-bancaire sectoren te versterken en belangrijke toezeggingen te doen met betrekking tot Bazel III, cryptoactiva, grensoverschrijdende betalingen en financiële stabiliteit. De ECB ondersteunde ook de werkzaamheden van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) via zijn bijdragen aan relevante beleidsdiscussies.

10.1 Besluitvorming door de ECB

De Raad van Bestuur heeft vijftien vergaderingen gehouden over monetair beleid en andere strategische beleidskwesties

De Raad van Bestuur, het belangrijkste besluitvormende orgaan van de ECB, is in 2025 vijftienmaal bijeengekomen. Acht van haar vergaderingen waren voornamelijk gewijd aan de in Hoofdstuk 2 samengevatte monetairbeleidsbeslissingen. Zeven van deze vergaderingen werden gehouden in Frankfurt en één werd in Florence georganiseerd door de Banca d’Italia. De overige zeven vergaderingen – waarvan één in Frankfurt en de andere via videoconferentie – waren ofwel gericht op de andere in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie omschreven taken van het Eurosysteem, zoals markttransacties, betalingssystemen, financiële stabiliteit, statistieken en bankbiljetten, ofwel op meer interne aangelegenheden. Er werden met name strategische beslissingen genomen over belangrijke onderwerpen zoals die in dit Jaarverslag aan de orde komen: de digitale euro, de thema’s en motieven voor de derde serie bankbiljetten, de invoering van de euro in Bulgarije en de vereenvoudiging van de bankregels in de EU. De vergaderingen werden vaak gecombineerd met seminars over specifieke beleidsonderwerpen. Dergelijke seminars verschaffen de leden van de Raad van Bestuur aanvullende achtergrondinformatie en leiden tot een eerste informele reflectie en gedachtewisseling zonder dat er besluiten worden genomen. De Raad van Bestuur hield in mei 2025 ook een strategische retraite in Porto (Portugal). Deze was gewijd aan de beoordeling van de monetairbeleidsstrategie van 2025 en hield eveneens een workshop in over de digitale euro.

Zoals blijkt uit de grafiek hieronder, heeft de Raad van Bestuur ook een aantal besluiten genomen via een schriftelijke procedure. In 2025 werden 456 schriftelijke procedures uitgevoerd over centralebankaangelegenheden[101] en 948 over kwesties in verband met bankentoezicht.

De samenstelling van de Raad van Bestuur veranderde in de loop van 2025. Er werden drie nieuwe gouverneurs benoemd door de bevoegde nationale autoriteiten: Martin Kocher (Oesterreichische Nationalbank), Olaf Sleijpen (De Nederlandsche Bank) en Álvaro Santos Pereira (Banco de Portugal). Daarnaast zijn twee leden – Mārtiņš Kazāks (Latvijas Banka) en Olli Rehn (Suomen Pankki) – herbenoemd in de Raad van Bestuur.

Dimitar Radev heeft stemrecht bij vergaderingen van de Raad van Bestuur en schriftelijke procedures, in overeenstemming met het vastgestelde roulatiesysteem

Zoals aangekondigd op 8 juli 2025, is Bulgarije op 1 januari 2026 tot het eurogebied toegetreden. Dimitar Radev trad als gouverneur van Българска народна банка (Nationale Bank van Bulgarije) toe tot de Raad van Bestuur. Om de toetreding van Bulgarije tot het eurogebied voor te bereiden, werd hij vanaf september 2025 op de hoogte gehouden van de besluitvormingskwesties van de ECB en woonde hij als waarnemer vergaderingen bij. Wat de roulatie van stemrechten in de Raad van Bestuur betreft, trad de Bulgaarse gouverneur toe tot de groep die 16 centrale banken van kleinere landen van het eurogebied vertegenwoordigt en elf stemrechten deelt.

De Directie heeft 42 vergaderingen gehouden over een breed scala aan beleidsdossiers en interne aangelegenheden

De Directie is het besluitvormende orgaan dat belast is met de voorbereiding van de vergaderingen van de Raad van Bestuur, de tenuitvoerlegging van het monetair beleid en andere besluiten, en het aansturen van de dagelijkse gang van zaken van de ECB. De meeste besluiten werden genomen tijdens haar vergaderingen, die eenmaal per week op dinsdagochtend plaatsvinden. In 2025 heeft de Directie 42 vergaderingen gehouden met 977 agendapunten, die betrekking hadden op alle taken van de ECB en interne aangelegenheden, zoals HR, begroting, administratie en IT. Daarnaast werden schriftelijke procedures gebruikt ter kennisneming of voor het nemen van routinebesluiten, en werden enkele besluiten genomen na delegatie door de Raad van Bestuur.

Grafiek 10.1

Aantal agendapunten per besluitvormend orgaan

Bron: ECB.

Grafiek 10.2

Aantal schriftelijke procedures per besluitvormend orgaan

(met uitzondering van schriftelijke procedures in het kader van het bankentoezicht)

Bron: ECB.

De Algemene Raad – een overgangsorgaan waarin ook de gouverneurs van de nationale centrale banken (NCB’s) van buiten het eurogebied zitting hebben – is in 2025 viermaal bijeengekomen. Er werd gesproken over de macro-economische, monetaire en financiële ontwikkelingen in de EU en van gedachten gewisseld over specifieke beleidsonderwerpen die voor alle nationale centrale banken van belang zijn. Daarnaast zijn schriftelijke procedures uitgevoerd om de leden van de Algemene Raad te raadplegen of te informeren over onderwerpen die onder zijn mandaat vallen. In 2025 besloot de Algemene Raad de frequentie van de vergaderingen vanaf 2026 te beperken tot tweemaal per jaar.

10.2 De verantwoordingsplicht van de ECB

Verantwoording is een noodzakelijke tegenhanger van onafhankelijkheid

Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) verleent de ECB onafhankelijkheid om ervoor te zorgen dat zij haar mandaat van prijsstabiliteit zonder politieke inmenging kan vervullen. Deze onafhankelijkheid gaat gepaard met een verplichting om verantwoording voor zijn handelen af te leggen tegenover de burgers van de EU, vertegenwoordigd door het Europees Parlement en haar gekozen functionarissen. De verantwoordingsmethoden van de ECB op grond van artikel 284, lid 3, van het VWEU voorzien in een wederzijdse dialoog met het Europees Parlement. Dit stelt de ECB in staat zijn beleid en besluiten uit te leggen en van de zorgen van de gekozen vertegenwoordigers van de burgers kennis te nemen. Tot slot vormt de rechterlijke toetsing door het Hof van Justitie van de Europese Unie een aanvulling op het verantwoordingskader van de ECB.

De ECB bleef in 2025 in dialoog met het Europees Parlement

In 2025 nam de President van de ECB deel aan vier reguliere hoorzittingen voor de ECON-commissie. De President nam ook deel aan het plenaire debat over het Jaarverslag voor 2023 van de ECB. De Vice-President presenteerde het Jaarverslag voor 2024 van de ECB in april 2022 aan ECON. Op dezelfde dag publiceerde de ECB haar reactie op de resolutie van het Europees Parlement over het Jaarverslag voor 2023. Gedurende het jaar heeft de ECB vijftien schriftelijke vragen van leden van het Europees Parlement beantwoord. Deze vragen hadden onder meer betrekking op monetair beleid, de economische vooruitzichten, de digitale euro en institutionele aangelegenheden. In oktober 2025 nam een delegatie van de ECON-commissie deel aan een jaarlijks bezoek aan de ECB in Frankfurt am Main.

De ECB bleef nauw met het Europees Parlement samenwerken op het gebied van de digitale euro

Gedurende geheel 2025 bleef de ECB nauw samenwerken met het Europees Parlement op het gebied van de digitale euro. Directielid Piero Cipollone nam deel aan vier gedachtewisselingen van de ECON-commissie om updates te geven over de voortgang van het project. Daarnaast werden de voorzitter en de leden van de commissie op de hoogte gehouden via meldingen van alle belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot de digitale euro. De ECB leverde ook technische analyses en input aan de leden van het Europees Parlement ter ondersteuning van het lopende wetgevingsproces over de digitale euro.

De steun voor de euro lag in 2025 op recordhoogte

Uit de Standard Eurobarometer-enquête in het voorjaar van 2025 bleek dat 83% van de respondenten in het eurogebied voorstander was van de gemeenschappelijke munt, wat een nieuw record is.[102] In de enquête in het najaar van 2025 bleef de steun groot: 82% van de respondenten steunde de euro. De ECB blijft zich inzetten voor een constructieve dialoog met het Europees Parlement en de burgers in het eurogebied. Door haar besluiten toe te lichten, in te gaan op zorgen van het publiek en een open dialoog te onderhouden streeft de ECB ernaar het vertrouwen te versterken en te zorgen voor de effectieve vervulling van haar verantwoordingsverplichtingen.

10.3 Internationale betrekkingen

G20

Het voorzitterschap van de G20 richtte zich op solidariteit, gelijkheid en duurzaamheid tegen de achtergrond van toenemende mondiale spanningen

Tijdens het Zuid-Afrikaanse voorzitterschap van de G20 in 2025 – dat zich richtte op solidariteit, gelijkheid en duurzaamheid – ondervond de wereldeconomie tegenwind door hoge en wisselende Amerikaanse heffingen, de Russische oorlog tegen Oekraïne en conflicten in het Midden-Oosten. In dit verband moedigde het voorzitterschap multilaterale samenwerking tussen de leden van de G20 aan. De G20 heeft in juli overeenstemming bereikt over een communiqué, in oktober over een ministeriële verklaring over de houdbaarheid van de schulden en op 22 en 23 november over de Verklaring van Johannesburg. Het voorzitterschap heeft Afrika en het zuidelijk halfrond centraal gesteld op de agenda van de G20. Belangrijke prioriteiten waren schuldhoudbaarheid, het opschalen van klimaatfinanciering en gelijke toegang tot kritieke mineralen, en het bevorderen van beleidssamenwerking op het gebied van inclusieve economische groei, voedselzekerheid en kunstmatige intelligentie. De ECB adviseerde dat een gelijk speelveld in alle rechtsgebieden van essentieel belang is om grensoverschrijdende overloopeffecten te beperken en de financiële stabiliteit te waarborgen. De ECB verwelkomde de toezeggingen in verband met de routekaart van de G20 voor de verbetering van grensoverschrijdende betalingen en met betrekking tot de volledige en tijdige uitvoering van overeengekomen hervormingen en internationale standaarden, waaronder Bazel III. Daarnaast verwelkomde de ECB de goedkeuring van de aanbevelingen van de Raad voor financiële stabiliteit (FSB) over hefboomfinanciering bij niet-bancaire financiële intermediatie (NBFI) en de beoordeling door de FSB van de implementatie van zijn aanbevelingen op hoog niveau voor cryptoactiva en stablecoins. De ECB riep verder op tot nadere werkzaamheden op het gebied van NBFI, die moeten worden ondersteund door betere gegevens en grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, om een doeltreffende implementatie te waarborgen en systeemrisico’s te beperken.

Beleidskwesties in verband met het IMF en de internationale financiële architectuur

De ECB droeg bij aan besprekingen in internationale gremia om een sterk en stabiel internationaal monetair en financieel stelsel te helpen bevorderen

Tegen de achtergrond van inspanningen om de internationale financiële architectuur aan te passen en te verbeteren, bleef de ECB, als belangrijke centrale bank, een actieve rol spelen in beleidsdiscussies bij het IMF[103] over aangelegenheden die relevant zijn voor haar eigen mandaat. Het IMF is begonnen met drie belangrijke evaluaties die in 2026 moeten worden afgerond. De herziening van het ontwerp en de conditionaliteit van programma’s heeft tot doel de kredietverleningsprogramma’s te verbeteren en zo de externe levensvatbaarheid en veerkracht van de lenende landen beter te ondersteunen. In de evaluatie van het alomvattende toezicht zal de balans worden opgemaakt van het veranderende toezichtlandschap en zullen de prioriteiten voor de komende vijf jaar worden vastgesteld. In de beoordeling van het Financial Sector Assessment Program (FSAP) wordt gekeken naar de effectiviteit van het FSAP in de aanpak van gebieden met toenemende kwetsbaarheden, de NBFI-dekking en de impact van beleidsadviezen van het IMF. De ECB is actief betrokken bij deze beoordelingen.

Het IMF zette ook zijn voorbereidingen voort voor de uitvoering van de 16e General Review of Quotas (waarmee de quotamiddelen van het IMF met 50% zullen worden verhoogd) en streeft ernaar in 2026 een reeks beginselen te ontwikkelen als leidraad voor toekomstige besprekingen over IMF-quota en -governance, waaronder de 17e General Review of Quotas. Wat de middelen voor IMF-trusts betreft, is er verdere vooruitgang geboekt bij de verstrekking van de toegezegde financiële middelen – hetzij als bijzondere trekkingsrechten, hetzij als gelijkwaardige bijdrage – aan het Poverty Reduction and Growth Trust en het Resilience and Sustainability Trust, waarbij de meeste toezeggingen inmiddels zijn nagekomen. De EU-lidstaten en hun centrale banken leveren een belangrijke bijdrage aan deze trusts.

De wereldwijde inspanningen om de schuldproblemen aan te pakken werden in 2025 verder opgevoerd. Het IMF en de Wereldbank hebben vooruitgang geboekt bij het bijstaan van landen die een houdbare schuld hebben maar moeite hebben om hun schulden af te lossen. Het IMF is begonnen met de herziening van het Debt Sustainability Framework for Low-Income Countries, en de Global Sovereign Debt Roundtable publiceerde het Debt Restructuring Playbook[104] om de voorspelbaarheid en tijdigheid van schuldherstructurering verder te verbeteren. De ECB ondersteunt de inspanningen van internationale financiële instellingen die zijn gericht op voorgang met de werkzaamheden op het gebied van schuldhoudbaarheid.

Kader 8
De internationale rol van de euro

Een internationale valuta wordt ook buiten het rechtsgebied van herkomst op grote schaal gebruikt. Dergelijke valuta’s functioneren wereldwijd als betaalmiddel, als waardeopslag en als rekeneenheid bij de prijsvorming van contracten en activa. Centrale banken over de hele wereld houden reserves in internationale valuta’s aan, terwijl bedrijven en huishoudens deze gebruiken voor handel, lenen, beleggen en sparen, naast hun nationale munt.

Sinds de invoering is de euro de op een na belangrijkste internationale valuta na de Amerikaanse dollar (Grafiek A). De ECB publiceert jaarlijks een overzicht van de internationale rol van de euro, waarin een samengestelde index van die rol wordt getoond. De index wordt berekend als een eenvoudig rekenkundig gemiddelde van het aandeel van de euro bij een breed scala aan indicatoren. Na een eerste stijging in de jaren onmiddellijk na de invoering van de gemeenschappelijke munt (Grafiek B), heeft de euro zich sinds 2017 gestabiliseerd in de bandbreedte van 18-20% tegen zowel constante als huidige wisselkoersen.

Grafiek A

Momentopname van het internationale monetaire stelsel

De euro blijft de op een na belangrijkste valuta in het internationale monetaire stelsel

(procenten; 2024-IV)

Bronnen: Bank voor Internationale Betalingen, Internationaal Monetair Fonds, CLS Bank International, Ilzetzki, Reinhart en Rogoff (2019)[105], en berekeningen van ECB-medewerkers.
Toelichting: *Aangezien er bij transacties op valutamarkten altijd twee valuta’s betrokken zijn, bedraagt het aandeel van de deviezenomzet 200%. De gegevens over de deviezenomzet hebben betrekking op april 2022 doordat ze afkomstig zijn van een driejaarlijkse enquête. Zie ook het meest recente verslag, gepubliceerd in juni 2025, “The international role of the euro”, ECB, 2025.

Recente geopolitieke ontwikkelingen bieden zowel uitdagingen als kansen voor de internationale rol van de euro. Enerzijds hebben sommige centrale banken hun goudaankopen opgevoerd, onderzoeken de BRICS-landen alternatieven voor traditionele grensoverschrijdende betalingssystemen en ondersteunt de Amerikaanse regering het wereldwijde gebruik van op de dollar stablecoins. Anderzijds zouden de versterking van de geopolitieke geloofwaardigheid van Europa en de wederopbouw van zijn harde macht ook het mondiale vertrouwen in de euro moeten helpen versterken. Tegelijkertijd leidden de heffingen die de Amerikaanse regering begin april 2025 heeft ingesteld tot een sterke verzwakking van de Amerikaanse dollar, evenals tot een hogere langetermijnrente – een zeldzame correlatie tussen activa. Dit wijst erop dat beleggers mogelijk steeds kritischer kijken naar de rol van de Amerikaanse dollar als veilige haven, wat gevolgen zou kunnen hebben voor het internationale valutalandschap.

Grafiek B

Samengestelde index van de internationale rol van de euro

De internationale rol van de euro is de afgelopen tien jaar in grote lijnen stabiel gebleven.

(procenten; tegen huidige en constante wisselkoersen in 2024-IV; vierkwartaals voortschrijdende gemiddelden)

Bronnen: Bank voor Internationale Betalingen, Internationaal Monetair Fonds, CLS Bank International, Ilzetzki, Reinhart en Rogoff (2019), en berekeningen van ECB-medewerkers.
Toelichting: Rekenkundig gemiddelde van de aandelen van de euro bij constante (huidige) wisselkoersen in aangehouden internationale obligaties, leningen van banken buiten het eurogebied aan kredietnemers buiten het eurogebied, deposito’s bij banken buiten het eurogebied van crediteuren buiten het eurogebied, mondiale valutatransacties, mondiale deviezenreserves en mondiale wisselkoersstelsels. De meest recente waarneming betreft het vierde kwartaal van 2024. Zie ook het meest recente verslag, gepubliceerd in juni 2025, “The international role of the euro”, ECB, 2025.

In een veranderend landschap zou ruimte kunnen ontstaan voor een grotere internationale rol voor de euro, wat positieve gevolgen zou hebben voor het eurogebied. Ten eerste zou een sterkere vraag naar in euro luidende schuldbewijzen overheden en bedrijven in staat stellen tegen een lagere rente te lenen. Ten tweede zou meer in euro luidende handel het eurogebied beschermen tegen wisselkoersschommelingen. Ten derde zou een sterkere internationale rol van de euro de strategische autonomie van Europa versterken en helpen beschermen tegen sancties of andere dwangmaatregelen.

De euro zal zich echter alleen voorspoedig ontwikkelen bij ondersteuning door het juiste beleid. Het bevorderen van de spaar- en investeringsunie om de Europese financiële markten ten volle te benutten, moet een belangrijke prioriteit voor Europese beleidsmakers zijn. Het wegnemen van belemmeringen binnen de EU is van essentieel belang om de diepte en liquiditeit van de markten voor eurofinanciering te vergroten, wat een voorwaarde is voor een breder gebruik van de euro. De voorgenomen uitgifte van obligaties op EU-niveau, wanneer Europa zijn eigen defensie ter hand neemt, zou een belangrijke bijdrage kunnen vormen aan de verwezenlijking van deze doelstellingen.

Ook de ECB speelt hierbij een rol. In een volatielere geopolitieke omgeving is het versnellen van de voortgang met de digitale euro van cruciaal belang om de Europese soevereiniteit te versterken. Verbetering van systemen voor grensoverschrijdende betalingen tussen de euro en andere valuta’s zal ook de schokbestendigheid vergroten. En door oplossingen voor de afwikkeling van financiële wholesaletransacties die worden geregistreerd op distributed ledger-technologieplatforms in centralebankgeld zal zowel de efficiëntie van de Europese financiële markten als de wereldwijde aantrekkingskracht van de euro worden vergroot. Daarnaast geven liquiditeitsovereenkomsten in euro’s met centrale banken buiten het eurogebied aan dat de ECB bereid is in gespannen marktomstandigheden een achtervang te bieden om de transmissie van het monetair beleid te beschermen. Ook deze centrale banken kunnen uiteindelijk het gebruik van de euro in mondiale financiële en commerciële transacties bevorderen.

Tot slot dient de mondiale aantrekkingskracht van de euro te worden ondersteund door verstandig beleid in het eurogebied, sterke, op regels gebaseerde instellingen en geopolitieke geloofwaardigheid. Daarnaast blijft handhaving van de rechtsstaat van essentieel belang om het mondiale vertrouwen in de euro te behouden en mogelijk te vergroten.

11 Ethiek, goed bestuur en sociale en ecologische duurzaamheid aanmoedigen

Als openbare instelling legt de ECB verantwoording af aan de burgers van de EU en hun verkozen vertegenwoordigers. Deze verantwoordelijkheid houdt in dat ze doeltreffend communiceert en in gesprek gaat met uiteenlopende doelgroepen, de hoogste ethische normen en transparantieregels naleeft, de gevolgen van klimaat- en natuurrisico’s beoordeelt en haar werknemers empowert.

11.1 Ecologische, sociale en bestuurlijke aangelegenheden

In 2025 zette de ECB haar werkzaamheden op het gebied van ESG-kwesties voort

De belangrijkste ontwikkelingen op ecologisch, sociaal en bestuurlijk vlak (Environmental, Social, Governance – ESG) in 2025 worden in dit hoofdstuk als volgt toegelicht. In Paragraaf 11.2 wordt uiteengezet hoe de ECB zich inspant om haar governancekaders voortdurend te verbeteren. Daarbij werkt ze nauw samen met vergelijkbare instellingen op Europees en internationaal niveau om ethiek, integriteit en goed gedrag te versterken. In Paragraaf 11.3 worden de initiatieven beschreven die de ECB heeft genomen om haar bereik te vergroten en voor meer transparantie, toegankelijkheid en betrokkenheid bij burgers en het grote publiek te zorgen. Paragraaf 11.4 geeft een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen in 2025 op het gebied van humanresourcesbeheer en verstrekt belangrijke gegevens over de diversiteit van de medewerkers van de ECB. In Paragraaf 11.5, ten slotte, komen de werkzaamheden van de ECB op het vlak van klimaat en natuur aan bod en wordt nadere informatie verschaft over meer gespecialiseerde publicaties op dit gebied.

De ECB integreert klimaatrisico’s in haar risicobeheerkaders voor zowel financiële als niet-financiële risico’s, zoals beschreven in het hoofdstuk over risicobeheer in de Jaarstukken van de ECB 2025.

Zie voor meer informatie over deze onderwerpen de andere delen van dit jaarverslag en de website van de ECB (zie Tabel 11.1 hieronder).

11.2 Ethiek en integriteit versterken

Het Bureau Naleving en Governance (Compliance and Governance Office – CGO) van de ECB ondersteunt de Directie om de integriteit en reputatie van de ECB te beschermen, ethische gedragsnormen te bevorderen en haar verantwoordingsaflegging en transparantie te versterken.

Het ethiek- en compliancecomité formuleerde nieuwe leidende beginselen voor een ethisch en verantwoord gebruik van artificiële intelligentie

Het ethiek- en compliancecomité (Ethics and Compliance Committee – ECC) bleef instellingen in het Eurosysteem en het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (Single Supervisory Mechanism – SSM) bijstaan bij de tenuitvoerlegging van de Ethische Richtsnoeren. Dit omvatte het geven van advies over financiële privétransacties en belangenconflicten in verband met zaken zoals externe activiteiten en onbetaald verlof. Het comité organiseerde ook thematische sessies met externe sprekers. Aangezien ook instellingen buiten het Eurosysteem en het SSM waren uitgenodigd, werden deze sessies bijgewoond door meer dan 50 verschillende overheidsinstellingen en organisaties. In 2025 richtte het comité een speciale taskforce op voor ethiek met betrekking tot artificiële intelligentie (AI). Deze taskforce stelde niet-bindende leidende beginselen op om het ethisch en verantwoord ontwerp en gebruik van AI-systemen te bevorderen en bood praktische richtlijnen aan de instellingen van het Eurosysteem en het SSM. In overeenstemming met zijn verbintenis om het bewustzijn over ethiek en integriteit te bevorderen, organiseerde het comité een ‘Ethics Challenge’-quiz en een sessie met externe sprekers waarin ethiek, vertrouwen van het publiek en menselijk gedrag vanuit gedragswetenschappelijk oogpunt werden besproken. Beide evenementen werden door heel wat medewerkers uit het Eurosysteem en het SSM bijgewoond.

Op Europees niveau werkte het CGO samen met andere instellingen, organen en agentschappen van de EU aan de organisatie van de eerste Interinstitutional Ethics Day. Er namen meer dan 600 collega’s van 15 verschillende instellingen aan deel. De Chief Compliance and Governance Officer van de ECB nam samen met vertegenwoordigers van andere instellingen deel aan een paneldiscussie over de invloed van ethiek op de organisatiecultuur. Op internationaal niveau was de ECB actief betrokken bij het delen van kennis en best practices binnen het Ethics Network of Multilateral Organizations (ENMO). De ECB was vicevoorzitter van het netwerk en droeg bij aan de vergaderingen, werkgroepen en de jaarvergadering, die werd georganiseerd door de Aziatische Infrastructuurinvesteringsbank (Asian Infrastructure Investment Bank – AIIB). Deze wereldwijde samenwerking effende het pad voor de goedkeuring van de Standards of Practice for Ethics Functions in april 2025.

Ook in 2025 bleef het een prioriteit om medewerkers bewust te maken van ethiek en integriteit

Introductieprogramma’s voor nieuwkomers werden zoals gewoonlijk uitgevoerd. Daarnaast bood het CGO opleidingen aan die afgestemd waren op specifieke bedrijfsfuncties, evenals opfrissessies over de regels die van toepassing zijn op financiële privétransacties. Een van de algemene bewustmakings- en outreachinitiatieven was de jaarlijkse Global Ethics Day, met stands voor alle ECB-medewerkers.

Het aantal verzoeken aan het CGO steeg van 3 070 in 2024 tot 3 532 in 2025 (Grafiek 11.1), dankzij bewustmakingsinitiatieven en voortdurende inspanningen om intuïtieve digitale tools te ontwikkelen. Net als in voorgaande jaren bleek uit de jaarlijkse nalevingscontroles van het CGO dat medewerkers en hoge ambtenaren van de ECB de regels voor financiële privétransacties bleven naleven.

Grafiek 11.1

Overzicht van de in 2025 ontvangen vragen van medewerkers van de ECB

Bron: ECB.

Het Ethisch Comité ondersteunt en adviseert hoge ambtenaren van de ECB over ethische kwesties

Het onafhankelijk Ethisch Comité van de ECB vormt – samen met het Auditcomité van de ECB – een aanvulling op de governancestructuur van de ECB. Het adviseert hoge ambtenaren van de ECB over ethische kwesties, vooral met betrekking tot privéactiviteiten en bezoldigde beroepswerkzaamheden na afloop van het mandaat, en beoordeelt hun belangenverklaringen. Daarnaast volgt het Comité de Europese en internationale ontwikkelingen op het gebied van ethiek en goed gedrag.

In 2025 onderzocht het de naleving van de regels inzake financiële privétransacties door hoge ambtenaren van de ECB via de belangenverklaringen en bracht het 35 adviezen uit. 15 van deze adviezen hadden betrekking op beperkingen na beëindiging van het dienstverband (een aantal daarvan bevatte aanbevelingen over de inachtneming van afkoelingsperioden). De adviezen van het Ethisch Comité worden zes maanden na hun uitgiftedatum gepubliceerd op de website van de ECB.

11.3 Communicatie en transparantie

Zowel de externe als de interne communicatieomgeving bracht uitdagingen met zich mee

Het afgelopen jaar werd gekenmerkt door een uitdagende omgeving die de communicatie bijzonder bemoeilijkte. Uitzonderlijke economische onzekerheid, geopolitieke spanningen, toenemend populisme en nieuwe discussies over de onafhankelijkheid van centrale banken gingen gepaard met een grotere druk op de financiering van de veiligheid, stabiliteit en groei van Europa. De resultaten van de belangrijkste beleidsmaatregelen van de ECB lieten niettemin toe een geruststellende boodschap uit te dragen. De inflatie werd met succes teruggebracht tot rond de doelstelling van 2% van de ECB, het monetair beleid bevond zich op het “goede spoor” en het bankstelsel in het eurogebied bleef veerkrachtig. Voor veel mensen bleef dit succes mogelijk echter onopgemerkt. Hoewel de prijzen niet langer zo snel stegen, bleven ze over het algemeen op een hoger niveau dan vóór de inflatiestijging. Dit leidde bij Europeanen tot aanhoudende bezorgdheid over de kosten van levensonderhoud, de inflatie en het huishoudbudget. Daarnaast vereiste de steeds luidere vraag naar vereenvoudiging of zelfs deregulering in de financiële sector een beredeneerd, oordeelkundig en goed gecommuniceerd antwoord. Ten slotte maakten nieuwe ECB-kaders voor loopbanen en personeelsrelaties, en een grootschalige verhuizing van de Eurotower naar een nieuw gebouw met een innovatief werkplekconcept, ondersteunende interne communicatie noodzakelijk.

Naar aanleiding van de strategiebeoordeling van 2025 is de ECB vastbesloten haar communicatie verder aan te passen

Gezien de aanhoudende uitdagingen is de ECB vastbesloten zich verder aan het veranderende communicatielandschap aan te passen, zoals bevestigd in de beoordeling van de monetairbeleidsstrategie 2025. Daarbij werd een overzicht gegeven van de inspanningen die sinds de strategiebeoordeling van 2021 werden geleverd om de communicatie van de ECB te moderniseren. Uit de beoordeling bleek dat het publiek zich bewuster was van de prijsstabiliteitsdoelstelling van de ECB en dat de ECB en de nationale centrale banken aanzienlijke inspanningen hadden geleverd om de betrokkenheid van het publiek en het bereik te vergroten en de leesbaarheid en toegankelijkheid van hun communicatie te verbeteren. Het grote publiek heeft echter nog steeds een beperkt inzicht in wat het Eurosysteem doet en hoe de economie en de financiële sector werken. Daarom bevestigde de ECB opnieuw haar inzet om haar monetairbeleidsstrategie en -beslissingen zo duidelijk mogelijk uit te leggen aan alle doelgroepen.

Financiële geletterdheid wordt steeds belangrijker geacht voor de transmissie van het monetair beleid

Bovendien zijn er steeds meer aanwijzingen dat het monetair beleid beter zou kunnen doorwerken in de economie als consumenten over het algemeen een beter inzicht hebben in de economie en de rol van centrale banken.[106] Daarom is het een belangrijk aandachtspunt om de financiële geletterdheid te bevorderen. Synergieën en voordelen van samenwerking binnen het Eurosysteem op dit gebied zouden een goede stap voorwaarts kunnen zijn. Een voorbeeld hiervan was de bekendmaking van de vijf toezeggingen om de financiële geletterdheid te bevorderen op de Internationale Vrouwendag 2025.

Communicatie aanpassen aan de hand van innovatieve benaderingen

De ECB lanceerde haar nieuwe YouTube-kanaal “Espresso Economics”

In januari 2025 lanceerde de ECB haar YouTube-kanaal Espresso Economics, dat vooral op jongere kijkers is gericht. In de video’s worden economische basisbegrippen eenvoudig en op een amusante manier uitgelegd. Onderwerpen die verband houden met de dagelijkse ervaringen van jongeren bleken het populairst te zijn, bijvoorbeeld waarom jongeren het gevoel hebben dat de prijzen zo sterk stijgen en dat een huis kopen ontzettend duur is geworden, of bezorgdheid over banen in het AI-tijdperk en werken in de deeleconomie. Ook video’s waarin zeer actuele onderwerpen op een toegankelijke manier worden toegelicht – op basis van analyses van ECB-deskundigen – werden vaak bekeken. Het ging onder meer om video’s over hoe klimaatverandering de prijzen van boodschappen beïnvloedt, wat invoerheffingen betekenen voor de economie, of hoe de aandachtseconomie werkt.

De podcasts van de ECB werden 1 miljoen keer beluisterd

De ECB-podcast bereikte in 2025 twee belangrijke mijlpalen: de 100e aflevering werd online gezet en de reeks werd in totaal meer dan een miljoen keer beluisterd. Om gelijke tred te houden met de veranderende voorkeuren van luisteraars, bleef de ECB zowel de podcast als de inhoud ervan moderniseren.

De blog van de ECB bleek een succesvolle manier om de inzichten van de ECB een groter bereik te geven

Evenzo werden in de ECB-blog, waarin zowel directieleden van de ECB als medewerkers hun standpunten en analyses delen, actuele thema’s besproken. Deze thema’s varieerden van de reactie van Europese consumenten op de Amerikaanse invoerheffingen en de rol van buitenlandse werknemers bij het stimuleren van de groei tot de gevolgen van hittegolven voor de prijzen of de risico’s die stablecoins inhouden voor Europa. De grote mate waarin deze blogberichten internationaal worden overgenomen in de mainstreammedia toont aan hoe doeltreffend dit kanaal is om de inzichten van de ECB toegankelijk te maken voor een breder publiek.

De ervaring en de activiteiten van het bezoekerscentrum van de ECB werden verder verbeterd

De ECB en haar hoofdgebouw trokken opnieuw bezoekers uit heel Europa en daarbuiten aan. In 2025 woonden meer dan 23 000 bezoekers bijna 700 activiteiten bij, waaronder lezingen en rondleidingen in het bezoekerscentrum van de ECB, waar nieuwe tentoonstellingen werden opgezet. In een nieuwe “Over de ECB”-video werden bezoekers, zowel online als offline, uitgenodigd om beter te begrijpen hoe het werk van de ECB een verschil maakt in hun leven.

President Lagarde (rechts) in het bezoekerscentrum van de ECB.

AI is en blijft een bepalende factor in de communicatie van de ECB

Artificiële intelligentie (AI), met name de toepassing van grote taalmodellen en door machines gegenereerde inhoud in de communicatie, heeft steeds meer gevolgen voor de ECB. De ECB ondervindt de steeds bredere toepassing van AI, maar gebruikt het ook voor haar eigen communicatie.

Misinformatie, desinformatie en deepfakes treffen de ECB en haar vertegenwoordigers

Door machines gegenereerde inhoud, in het bijzonder afbeeldingen en video's, werd in 2025 opnieuw kwaadwillig tegen de ECB gebruikt. De ECB heeft specifieke protocollen om dit op te sporen en aan te pakken. De aanvallen omvatten valse socialemedia-accounts die zich voordeden als de ECB of haar beleidsmakers, deepfakevideo’s van de President en andere leden van de Directie, en misinformatie en desinformatie op sociale media en in traditionele media. Aangezien deze incidenten in aantal toenemen en het door het gebruik van nieuwe technologieën steeds moeilijker wordt om de inhoud te onderscheiden van echte informatie of vertegenwoordigers van de ECB, zullen de daarmee samenhangende inspanningen en de interne coördinatieprocessen verder worden versterkt.

De digitale euro was een belangrijk doelwit voor aanhangers van complottheorieën

Met name de digitale euro is een belangrijk onderwerp van misinformatie en complottheorieën, zowel online als offline. De ECB heeft prioriteit gegeven aan proactieve, op feiten gebaseerde communicatie via diverse kanalen en in verschillende vormen, om ervoor te zorgen dat het publiek toegang heeft tot correcte en tijdige informatie.

AI wordt al langer gebruikt om de communicatie van de ECB te ondersteunen, met name voor vertalingen

AI wordt al langer gebruikt in de communicatie van de ECB. Dat heeft de instelling met name geholpen om aan de groeiende vraag naar vertalingen te beantwoorden, vooral in het bankentoezicht, en het bereik van haar communicatie te vergroten. In 2025 werden meer dan 45 miljoen pagina’s volledig machinaal vertaald – voornamelijk voor interne doeleinden – via het eTranslation-instrument dat de Europese Commissie ter beschikking stelt van de ECB. Een laatste kwaliteitscontrole door menselijke vertalers blijft essentieel voor officiële ECB-documenten die bestemd zijn voor externe communicatie, ongeacht de officiële EU-taal.

Communiceren over onze munt: contant en digitaal geld

Het nieuwe ontwerp van de eurobankbiljetten bood de kans om in dialoog te gaan met het grote publiek

De meest tastbare band tussen de burgers van het eurogebied en hun centrale bank is contant geld, in het bijzonder de eurobankbiljetten. Daarom is het toekomstige ontwerp van de bankbiljetten van belang voor het grote publiek. In 2025 was de communicatie over bankbiljetten gericht op de aankondiging van de selectie van mogelijke toekomstige motieven en de lancering van een ontwerpwedstrijd. De uitgebreide communicatie en outreach rond deze evenementen versterkten de boodschap dat de ECB en het Eurosysteem zich blijven inzetten voor contant geld als een geldig en toegankelijk betaalmiddel.

Er werd meer over de digitale euro gecommuniceerd vanwege de groeiende publieke belangstelling

De ECB communiceerde ook meer over de digitale euro vanwege de groeiende publieke belangstelling. Zo werden in op data gebaseerde analyses de kosten en de gevolgen voor de financiële stabiliteit van het project onderzocht om voor meer transparantie te zorgen en wijdverbreide misvattingen te weerleggen. Daarnaast droegen talrijke interviews, toespraken, parlementaire hoorzittingen, podcasts en opiniestukken van de President en de leden van de Directie bij aan een beter geïnformeerd debat tussen het grote publiek en de EU-wetgevers.

De invoering van de euro door Bulgarije was een gelegenheid om de gemeenschappelijke munt te vieren

De invoering van de euro door Bulgarije was ook een gelegenheid om de verwezenlijkingen van de gemeenschappelijke munt in de hele EU te vieren met het grote publiek. De euro blijft Europeanen over de grenzen heen met elkaar verbinden, vergemakkelijkt het dagelijkse leven, reizen en uitwisselingen, en bevordert de gemeenschappelijke welvaart in het hele eurogebied. Naar aanleiding hiervan leverde de ECB een reeks specifieke communicatie-inspanningen. Het betrof onder meer de toespraak van de President getiteld “Bulgarije op de drempel van de euro: op weg naar een gedeelde toekomst”, een blogpost over de populariteit van de euro rond het moment van de invoering en outreach-initiatieven via Bulgaarse online-contentcreators en een reeks berichten op sociale media. Het meest zichtbare was dat de ECB haar gevel verlichtte om de toetreding van Bulgarije tot het eurogebied te vieren, waarvan de beelden miljoenen mensen bereikten, vooral op sociale media.

Het ECB-gebouw werd op 1 januari 2026 verlicht ter gelegenheid van de toetreding van Bulgarije tot het eurogebied.

Toegang van het publiek tot ECB-documenten

In 2025 behandelde de ECB meer verzoeken om toegang van het publiek dan in 2024 door de blijvende belangstelling voor documenten over institutionele onderwerpen

Het kader van de ECB voor publieke toegang is essentieel om haar streven naar transparantie te handhaven. Dit kader bevordert transparantie en openheid, versterkt de democratische legitimiteit van de ECB door brede toegang tot ECB-documenten te bieden en tegelijkertijd de onafhankelijkheid en goede werking van de instelling te waarborgen.

In 2025 ontving de ECB een groter aantal verzoeken om toegang van het publiek tot haar documenten. In totaal ontving ze 86 verzoeken, tegenover 74 in 2024. De verzoeken hadden betrekking op een breed scala aan onderwerpen, waaronder institutionele en bestuurlijke kwesties en aangelegenheden op het gebied van centraal bankieren en bankentoezicht. Net als in 2024 waren er nog steeds vooral verzoeken met betrekking tot institutionele en interne aangelegenheden, zoals het HR-beleid.

In lijn met het streven van de ECB naar transparantie zijn de documenten die werden vrijgegeven naar aanleiding van verzoeken om toegang van het publiek doorgaans beschikbaar gesteld via het Openbaar register van documenten van de ECB. Bovendien stelde de ECB haar overzicht voor 2025 op van de onderwerpen die aan bod komen in de verzoeken om toegang tot documenten.

Het CGO organiseerde outreach-initiatieven om het bewustzijn te vergroten over het juridische kader voor de toegang tot documenten en om een gedeelde cultuur van transparantie binnen de instelling te bevorderen. Deze initiatieven waren gericht op alle medewerkers of afgestemd op specifieke organisatie-eenheden.

De Europese Ombudsman heeft geen gevallen van wanbeheer vastgesteld bij de behandeling door de ECB van verzoeken om toegang van het publiek.

11.4 Investeren in mensen opdat de ECB veerkrachtig en toekomstgericht blijft

In 2025 bleef de ECB in haar mensen investeren om ervoor te zorgen dat ze een veerkrachtige organisatie blijft. De overstap naar dynamische werkplekken ondersteunde de wendbaarheid van de organisatie, de toegankelijkheid en een sterkere functieoverschrijdende samenwerking, terwijl ook de kostenefficiëntie en het evenwicht tussen werk en privéleven werden verbeterd. Nieuwe digitale HR-tools en gerichte opleidingen – bijvoorbeeld over artificiële intelligentie (AI) en diversiteit – maakten het eenvoudiger om ondersteuning te bieden, ontwikkelingskansen te belichten en een inclusieve werkcultuur te bevorderen.

Werkcultuur

De ECB koos voor dynamische werkplekken en verruilde de Eurotower voor het Gallileo-gebouw

2 440 collega’s verhuisden, waarbij bijna 50% van de medewerkers zijn intrek nam in nieuw ingerichte kantoren: 1 700 in het Gallileo-gebouw en 740 in het hoofdgebouw van de ECB. De overstap naar dynamische werkplekken, met onder meer desksharing, stimuleert flexibiliteit, inclusie en innovatie binnen de ECB. ECB-Bankentoezicht ging een nieuw tijdperk in door alle medewerkers onder één dak te brengen in het Gallileo-gebouw. Naar verwachting zullen alle medewerkers van de ECB binnen twee jaar in dynamische werkplekken aan de slag zijn, met als doel de kostenefficiëntie en hybride samenwerking te verbeteren en de autonomie te bevorderen.

De ECB herzag haar meldings-, onderzoeks- en tuchtprocedures om een respectvolle werkomgeving te bevorderen

De ECB herzag haar meldings-, onderzoeks- en tuchtprocedures om een respectvolle werkomgeving te bevorderen. De nieuwe regels maken de meldingskanalen duidelijker en stroomlijnen onderzoek naar wangedrag, dat voortaan door één specifieke eenheid zal worden behandeld. Daarnaast wordt de klokkenluidersprocedure verbeterd. Met de veranderingen wordt meer aandacht besteed aan preventie, snelle afhandeling en ondersteuning van betrokken collega’s, onder meer door voor meer proactieve bescherming te zorgen wanneer een risico op vergelding wordt vastgesteld.

Er werd een nieuwe enquête gehouden om beter naar medewerkers te luisteren en hen beter te ondersteunen

In 2025 lanceerde de ECB een nieuwe enquête om de manier waarop naar medewerkers wordt geluisterd verder te verbeteren, zodat sneller en doeltreffender kan worden ingespeeld op hun feedback. De eerste enquête werd in november gehouden en 75% van de in aanmerking komende medewerkers nam eraan deel. De resultaten zullen de basis vormen voor de follow-up in 2026.

Talent- en loopbaanontwikkeling

Het Career Portal van de ECB groeide verder uit tot een interne talentenmarkt

Het Career Portal van de ECB biedt ECB-medewerkers nu ook een interne talentenmarkt en extra mogelijkheden voor professionele ontwikkeling. Er werden drie mogelijkheden toegevoegd: taken, projecten en jobshadowing. Door van deze mogelijkheden gebruik te maken of ze aan te bieden, kunnen medewerkers hun expertise verdiepen, hun vaardigheden inzetten in een nieuw team of nieuwe organisatie-eenheid en nieuwe omgevingen verkennen met het oog op mobiliteit, en daarbij nieuwe contacten leggen.

Een groot deel van de medewerkers toonde belangstelling voor en/of nam deel aan die nieuwe mogelijkheden of de ‘jobswaps’ en het mentorschap die al op het platform werden aangeboden. In 2025 maakten meer dan 2 000 medewerkers gebruik van het portaal.

De vraag naar interne mobiliteit en deelname aan het Schuman-uitwisselingsprogramma met andere EU-instellingen bleef hoog

De ECB moedigt mobiliteit aan om de professionele ontwikkeling en het aanpassingsvermogen van medewerkers te bevorderen. In 2025 bedroeg het percentage interne mobiliteit 6,6%.[107] Ongeveer 57% van de mobiliteit vond plaats tussen organisatie-eenheden, tegenover 43% binnen organisatie-eenheden, wat erop wijst dat bredere overstappen mogelijk zijn geworden en het aanpassingsvermogen werd gestimuleerd.

Ook externe mobiliteit wordt ondersteund om medewerkers de kans te geven gedurende een bepaalde periode nieuwe ervaring op te doen in andere organisaties. Veel ECB-medewerkers werken tijdelijk bij andere organisaties binnen het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) of het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (SSM). In 2025 maakte 1,3% van de medewerkers gebruik van de mogelijkheid tot externe mobiliteit via de regeling inzake onbetaald verlof voor mobiliteit.

De 7e editie van het Schuman-programma ging in 2025 van start en trok meer deelnemers uit het ESCB en het SSM aan. In totaal werden er 93 projecten voorgesteld door 23 instellingen, wat 220 aanvragen opleverde. Daarvan werden uiteindelijk 41 projecten aangeboden als detacheringen, waardoor 47 mensen konden deelnemen aan uitwisselingen tussen de ECB, de nationale bevoegde autoriteiten (national competent authorities – NCA’s) en de nationale centrale banken (NCB’s). In totaal namen 18 landen en 23 instellingen deel, wat een stijging betekende van zowel het aantal projecten als het aantal deelnemers ten opzichte van 2024.

Het opleidingsprogramma biedt veel nieuwe AI-opleidingen

Het doel van het opleidingsaanbod op het gebied van AI is om vertrouwen op te bouwen en praktische vaardigheden te ontwikkelen, zodat ECB-medewerkers AI beter begrijpen en het op een verantwoorde wijze kunnen gebruiken. In 2025 namen meer dan 1 400 medewerkers deel aan opleidingen om AI-vaardigheden te ontwikkelen, gaande van basiscursussen tot meer technische en geavanceerde programma’s.

Diversiteit en inclusie

De ECB bevestigde opnieuw haar inzet voor diversiteit en inclusie

In een veranderende externe omgeving blijft de ECB zich sterk inzetten om gelijke kansen en verbondenheid te bevorderen via haar programma voor diversiteit en inclusie (D&I). Het programma, dat is opgelegd door de Directie en wordt geleid door het Directoraat-Generaal Human Resources (DG/HR), bundelt bestaande en nieuwe maatregelen om structurele belemmeringen weg te werken, eerlijke systemen te versterken en een inclusieve cultuur te stimuleren. Hier zijn gezamenlijke inspanningen voor nodig: ‘executive sponsors’ promoten D&I op managementniveau, D&I-ambassadeurs dragen de D&I-agenda actief uit binnen hun bedrijfseenheden, en zes personeelsnetwerken geven een stem aan diverse groepen en moedigen verbinding en acceptatie aan. Deze inspanningen worden ondersteund door een specifieke D&I-adviseur en een specifiek D&I-team in DG/HR, die een D&I-benadering in het beleid verankeren en een dialoog mogelijk maken. Daarnaast wordt dankzij regelmatige uitwisselingen tussen het ESCB en het SSM de collectieve impact verder versterkt.

De ECB hanteert een veelzijdige benadering van diversiteit en inclusie die verder gaat dan alleen de vertegenwoordiging van vrouwen

Twee genderstrategieën en de bijbehorende doelstellingen waren van cruciaal belang om aanzienlijke vooruitgang te boeken op het gebied van gendergelijkheid in de ECB. De grootste stijging betrof de vertegenwoordiging van vrouwen in de salarisschalen K-L, die sinds 2019 met 8,2 procentpunt is toegenomen tot 39,4% eind 2025. De kritische drempel van 33% vrouwelijke vertegenwoordiging werd bereikt op alle niveaus, van analist tot senior management.

Daarnaast versterkte de ECB haar inclusieve cultuur door op veel verschillende manieren met haar medewerkers in contact te treden. De Gender Talk Series werd voortgezet, waarbij medewerkers over belangrijke onderwerpen werden geïnformeerd, zoals gendernormen, mannelijkheid en gelijke verdeling van zorgtaken, en er werd ook een interne lezing gehouden over interculturele intelligentie. De LGBT+-inclusie werd bevorderd door deelname aan Christopher Street Day in Frankfurt.

De Maand van de Diversiteit van de ECB stond in het teken van vertrouwen in personen met een beperking

In 2025 stond de Maand van de Diversiteit van de ECB in het teken van de inclusie van personen met een beperking. Er werd een reeks initiatieven op touw gezet om in de hele organisatie voor meer vertrouwen in personen met een beperking te zorgen. Hoogtepunten waren onder meer specifieke workshops voor leidinggevenden en een immersieve ervaring rond visuele beperkingen, die werd ontwikkeld in samenwerking met het Dialog Museum in Frankfurt.

Onze mensen in een oogopslag

Uitsplitsing van het personeelsbestand voor 2025

1 Per 31 december 2025.
2 Dit zijn alleen vaste medewerkers en medewerkers met een overeenkomst voor bepaalde tijd.
3 De aandelen per salarisschaal hebben betrekking op vaste medewerkers en medewerkers met een overeenkomst voor bepaalde tijd. Het totale genderaandeel heeft betrekking op alle werknemers en trainees.
4 Inclusief 59 deelnemers aan het Graduate Programme.
5 Werknemers die gedetacheerd zijn door een nationale centrale bank van het Europees Stelsel van Centrale Banken, Europese overheidsinstellingen/agentschappen of internationale organisaties.
6 Betreft alle permanente of tijdelijke horizontale bewegingen tussen afdelingen of organisatie-eenheden van medewerkers met een contract voor bepaalde of onbepaalde tijd, met uitzondering van deelnemers aan het Graduate Programme.
7 Betreft elke permanente of tijdelijke overstap naar een hogere salarisschaal, al dan niet met een wervingscampagne, van medewerkers met een contract voor bepaalde of onbepaalde tijd, met uitzondering van deelnemers aan het Graduate Programme.
8 Betreft alleen vaste medewerkers en medewerkers met een omzetbaar contract voor bepaalde tijd.
9 De tabel toont de aandelen van de ECB-medewerkers en -trainees naar nationaliteit, waarbij personeelsleden met meerdere nationaliteiten worden meegeteld voor elke nationaliteit die zij opgeven. De aandelen worden verkregen door de verhouding te berekenen tussen het aantal personen van elke nationaliteit en het totale aantal nationaliteiten (alleen EU). De landen worden gerangschikt in alfabetische volgorde van de landennamen in de respectieve nationale taal.

11.5 Een beter inzicht in klimaat- en natuurrisico’s

Economische verliezen als gevolg van het weer en het klimaat hebben een invloed op de Europese economie

De snelheid van de klimaatopwarming in Europa ligt twee keer hoger dan het wereldwijde gemiddelde, waarbij de bodemtemperatuur al 2,1 °C hoger ligt dan vóór de industrialisering.[108] De economische gevolgen daarvan zijn nu al merkbaar. Tussen 2021 en 2024 hebben weer- en klimaatrampen tot economische verliezen in de EU geleid van in totaal € 208 miljard, wat overeenkomt met gemiddeld 0,32% van het jaarlijkse bbp.[109] De biodiversiteit en de gezondheid van ecosystemen in Europa gaan ook achteruit als gevolg van klimaatverandering en andere gevolgen van menselijke activiteiten.[110]

De Raad van Bestuur verbond zich ertoe ten volle rekening te houden met de gevolgen van klimaatverandering en natuuraantasting voor het monetair beleid en de werkzaamheden van centrale banken

In haar strategiebeoordeling van 2025 herhaalde de ECB dat klimaatverandering ingrijpende gevolgen heeft voor de prijsstabiliteit door de invloed ervan op de structuur en de conjuncturele dynamiek van de economie en het financiële stelsel. De Raad van Bestuur lichtte ook de cruciale rol van natuurrisico’s toe in de vervulling van zijn mandaat. Meer in het bijzonder verbond de Raad van Bestuur zich ertoe om, binnen zijn mandaat, ten volle rekening te houden met de gevolgen van klimaatverandering en natuuraantasting voor het monetair beleid en de werkzaamheden van centrale banken. Zorgen voor verantwoord beheer van klimaat- en natuurrisico’s is ook verankerd in de toezichtsprioriteiten voor 2026-2028.

In 2025 gingen de comités van de ECB en het Eurosysteem door met de integratie van klimaat- en natuurrisico’s in hun kerntaken.[111] Ze voerden de eerdere toezeggingen[112] uit en versterkten de werkzaamheden op drie aandachtsgebieden: de transitie naar een groene economie begeleiden, de toenemende fysieke gevolgen van klimaatverandering aanpakken en de werkzaamheden rond natuurrisico’s bevorderen. Gezien de toenemende economische en financiële gevolgen van klimaat- en natuurrisico’s, is de ECB vastbesloten om binnen haar mandaat op de ingeslagen weg voort te gaan. Aan het einde van het jaar werkte ze de maatregelen bij die in de toekomst moeten worden genomen om haar analytische en operationele capaciteit te vergroten.

Figuur 11.1

Overzicht van de belangrijkste geplande klimaat- en natuurgerelateerde activiteiten

De ECB paste haar monetairbeleidskader aan om klimaatgerelateerde transitierisico’s aan te pakken

De ECB bleef bij de uitvoering van haar monetair beleid rekening houden met klimaatrisico’s en bleef hierover verslag uitbrengen. Het Eurosysteem publiceerde de derde jaarlijkse klimaatgerelateerde financiële rapportage voor zijn monetairbeleidsportefeuilles en de externe reserves van de ECB, waaruit bleek dat de koolstofemissies in verband met deze activa verder afnamen. Daarnaast stelde de Raad van Bestuur een tussentijdse doelstelling vast om het decarbonisatietraject voor de totale bedrijfsportefeuilles te monitoren ter ondersteuning van de doelstellingen van het Klimaatakkoord van Parijs en de Europese klimaatwet. Als de totale bedrijfsportefeuilles afwijken van het gewenste gemiddelde decarbonisatietraject, zal de Raad van Bestuur binnen de grenzen van zijn mandaat en per geval beoordelen of herstelmaatregelen gerechtvaardigd zijn. In deze rapportage werd ook een nieuwe verkennende indicator ingevoerd om te meten in hoeverre de aangehouden bedrijfsobligaties blootgesteld zijn aan sectoren die wezenlijk afhankelijk zijn van of gevolgen hebben voor de natuur.

Wat het onderpandskader betreft, hebben de NCB’s van het Eurosysteem sinds eind 2024 gemeenschappelijke normen inzake klimaatrisico’s ingevoerd in de interne kredietbeoordelingssystemen (in-house credit assessment systems – ICAS’s) die ze gebruiken voor niet-verhandelbare activa (zie Paragraaf 2.3). In een blogpost van de ECB wordt verder uitgelegd hoe de ECB ernaar streeft klimaatveranderingsrisico’s naar behoren op te nemen in kredietratings. Daarnaast besloot de Raad van Bestuur in juli 2025 een klimaatfactor in te voeren om de waarde van het onderpand van het Eurosysteem te beschermen bij klimaattransitieschokken (zie Paragraaf 2.3). De maatregel geldt vanaf 15 juni 2026 voor verhandelbare activa die door niet-financiële ondernemingen zijn uitgegeven. Tegelijkertijd besloot de Raad van Bestuur in juli 2025 de invoering uit te stellen van het vereiste om te voldoen aan de EU-richtlijn met betrekking tot duurzaamheidsrapportering door bedrijven (Corporate Sustainability Reporting Directive – CSRD) als beleenbaarheidscriterium binnen het onderpandskader van het Eurosysteem. Dit werd besloten omdat de CSRD nog niet volledig werd omgezet in nationale wetgeving en omdat de richtlijn is herzien in verband met het Omnibus-vereenvoudigingspakket van de Europese Commissie.

De ECB bleef haar analyses en scenario’s op het gebied van macro-economische en financiële stabiliteit verbeteren

Klimaatoverwegingen werden systematischer geïntegreerd in de analyses van de ECB over de macro-economische en financiële stabiliteit. Zo omvatten de door medewerkers van de ECB/het Eurosysteem samengestelde macro-economische projecties klimaatgerelateerde begrotingsmaatregelen, aspecten van het “Fit for 55”-pakket van de EU en de macro-economische gevolgen van het EU-emissiehandelssysteem 2. Met betrekking tot de scenarioanalyse ontwikkelde het Network for Greening the Financial System (NGFS) nieuwe klimaatscenario’s op korte termijn via een werkstroom die, net als in voorgaande jaren, werd geleid door de ECB. Deze scenario’s zijn gericht op de klimaateffecten tot 2030, wat een zeer relevant tijdsbestek is voor beleidsmakers en marktdeelnemers. Hieruit blijkt dat een wereldwijd gecoördineerde tijdige transitie de macrofinanciële risico’s in het eurogebied vermindert. In het eurogebied zijn fysieke risico’s zelfs op korte termijn van belang – en extreme gebeurtenissen zouden het bbp met wel 5% kunnen doen dalen in een scenario met fysieke risico’s dat het gecombineerde effect omvat van natuurrampen die zich gelijktijdig voordoen in 2026 en 2027 (zie “Climate risks: no longer the tragedy of the horizon” in The ECB Blog). Daarnaast droeg de ECB bij aan de werkzaamheden van het NGFS rond de wisselwerking tussen de analyse van klimaatscenario’s en transitieplannen.

In 2025 rondde ECB-Bankentoezicht een meerjarenprogramma af ter bevordering van het vermogen van banken om klimaat- en natuurrisico’s te beheren en ging het door met de overgang naar een ‘business as usual’-benadering door toezicht te houden op klimaat- en natuurrisico’s als onderdeel van de reguliere toezichtsbeoordelingen en -procedures. Over het algemeen boekten de banken aanzienlijke vooruitgang bij het beheer van de risico’s die voortvloeien uit de aanhoudende klimaat- en natuurcrises. Gezien de resterende problemen is er echter blijvende aandacht van de toezichthouders nodig. Zie voor meer informatie hierover het Jaarverslag van ECB-Bankentoezicht.

De ECB werkte haar klimaatgerelateerde statistische indicatoren bij met geavanceerde methodologieën, nieuwe gegevensreeksen en aanpassingen om rekening te houden met inflatie-effecten. Hierdoor kunnen de decarbonisatie-inspanningen en de gevolgen van toenemende klimaatrisico’s nauwkeuriger worden gevolgd. De ECB droeg ook bij aan Europese en internationale initiatieven op het gebied van klimaatgegevens, zoals het initiatief van de G20 om gegevenslacunes op te vullen en het verbeteren van duurzaamheidsrapportage.

De ECB verkleinde de ecologische voetafdruk van haar eigen activiteiten, portefeuilles en bankbiljetten verder. In de milieuverklaring van 2025 werd gemeld dat de emissies van de interne activiteiten van de ECB tussen 2019 en 2024 met 39% waren verminderd, in overeenstemming met het traject om de doelstelling voor 2030 te halen. Uit de klimaatgerelateerde financiële rapportage voor de niet-monetairbeleidsportefeuilles van de ECB bleek ook dat de beleggingen in bedrijfsobligaties van het pensioenfonds voor het ECB-personeel nog steeds op schema liggen om de tussentijdse decarbonisatiedoelstellingen te halen. De inspanningen om de ecologische voetafdruk van de eurobankbiljetten te verkleinen, werden voortgezet, waaronder stappen om tegen 2027 over te schakelen op 100% biologisch katoen en om meer koolstofvrije elektrische energie te gebruiken voor de productie van bankbiljetten. Tegelijkertijd neemt de ECB de beginselen van ecologisch ontwerp op in de ontwikkeling van de toekomstige eurobankbiljetten. Het Eurosysteem blijft zich eveneens inspannen om de ecologische voetafdruk van elektronische betalingen te verkleinen, ook in de hele waardeketen van het project voor de digitale euro.

Capaciteitsopbouw, seminaries en samenwerking met andere centrale banken en internationale instellingen vormden de basis voor de ECB-werkzaamheden op het vlak van klimaat en aantasting van de natuur. De ECB bleef in 2025 via verschillende fora op zowel Europees als mondiaal niveau bijdragen aan internationale beleidsdiscussies en publicaties. Daartoe behoorden het bovengenoemde NGFS, de Raad voor Financiële Stabiliteit, het Bazels Comité voor Bankentoezicht, de Europese toezichthoudende autoriteiten en het Europees Comité voor systeemrisico’s, de Bank voor Internationale Betalingen en het Comité voor Betalingsverkeer en Marktinfrastructuren ervan, de G7, de G20, het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank.

De ECB boekte vooruitgang bij het begrijpen en aanpakken van de gevolgen van de transitie naar een groenere economie

Dankzij onderzoek en enquêtes van de ECB hebben we een beter begrip van de economische en financiële gevolgen van de transitie naar een groene economie. In de enquête naar de bancaire kredietverlening van juli 2025 gaven de banken aan dat de klimaatprestaties van ondernemingen en de energieprestatie van gebouwen van belang waren voor hun kredietvoorwaarden. Ze bleven gewag maken van soepelere kredietverleningscriteria voor ondernemingen met betere klimaatprestaties en een verkrappend effect voor ondernemingen met een hoge CO2-uitstoot. Banken gaven ook aan dat onzekerheid over toekomstige klimaatregelgeving een belemmering vormde voor de vraag naar leningen. Uit een analyse van de behoefte aan groene investeringen in Europa bleek dat, ondanks de vorderingen, de investeringen in groene activiteiten achterbleven bij wat nodig was om de klimaatdoelstellingen te halen – en er werd een reeks financiële en economische beleidsmaatregelen voorgesteld om deze investeringen te ondersteunen. In een occasional paper van het Comité voor internationale betrekkingen van het Eurosysteem werd ingegaan op de wisselwerking tussen geo-economische fragmentatie en het ongecoördineerde klimaattransitiebeleid dat daaruit zou kunnen voortvloeien, die elkaar zouden kunnen versterken. In andere bijdragen werd onderzocht hoe artificiële intelligentie en de groene transitie met elkaar verbonden zijn en hoe aan de toegenomen vraag naar defensiefinanciering kan worden voldaan zonder dat dit ten koste gaat van de groene en digitale prioriteiten.

Er is meer inzicht nodig in de toenemende fysieke gevolgen van de klimaatverandering

Om de toenemende uitdagingen als gevolg van de fysieke impact van de klimaatverandering het hoofd te kunnen bieden, is er behoefte aan meer inzicht en nieuwe strategieën. Nu extreme temperaturen en hittegolven steeds vaker voorkomen, bleek uit een analyse van de ECB dat fysieke risico’s ook de productiviteit op bedrijfsniveau[113] en de totale productiviteit[114] beïnvloeden, de economische bedrijvigheid in getroffen regio’s aanzienlijk verminderen en de voedselprijzen opdrijven[115]. Uit onderzoek van de ECB blijkt dat banken en beleggers de fysieke klimaatrisico’s voor zowel residentieel[116] als commercieel vastgoed[117] in risicovolle gebieden steeds meer inprijzen. Dat geldt ook voor overheden die kredieten opnemen[118], aangezien fysieke risico’s gepaard gaan met lagere kredietratings. Wat klimaatadaptatie betreft, wordt in onderzoek van de ECB[119] de noodzaak benadrukt van een grotere weerbaarheid, verzekeringsdekking en financiële instrumenten om de gevolgen van klimaatrisico’s in Europa op te vangen en te verzachten.

Vooruitgang bij de werkzaamheden rond natuurrisico’s

De ECB werkte intensief aan een beter inzicht in natuurrisico’s en de gevolgen ervan voor de economie en de financiële sector. De expliciete verwijzing naar natuuraantasting in de strategiebeoordeling van de ECB van 2025 maakte duidelijk hoe belangrijk dit is voor het beleid. In Kader 9 hieronder worden de belangrijkste werkzaamheden van de ECB op dit gebied toegelicht. In een occasional paper van de ECB[120] en de blogpost “The European economy is not drought-proof” in The ECB Blog werd op de risico’s van verslechterde ecosystemen en biodiversiteitsverlies gewezen voor de reële economie, de financiële sector en de prijsstabiliteit, waarbij ook de nadruk werd gelegd op de materialiteit van watergerelateerde risico’s voor het eurogebied. In november 2025 hield de ECB, in samenwerking met het NGFS, een internationale workshop over praktijken en tools die beschikbaar zijn voor centrale banken en toezichthouders om hen te helpen natuurrisico’s te beoordelen en aan te pakken.

Kader 9
Beoordeling van natuurgerelateerde risico’s voor de Europese economie

De economie is afhankelijk van de natuur, maar de gezondheid van de planeet gaat in een zorgwekkend tempo achteruit. In vergelijking met ons inzicht in klimaatgerelateerde economische en financiële risico’s bevindt ons begrip van natuurgerelateerde risico’s zich nog in een vroeg stadium, ondanks het sterke verband tussen klimaat- en natuurrisico’s. Daarom blijven natuurgerelateerde economische en financiële risico’s een aandachtspunt in de geactualiseerde klimaat- en natuurstrategie van de ECB en worden ze erkend in zowel de verklaring over de monetairbeleidsstrategie voor 2025 als de toezichtsprioriteiten voor 2026-2028.

In 2025 voerde de ECB, in samenwerking met Oxford University en de London School of Economics, een risicogebaseerde beoordeling van de economie en de banken van het eurogebied uit. Ze analyseerden met name hoe de afhankelijkheid van bedrijven van ecosysteemdiensten zich kan vertalen in financiële risico’s. Voortbouwend op eerdere bevindingen, waaruit bleek dat 75% van de kredietverlening aan bedrijven van banken in het eurogebied verband houdt met bedrijven die sterk afhankelijk zijn van ecosysteemdiensten[121], raamde de ECB het aandeel van de sectorale productie dat door de achteruitgang van ecosystemen wordt bedreigd. Watergerelateerde risico’s bleken het belangrijkst voor het eurogebied, waarbij alleen al de schaarste aan oppervlaktewater tot 24% van de economische productie van het eurogebied zou kunnen bedreigen.[122] In 2026 start de ECB, in samenwerking met andere leden van het Eurosysteem en het ESCB, als follow-up een gezamenlijk analytisch project rond watergerelateerde risico’s.

In een working paper van de ECB over het verband tussen klimaat, biodiversiteit en vervuiling werd gekeken naar de gevolgen ervan voor de kredietvoorwaarden van banken. Hieruit bleek dat sterk vervuilende bedrijven die gevestigd zijn in de buurt van gebieden waarvan de biodiversiteit beschermd is, te maken hebben met lagere loan-to-valueratio’s en dat banken hen voor bepaalde leningen hogere rentepremies aanrekenen. De resultaten leveren nuttige inzichten op voor bankentoezichthouders en andere autoriteiten over hoe banken natuurrisico’s opnemen in hun risicobeheer en kredietverleningsbeslissingen.[123]

Het aanpassen van traditionele economische modellen is essentieel om de macro-economische gevolgen van natuuraantasting nauwkeurig te kwantificeren. In een discussienota van de ECB over de economische aspecten van natuurlijk kapitaal werd benadrukt hoe belangrijk het is om dit in groeimodellen te integreren en werd de rol van de natuur als productiefactor beklemtoond. Uit de empirische resultaten blijkt dat bedrijven te weinig investeren in natuurbehoud in vergelijking met het maatschappelijk optimale niveau, terwijl de overheidssector de private inspanningen aanvult door een langetermijnperspectief te hanteren.

Ondanks de recente vooruitgang vormen natuurgerelateerde economische en financiële risico’s nog steeds een relatief nieuw onderzoeksgebied. Daarom is het belangrijk dat we ons vermogen om deze risico’s te begrijpen, blijven verbeteren en bredere maatregelen bevorderen. De ECB en het NGFS organiseerden in november 2025 een gezamenlijke workshop om de kennis van centrale banken en bankentoezichthouders over natuurrisico’s te vergroten. Deze workshop bood de gelegenheid om casestudy’s en beste praktijken uit te wisselen en een overzicht te geven van de lopende werkzaamheden van het NGFS op het gebied van natuurgerelateerde aangelegenheden.

12 Ontmoet onze mensen

Bij de ECB bevorderen we een cultuur van innovatie. We hebben dan ook een aantal initiatieven genomen om onze efficiëntie te vergroten en de voordelen die we voor de burgers creëren te maximaliseren. In 2025 zijn aanzienlijke inspanningen geleverd om nieuwe oplossingen op het gebied van artificiële intelligentie (AI) in te voeren ter ondersteuning van ons dagelijks werk. In dit hoofdstuk beschrijven vijf collega’s hun rol bij het ontwikkelen en inzetten van deze tools en vertellen ze over hun persoonlijke ervaringen met de manier waarop AI ons werk bij de ECB verandert.

Myriam Moufakkir, Chief Services Officer

Als Chief Services Officer leid ik als het ware de ruggengraat van de ondersteunende diensten die de ECB in staat stelt om haar mandaat te vervullen. Ik ben verantwoordelijk voor informatietechnologie, financiën en begroting, aanbestedingen, HR, vastgoedbeheer, beveiliging, operationele weerbaarheid, governance en grootschalige transformatie. Sinds ik in 2023 bij de ECB ben gekomen, heb ik mij vooral gericht op de modernisering van onze interne diensten, zodat de ECB flexibel, veilig en met de vereiste technologische soevereiniteit kan handelen.

In mijn dagelijkse werkzaamheden zorg ik voor strategische sturing en visie, en ben ik verantwoordelijk voor de operationele uitvoering, waarbij ik prioriteit geeft aan de volgende drie pijlers:

  • capaciteiten – we ontwikkelen de AI-, digitale en operationele vaardigheden in onze teams om innovatie te kunnen benutten en risico’s op verantwoorde wijze te managen;
  • soevereiniteit en autonomie – we zorgen ervoor dat de diensten en technologieën waarmee we werken ons in staat stellen ons mandaat in volledige onafhankelijkheid uit te voeren;
  • weerbaarheid – we versterken onze teams, processen en systemen zodat ze blijven presteren ondanks snelle technologische veranderingen, verstoringen en crises.

De ECB past kunstmatige intelligentie al op verschillende gebieden toe. Momenteel versnellen we de invoering van AI en machine learning over de hele breedte van de organisatie. We passen deze technologieën toe om onze economische analyses te versterken, de inflatievoorspellingen te verbeteren en complexe macro-economische modellen te ondersteunen, en om de werkdruk en het aantal eentonige taken terug te brengen. Daarnaast zorgen we voor regelmatige uitwisselingen met organisatie-eenheden en een trainingsprogramma dat alle lagen van de organisatie bestrijkt, en dat alles binnen een governancekader waarin risicomanagement en soevereiniteit zijn verankerd.

Vanuit mijn loopbaan heb ik ervaring met internationale veranderprocessen in de financiële dienstverlening, waarbij ik digitale projecten heb aangestuurd, strategieën heb ontwikkeld en grootschalige organisatorische veranderingen heb begeleid. Dankzij mijn academische achtergrond in wiskunde en exacte wetenschappen heb ik mijn technische vaardigheden kunnen ontwikkelen en kan ik goed overweg met snel ontwikkelende en innovatieve technologieën.

Het is een voorrecht om met getalenteerde collega’s samen te kunnen werken aan zo veel verschillende onderwerpen en om bij te dragen aan het kernmandaat van de ECB: stabiliteit en weerbaarheid.

Mijn loopbaan heeft mij over de hele wereld gebracht en mijn waardering voor culturele diversiteit en verschillende perspectieven vergroot. Ondanks een volle agenda maak ik altijd tijd vrij voor mijn gezin, zodat ik mijn passie voor reizen en het ontdekken van verschillende culturen met hen kan delen. Door het vele reizen voor mijn werk kan ik dus prettige ervaringen met mijn gezin opdoen.

Maximilian Freier

Als hoofdeconoom bij het Front Office van het directoraat-generaal Economie ben ik de secretaris van het Comité voor Monetair Beleid van de ECB. In deze rol coördineer ik de werkzaamheden van het comité en zorg ik dat de analyses en de beleidsstukken die bij de besprekingen over het monetair beleid worden gebruikt overal binnen het Eurosysteem tijdig, duidelijk en vergelijkbaar zijn.

Daarnaast ben ik AI-coördinator van het directoraat-generaal Economie. De afgelopen maanden hebben we grote vooruitgang geboekt bij het invoeren van de AI-agenda van de ECB bij alle organisatie-eenheden die zich met de centralebanktaken bezighouden. We hebben een eerste reeks pilot-tools ontwikkeld die al een aanzienlijk potentieel hebben om onze analysemogelijkheden te vergroten en de tijd die aan routinetaken wordt besteed terug te dringen. Tegelijkertijd hebben we een ambitieus Central Banking Digitalisation Programme opgezet waarmee we onze gegevensanalyse en de automatisering van onze bedrijfsprocessen bevorderen.

Sinds 2007 heb ik verschillende functies bekleed als econoom bij de ECB, bij de directoraten-generaal Economie, Monetair Beleid en Internationale en Europese Betrekkingen. Voordat ik bij de ECB kwam werken, heb ik een doctoraat behaald aan de London School of Economics and Political Science, en een master in zowel economie als politieke wetenschappen aan de Ludwig-Maximilians-Universität München.

Mijn onderzoeksinteressegebieden zijn fiscaal en monetair beleid, innovatiemanagement, Europese integratie en governance, vergelijkende politieke economie en toegepaste machine learning. Ik heb een bijzondere belangstelling voor microdata, dat zijn gegevens op het niveau van huishoudens en bedrijven. Ik ben de oprichter en voorzitter van het ESCB-netwerk voor microsimulatiemodellen. Via dit netwerk van onderzoekers in het hele Europees Stelsel van Centrale Banken leggen we de verbinding tussen nieuwe tools en methoden en belangrijke beleidsvraagstukken.

Fabienne Allegret-Maret

Als Senior Team Lead bij de afdeling Informatiegovernance van het Directoraat-Generaal Secretariaat geef ik leiding aan de ECB-bibliotheek. Omdat informatiestromen zowel in omvang als in snelheid drastisch zijn toegenomen, ben ik begonnen met een transformatie van de bibliotheek om de ECB te helpen in het steeds complexere informatielandschap.

Vandaag de dag gaat mijn rol veel verder dan boeken uitlenen en databanken ontsluiten. De bibliotheek is een integraal onderdeel van het kennisecosysteem van de ECB – een kritieke hulpbron die diepgaande analyse en innovatief denken mogelijk maakt. Samen met mijn team zorg ik voor de aanschaf en het beheer van kwalitatief hoogstaande informatiebronnen, afgestemd op de behoeften van economen, toezichthouders en andere experts. Daarbij is een doordachte selectie al net zo belangrijk als de ontsluiting ervan, want de beschikbare informatie moet niet alleen omvangrijk zijn, maar ook gezaghebbend en relevant. Hoewel de meeste materialen tegenwoordig digitaal zijn, blijven we de toegang tot gedrukte collecties bevorderen. We zijn ervan overtuigd dat geconcentreerde aandacht en contextuele leesvaardigheid essentieel blijven voor een goede besluitvorming.

De transformatie heeft ook onze fysieke bibliotheekomgeving veranderd: die is nu meer gericht op kennisdeling en innovatie, maar biedt uiteraard nog steeds ruimte voor geconcentreerd werken. De bibliotheek is uitgegroeid tot een hub waar ECB-deskundigen elkaar ontmoeten, ideeën uitwisselen en van elkaar leren.

Nu AI ook het werk van de centrale bank verandert, zijn onze verantwoordelijkheden groter geworden. Mijn team en ik zorgen ervoor dat gelicentieerde content op verantwoorde wijze in AI-toepassingen wordt gebruikt, met de juiste balans tussen innovatie en juridische waarborgen. Betrouwbare informatie van hoge kwaliteit is van cruciaal belang voor AI-systemen, zeker bij het analyseren van nieuws, om ervoor te zorgen dat de output nauwkeurig en betrouwbaar is.

Ik gebruik mijn expertise ook op het gebied van informatieorganisatie, waarbij ik me sterk maak voor de ontwikkeling van de semantische laag van de ECB die kennis tussen systemen met elkaar verbindt, waardoor ECB-specifieke inzichten vindbaarder en praktischer toepasbaar worden.

Mijn werk als bibliothecaris heeft zich zo veel verder ontwikkeld dan het rondlopen tussen boekenkasten: ik werk nu in het middelpunt van het AI-gestuurde informatiemanagement, waar de snel veranderende innovaties op het gebied van AI worden gekoppeld aan de gespecialiseerde vereisten op het gebied van centraal bankieren. Door technologische innovatie te combineren met beheer en governance, stel ik de ECB in staat om op intelligente en integere wijze te innoveren.

Steven Moons

In mijn rol als hoofd van het AI-programma van de ECB en lid van het AI Office geef ik leiding aan de strategische transformatie op het gebied van kunstmatige intelligentie. Ik zie toe op de opzet en uitvoering van het AI-programma van de ECB en coördineer zowel productiviteitsverhogende als transformatieve AI-toepassingen. Mijn verantwoordelijkheden omvatten het waarborgen van de naleving van ethische, wettelijke en regelgevingsnormen, het onderhouden van samenwerkingen met interne en externe belanghebbenden en het bevorderen van een innovatiecultuur op basis van verantwoordelijkheid, transparantie en robuuste governance.

Voordat ik deze rol op me nam, heb ik verschillende AI- en “SupTech”-initiatieven in het bankentoezicht geleid. Voordat ik in 2021 bij de ECB kwam, heb ik heel wat jaren gewerkt in functies die gericht waren op IT-ondersteuning, digitale transformatie en organisatieveranderingen in de particuliere en de publieke sector. In die periode heb ik gewerkt aan het moderniseren van IT-landschappen, het bevorderen van cloud- en architectuurinitiatieven en het uitvoeren van complexe programma’s met diverse teams in heel Europa, de Verenigde Staten en Azië.

Wat ik het meeste waardeer aan het werken bij de ECB, is hoe uiteenlopende perspectieven uit heel Europa hier samenkomen. Te mogen bijdragen aan de technologische en digitale toekomst van de ECB – en tegelijkertijd haar rol als betrouwbare, toekomstgerichte Europese instelling helpen versterken – is zowel een voorrecht als een continue bron van motivatie. In mijn huidige rol waardeer ik met name de samenwerking met zo’n breed scala aan organisatie-eenheden, aangezien AI bijna elk deel van de organisatie raakt. Samenwerken met deze diverse en betrokken gemeenschap van collega’s is inspirerend en stimulerend. De sterke gerichtheid op samenwerking bij de ECB en de mogelijkheid om te werken met mensen die echt gedreven zijn om een verschil te maken, zijn de belangrijkste aspecten van wat ik waardeer in mijn werk.

Naast mijn werk vind ik mijn balans in de natuur, ik ga graag wandelen in de bergen of trek eropuit met mijn motor.

Vasilis Papaefthymiou

Ik ben toezichthouder in het team Supervisory Technologies (SupTech) van het SSM. Mijn werk richt zich op het opzetten en ontwikkelen van innovatieve toepassingen waarmee bankentoezichthouders bij de ECB en in het hele eurogebied beter uit de voeten kunnen.

De afgelopen vijf jaar heb ik me bij SupTech gespecialiseerd in de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie en generatieve AI-toepassingen. Als product owner leid ik de ontwikkeling van twee tools. Athena is de eerste en meest uitgebreide AI-tool die beschikbaar is binnen het SSM en die toezichthouders ondersteunt bij het vinden van relevante informatie in miljoenen toezichtsdocumenten. Delphi is een intuïtieve tool voor marktrisicosentiment dat financiëlemarktindicatoren combineert met belangrijke marktfactoren die dagelijks worden gegenereerd door nieuwsartikelen te analyseren. Zo bieden zen toezichthouders inzicht in opkomende risico’s.

Zo komt mijn passie voor technologie samen met het snel evoluerende gebied van AI in een ideale omgeving. SupTech speelt een sleutelrol bij het integreren van geavanceerde oplossingen in het Europees bankentoezicht. Dit is voor mij een ideale omgeving om de ervaring op het gebied van computerwetenschap en datawetenschap toe te passen die ik heb opgedaan in mijn studie op het gebied van elektrotechnische en computertechniek aan de nationale technische universiteit van Athene, in combinatie met de management- en economische inzichten die ik heb verworven door mijn masterstudie aan de ETH Zurich. Voor een computertechnicus biedt de ECB een unieke kans om te werken op het snijvlak van technologie en financiën, waar innovatie rechtstreeks de financiële stabiliteit en het toezicht van wereldniveau ondersteunt.

Ik voel mij zeer geïnspireerd in de wetenschap dat mijn dagelijkse werkzaamheden bij de ontwikkeling van innovatieve IT-tools bijdragen tot een doeltreffender en meer risicogebaseerd bankentoezicht, wat leidt tot veiligere banken en een positieve impact op de Europese burgers.

Mijn vrije tijd breng ik graag door met vrienden en aan zee in de Griekse zon.

Jaarstukken

https://www.ecb.europa.eu/press/annual-reports-financial-statements/annual/annual-accounts/html/ecb.annualaccounts2025~ba3b593c99.nl.html

De geconsolideerde balans van het Eurosysteem per 31 december 2025

https://www.ecb.europa.eu/press/annual-reports-financial-statements/annual/balance/html/ecb.eurosystembalancesheet2025~31f7e11ddc.nl.html

© Europese Centrale Bank, 2026

Postadres 60640 Frankfurt am Main, Duitsland
Telefoon +49 69 1344 0
Website www.ecb.europa.eu

Alle rechten voorbehouden. Reproductie voor educatieve en niet-commerciële doeleinden is alleen toegestaan met bronvermelding.

Voor specifieke terminologie wordt verwezen naar het ECB glossary (alleen beschikbaar in het Engels).


HTML ISBN 978-92-899-7679-4, ISSN 1725-2911, doi:10.2866/3306839, QB-01-26-070-NL-Q


  1. Caldara, D., Iacoviello, M., Molligo, P., Prestipino, A. en Raffo, A., “The economic effects of trade policy uncertainty”, Journal of Monetary Economics, Vol. 109, januari 2020, blz. 38-59.

  2. Zie Schröder, M., “From text to trouble: understanding the limits of text-derived trade policy uncertainty measures”, Economisch Bulletin, Nummer 8, ECB, 2025.

  3. Voor meer informatie over de ontwikkeling van het gemiddelde aantal gewerkte uren in het eurogebied sinds de pandemie, zie Berson, C. en Weiβler, M., “Who wants to work more? Revisiting the decline in average hours worked”, Economic Bulletin, Issue 3, ECB, 2025.

  4. Zie Bouabdallah et al., “Time to be strategic: how public money could power Europe’s green, digital and defence transitions”, The ECB Blog, ECB, 25 juli 2025.

  5. Het meerjarige netto-uitgavenpad is de enige operationele indicator voor de beoordeling van de naleving van het hervormde EU-kader voor economische governance.

  6. Zie “Commissie schetst prioriteiten om het concurrentievermogen van de EU te stimuleren in haar najaarspakket van het Europees Semester 2026”, persbericht, Europese Commissie, 25 november 2025.

  7. Niet alle lidstaten van het eurogebied hadden hun begrotingsplannen bij de Commissie ingediend, voornamelijk vanwege hun verkiezingscycli. Spanje moet nog een plan indienen. België heeft pas begin 2026 een plan ingediend. Oostenrijk heeft in mei een plan voor 2025 en 2026 ingediend, en de Commissie heeft geoordeeld dat het in overeenstemming is met de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact.

  8. Voor meer informatie over voedselinflatie, zie Bobeica, E., Koester, G. en Nickel, C., “When groceries bite: the role of food prices for inflation in the euro area”, The ECB Blog, ECB, 25 september 2025, en Bates, C., Kuik, F. en Wieland, E., “Inside the food basket: what is behind recent food inflation?”, Economisch Bulletin, Nummer 8, ECB, 2025.

  9. Voor meer informatie over jaarlijkse herprijzingseffecten, zie Bodnár, K., Fabbri, A., Rubene, I. en Zekaite, Z., “Where do we stand with inflationary pressures arising from price resetting?”, Economisch Bulletin, Nummer 4, ECB, 2025.

  10. Voor meer informatie over diensteninflatie, zie Eiglsperger, M., Porqueddu, M. en Wieland, E., “Uncertainty in seasonally adjusted services inflation: the role of Easter and travel”, Economic Bulletin, Issue 5, ECB, 2025.

  11. Voor meer informatie over onderliggende inflatie, zie Bańbura, M., Bobeica, E., Bodnár, K. en Fagandini, B., “Underlying inflation measures: an analytical guide for the euro area”, Economic Bulletin, Issue 5, ECB, 2023.

  12. De loondrift omvat alle elementen van de werkelijk betaalde lonen en salarissen per werknemer die niet onder de collectieve loonafspraken vallen, zoals individuele bonusbetalingen en overuren.

  13. Voor meer informatie over de inhaalbeweging van de reële lonen in het eurogebied zie Bates, C., Bodnár, K., Botelho, V. en Rousseau, F., “Real wage catch-up in the euro area”, Economic Bulletin, Issue 5, ECB, 2025.

  14. Joslin, S., Singleton, K.J. en Zhu, H., “A New Perspective on Gaussian Dynamic Term Structure Models”, The Review of Financial Studies, Vol. 24, nummer 3, 2011, blz. 926-970.

  15. Zie Allayioti, A., Bozzelli, G., Di Casola, P., Mendicino, C., Skoblar, A. en Velasco, S., “More uncertainty, less lending: how US policy affects firm financing in Europe”, The ECB Blog, ECB, 2 oktober 2025.

  16. Zie Falagiarda, M. en Gartner, C., “Croatia adopts the euro”, Economisch Bulletin, Nummer 8, ECB, 2022.

  17. Zie Dorrucci, E., Fidora, M., Gartner, C. en Zumer, T., “The European exchange rate mechanism (ERM II) as a preparatory phase on the path towards euro adoption – the cases of Bulgaria and Croatia”, Economisch Bulletin, Nummer 8, ECB, 2020.

  18. Zie Falagiarda, M., Gartner, C. en Osterloh, S., “Bulgaria adopts the euro”, Economisch Bulletin, Nummer 8, ECB, 2025, en Dreher, F. en Hernborg, N., “Love at second sight: support for the euro before and after adoption”, The ECB Blog, ECB, 4 november 2025.

  19. Zie Aguiari, G., Falagiarda, M., Gartner, C. en Ivanova, E., “Euro adoption and price increases in Bulgaria: separating myths from facts”, The ECB Blog, ECB, 9 april 2026. Voor meer informatie over het geraamde prijseffect van de omschakeling in Kroatië en tijdens eerdere omschakelingen naar de euro zie Falagiarda, M., Gartner, C., Mužić, I. en Pufnik, A., “Has the euro changeover really caused extra inflation in Croatia?”, The ECB Blog, ECB, 7 maart 2023.

  20. Zie “Counterparties invited to regularly test their operational readiness to access Eurosystem standard refinancing operations, persbericht, ECB, 19 december 2025.

  21. Spanje en Griekenland kondigden een verhoging van de contracyclische buffer aan van respectievelijk 0,5% tot 1% en 0,25% tot 0,5%, en Oostenrijk voerde een sectorale systeemrisicobuffer van 1,0% in voor blootstellingen aan commercieel vastgoed.

  22. Duitsland verlaagde zijn sectorale systeemrisicobuffer voor blootstellingen aan niet-zakelijk onroerend goed tot 1,0%. Frankrijk deactiveerde zijn sectorale systeemrisicobuffer voor blootstellingen aan niet-financiële ondernemingen met een hoge schuldenlast. België kondigde aan zijn sectorale systeemrisicobuffer voor hypothecaire blootstellingen te deactiveren en gelijktijdig zijn contracyclische kapitaalbuffer te verhogen van 1,0% tot 1,25%.

  23. Zie Grodzicki, M., van der Kraaij, A., Vogel, U. en Zsámboki, B., “Enhancing the ECB’s O-SII framework”, Macroprudential Bulletin, nr. 30, ECB, 5 augustus 2025.

  24. Kroatië kondigde in 2025 aan dat het maatregelen voor kredietnemers zou nemen en begon deze uit te voeren, terwijl sommige andere landen ook hun bestaande maatregelen voor kredietnemers bijwerkten.

  25. Zie “Financial Stability Review”, ECB, mei 2025.

  26. Zie “Financial Stability Review”, ECB, november 2025.

  27. Het ESRB bestaat uit presidenten van de centrale banken van alle landen van de Europese Economische Ruimte en de hoofden van de nationale en Europese toezichthoudende autoriteiten. Het voert kwartaalbeoordelingen van systeemrisico’s uit en formuleert indien nodig waarschuwingen en aanbevelingen. Zie voor meer informatie Verordening (EU) nr. 1096/2010 van de Raad van 17 november 2010 tot toewijzing aan de Europese Centrale Bank van specifieke taken betreffende de werking van het Europees Comité voor systeemrisico’s (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 162).

  28. Verordening (EU) 2021/557 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2021 tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2402 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie om bij te dragen aan het herstel van de COVID-19-crisis (PB L 116 van 6.4.2021, blz. 1).

  29. Verordening (EU) 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende cryptoactivamarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 1095/2010 en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/1937 (PB L 150 van 9.6.2023, blz. 40).

  30. Aanbeveling van het Europees Comité voor systeemrisico’s van 25 september 2025 betreffende stablecoin-stelsels met meerdere uitgevers waarbij een uitgever uit een derde land betrokken is (ESRB/2025/9).

  31. Buch, C., “Introductory statement”, toespraak op de persconferentie over de SREP-resultaten voor 2025 en de toezichtsprioriteiten 2026-2028, Frankfurt am Main, 18 november 2025.

  32. Zie “Streamlining supervision, safeguarding resilience”, ECB, 11 december 2025.

  33. Verordening (EU) 2022/2554 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende digitale operationele weerbaarheid voor de financiële sector en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 909/2014 en (EU) 2016/1011 (PB L 333 van 27.12.2022, blz. 1).

  34. De stresstest van 2025 werd gecoördineerd door de Europese Bankautoriteit, in samenwerking met het ESRB, de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten.

  35. Richtsnoer (EU) 2025/2595 van de Europese Centrale Bank van 10 december 2025 betreffende de toezichtsaanpak door nationale bevoegde autoriteiten van de dekking van niet-renderende blootstellingen die door minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten worden aangehouden (ECB/2025/40) (PB L 2025/2595, 19.12.2025).

  36. Verordening (EU) 2024/1623 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft vereisten inzake kredietrisico, risico van aanpassing van de kredietwaardering, operationeel risico, marktrisico en de output floor (PB L, 2024/1623 van 19.6.2024).

  37. Richtlijn (EU) 2024/1619 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale en governancerisico’s (PB L, 2024/1619, 19.6.2024).

  38. Zie voor meer informatie “Commission seeks input on Basel III market risk rules for banks”, nieuwsartikel, Directoraat-generaal Financiële Stabiliteit, Financiële Diensten en Kapitaalmarktenunie, Europese Commissie, 6 november 2025.

  39. Zie de “ECB staff contribution to the European Commission's targeted consultation on the application of the market risk prudential framework”, reactie op de raadpleging, ECB, 15 januari 2026.

  40. Zie “Basel III: the net stable funding ratio”, Bazels Comité voor Bankentoezicht, 31 oktober 2014.

  41. Zie Advies van de Europese Centrale Bank van 2 mei 2025 inzake een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen wat betreft vereisten voor effectenfinancieringstransacties in het kader van de nettostabielefinancieringsratio (CON/2025/9).

  42. Verordening (EU) 2025/1215 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2025 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft vereisten voor effectenfinancieringstransacties in het kader van de nettostabielefinancieringsratio (PB L, 2025/1215, 25.6.2025).

  43. Zie “Financial Stability Review”, ECB, mei 2025.

  44. Zie Grill, M., Molestina Vivar, L., O’Donnell, C., Wedow M. en Weistroffer, C., “Strengthening risk monitoring and policy for non-bank leverage”, Macroprudential Bulletin, nr. 26, 15 januari 2025.

  45. Zie “Leverage in Nonbank Financial Intermediation – Final report”, Raad voor Financiële Stabiliteit, 9 juli 2025.

  46. Zie “Thematic Review on FSB Global Regulatory Framework for Crypto-asset Activities – Peer review report”, Raad voor Financiële Stabiliteit, 16 oktober 2025.

  47. Zie bijvoorbeeld “Financial Stability Review”, ECB, november 2025.

  48. Zie “Market integration and supervision package”, mededeling, Europese Commissie, 4 december 2025.

  49. Zie “ESCB reply to the European Commission’s targeted consultation on integration of EU capital markets”, reactie op de raadpleging, ECB, juni 2025.

  50. Zie Opinion of the European Central Bank of 9 April 2026 on proposals as regards the further development of capital market integration and supervision within the Union (CON/2026/13).

  51. Zie Advies van de Europese Centrale Bank van 11 november 2025 inzake: a) een voorstel voor een verordening tot wijziging van Verordening (EU) nr. 2017/2402 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, b) een voorstel voor een verordening tot wijziging van Verordening (EU) 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen wat betreft vereisten voor securitisatieblootstellingen, en c) een ontwerpvoorstel voor een gedelegeerde verordening tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 wat betreft de toelaatbaarheidsvoorwaarden voor securitisaties in de liquiditeitsbuffer van kredietinstellingen (CON/2025/35).

  52. De taskforce werd voorgezeten door vicepresident Luis de Guindos, en andere leden waren onder meer de leden van de Raad van Bestuur Joachim Nagel (Deutsche Bundesbank), Madis Müller (Eesti Pank), François Villeroy de Galhau (Banque de France), Fabio Panetta (Banca d’Italia) en Olli Rehn (Suomen Pankki – Finlands Bank), evenals Sharon Donnery als de ECB-vertegenwoordiger in de Raad van Toezicht.

  53. Zie “Simplification of the European prudential regulatory, supervisory and reporting framework”, ECB, 11 december 2025.

  54. Nadere informatie over het Joint Bank Reporting Committee is beschikbaar op de website van de ECB.

  55. Verordening (EU) 2024/886 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2024 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 260/2012 en (EU) 2021/1230 en Richtlijnen 98/26/EG en (EU) 2015/2366 wat betreft instantovermakingen in euro’s (PB L 2024/886, 19 maart 2024).

  56. Ook andere bepalingen van de verordening hadden gevolgen voor het volume en de waarde van de afgewikkelde instantbetalingen, met name de verplichting voor betalingsdienstaanbieders om kosten voor instantovermakingen vast te stellen die niet hoger zijn voor andere overboekingen, en het vervallen van de maximale waarde van instantovermakingen.

  57. De Nationale Bank van Bulgarije werd de 21e nationale centrale bank van het Eurosysteem toen Bulgarije op 1 januari 2026 de euro invoerde.

  58. Zie “TARGET Services incident of 27 February 2025 – Post-mortem Report”, ECB, november 2025.

  59. De enkele resterende maatregelen zijn in het eerste kwartaal van 2026 afgerond.

  60. Het apparaat van de gebruiker moet vooraf over een saldo beschikken, waarbij lokaal een bedrag wordt opgeslagen. Zie voor nadere gegevens de themapagina over de digitale euro op de website van de ECB.

  61. Zie ECB commits to distributed ledger technology settlement plans with dual-track strategy”, persbericht, ECB, 1 juli 2025.

  62. Zie Hanssens, B., Sandín de Vega, D. en Franziska Sowa, H., “Advancing the capital markets union in Europe: a roadmap for harmonisation securities post-trading”, Economisch Bulletin, Nummer 4, ECB, 2025.

  63. Met deze jaarlijkse exercitie kan de ECB betalingssystemen rubriceren op basis van hun systeemrelevantie.

  64. Verordening (EU) 2025/1355 van de Europese Centrale Bank van 2 juli 2025 betreffende oversightvereisten voor systeemrelevante betalingssystemen (ECB/2025/22) (PB L, 2025/1355).

  65. Verordening (EU) 2022/2554 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende digitale operationele weerbaarheid voor de financiële sector en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 909/2014 en (EU) 2016/1011 (PB L 333 van 27.12.2022, blz. 1).

  66. Verordening (EU) 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende cryptoactivamarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 1095/2010 en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/1937 (PB L 150 van 9.6.2023, blz. 40).

  67. Dit jaar is de reikwijdte van het cyberonderzoek uitgebreid tot PISA-entiteiten, naast systeemrelevante betalingssystemen, centrale effectenbewaarinstellingen en CCP’s.

  68. Zie “ECB introduces changes to the dedicated credit facility for euro area CCPs”, persbericht, ECB, 30 april 2025.

  69. Verordening (EU) 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).

  70. Verordening (EU) 2022/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende een proefregeling voor marktinfrastructuren op basis van distributed ledger-technologie, en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 909/2014 en Richtlijn 2014/65/EU (PB L 151 van 2.6.2022, blz. 1).

  71. Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake eurobankbiljetten en -munten als wettig betaalmiddel (COM/2023/364 final).

  72. Zie bijvoorbeeld “Keep calm and carry cash: lessons on the unique role of physical currency across four crises”, Economisch Bulletin, Nummer 6, ECB, 2025.

  73. Richtsnoer (EU) 2015/333 van de Europese Centrale Bank van 31 januari 2025 betreffende de te rapporteren statistische gegevens over vermogen, inkomen en consumptie van huishoudens (ECB/2025/3) (PB L 2025/333, 27.2.2025).

  74. Richtsnoer (EU) 2025/603 van de Europese Centrale Bank van 7 maart 2025 betreffende statistieken over de overheidsfinanciën (ECB/2025/9) (herschikking) (PB L, 2025/603, 31.3.2025).

  75. Zie Matteo, M., Rodríguez Caloca, A. en Torri, C., “Enhancing the breakdowns of portfolio investment in debt securities”, ECB Data Blog, ECB, 29 juli 2025.

  76. Richtsnoer (EU) 2025/2212 van de Europese Centrale Bank van 2 oktober 2025 tot wijziging van Richtsnoer (EU) 2021/833 betreffende te rapporteren statistische gegevens over geconsolideerde bankgegevens (ECB/2021/14) (ECB/2025/34) (PB L, 2025/2212, 21.11.2025).

  77. Klasse-1 beleggingsondernemingen zijn grote, bankachtige beleggingsondernemingen die onderworpen zijn aan dezelfde prudentiële regels als kredietinstellingen.

  78. Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (PB L 318, 27.11.1998, blz. 8).

  79. Aanbeveling voor een Verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2533/98 van 23 november 1998 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (ECB/2025/17) (PB C, C/2025/3224, 17.6.2025).

  80. Verordening (EU) 2026/415 van de Raad van 16 december 2025 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2533/98 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (PB L, 2026/415, 20.2.2026).

  81. Verordening (EG) Nr. 184/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 betreffende de communautaire statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen (PB L 35, 8.2.2005, blz. 23).

  82. Richtsnoer van de Europese Centrale Bank van 25 juli 2013 betreffende de statistische rapportagevereisten van de Europese Centrale Bank met betrekking tot financiële kwartaalrekeningen (herschikking) (ECB/2013/24) (PB L 2, 7.1.2014, blz. 34).

  83. Richtsnoer van de Europese Centrale Bank van 9 december 2011 betreffende de statistische rapportagevereisten van de Europese Centrale Bank met betrekking tot externe statistieken (herschikking) (ECB/2022/23) (PB L 65, 3.3.2022, blz. 1).

  84. Richtsnoer (EU) 2025/603 van de Europese Centrale Bank van 7 maart 2025 betreffende statistieken over de overheidsfinanciën (ECB/2025/9) (herschikking) (PB L, 2025/603, 31.3.2025).

  85. Het onderzoeksnetwerk Challenges for Monetary Policy Transmission in a Changing World (ChaMP) heeft tot doel een beter inzicht te krijgen in de wijze waarop monetair beleid doorwerkt in de Europese economie tegen de achtergrond van ongekende schokken, structurele veranderingen en een verschuivende inflatiedynamiek. Het gaat om een project van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB).

  86. Zie Nickel, C. et al., “A strategic view on the economic and inflation environment in the euro area”, Occasional Paper Series, nr. 371, ECB, 2025.

  87. Zie Bańbura, M. et al., “A new model to forecast energy inflation in the euro area”, Working Paper Series, nr. 3062, ECB, 2025.

  88. Zie Arce, Ó. et al., “What caused the euro area post-pandemic inflation?”, Occasional Paper Series, nr. 343, ECB, 2024 en Bańbura, M. et al., “What drives core inflation? The role of supply shocks”, Working Paper Series, nr. 2875, ECB, 2023.

  89. Zie bijvoorbeeld de kwantielregressie-forestmodellen van Lenza, M. et al., “Density forecasts of inflation: A quantile regression forest approach”, Working Paper Series, nr. 2830, ECB, 2025; de modellen met toestandsafhankelijke monetairbeledstransmissie zoals bij Karadi, P. et al. (2025), “Strike while the iron is hot – Optimal monetary policy under state-dependent pricing”, Working Paper Series, nr. 3068, ECB, 2025; en Jaccard, I., “Monetary asymmetries without (and with) price stickiness”, Working Paper Series, nr. 2928, ECB, 2024.

  90. Zie Aguilar, P. et al., “The Transmission of Foreign Shocks in a Networked Economy”, Working Papers, nr. 2607, Banco de España, 2026.

  91. Zie Kase, H. en Rigato, R.D., “Beyond averages: heterogeneous effects of monetary policy in a HANK model for the euro area”, Working Paper Series, nr. 3086, ECB, 2025.

  92. Zie Bobasu, A. et al., “Monetary policy transmission: a reference guide through ESCB models and empirical benchmarks”, Occasional Paper Series, nr. 377, ECB, 2025.

  93. Zie Chahad, M. et al., “An update on the accuracy of recent Eurosystem/ECB staff projections for short-term inflation”, Economisch Bulletin, Nummer 2, ECB, 2024.

  94. Deze uitspraak volgt op de arresten van het HvJ-EU in de verwante zaken C-566/23, C-571/23 en C-574/23.

  95. Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).

  96. Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63).

  97. Richtlijn (EU) 2024/1619 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale en governancerisico’s (PB L, 2024/1619, 19.6.2024).

  98. Dit verklaart waarom het aantal onderwerpen waarop de adviezen betrekking hebben, groter is dan het aantal uitgebrachte adviezen.

  99. Verordening (EG) Nr. 3603/93 van de Raad van 13 december 1993 tot vaststelling van de definities voor de toepassing van de in artikel 104 en artikel 104 B, lid 1, van het Verdrag vastgelegde verbodsbepalingen (PB L 332, 31.12.1993, blz. 1).

  100. Verordening (EG) Nr. 3604/93 van de Raad van 13 december 1993 tot vaststelling van de definities voor de toepassing van het in artikel 104 A van het Verdrag vastgelegde verbod op bevoorrechte toegang (PB L 332, 31.12.1993, blz. 1).

  101. De meeste van deze besluiten worden op de website van de ECB gepubliceerd onder “Other decisions”.

  102. Voor een beoordeling van de trends rond het recordniveau ter ondersteuning van de euro, zie het Kader “Hitting record highs: unpacking support for the euro”, Economic Bulletin, Issue 7, ECB, 2025.

  103. De ECB heeft de status van waarnemer bij het IMF, met een permanente ECB-vertegenwoordiger in het hoofdkantoor van het IMF in Washington. De ECB-waarnemer neemt deel aan de geselecteerde vergaderingen van het College van Bewindvoerders van het IMF.

  104. Sovereign Debt Restructuring: A Playbook for Country Authorities”, Global Sovereign Debt Roundtable, IMF, 2025.

  105. Ilzetzki, E., Reinhart, C. en Rogoff, K., “Exchange Arrangements Entering the Twenty-First Century: Which Anchor will Hold?”, The Quarterly Journal of Economics, Vol. 134, nummer 2, mei 2019, blz. 599-646.

  106. Zie “Financial literacy and monetary policy transmission”, toespraak van ECB-Directielid Isabel Schnabel tijdens de 2025 Mais Lecture op de Bayes Business School, 27 maart 2025.

  107. Het percentage interne mobiliteit heeft betrekking op alle permanente of tijdelijke horizontale bewegingen tussen afdelingen of organisatie-eenheden van medewerkers met een contract voor bepaalde of onbepaalde tijd, met uitzondering van deelnemers aan het Graduate Programme.

  108. Zie de webpagina Global and European temperatures van het Europees Milieuagentschap.

  109. Zie de indicator Annual economic losses caused by weather- and climate-related extreme events in the EU Member States van het Europees Milieuagentschap.

  110. Zie de webpagina Biodiversity van het Europees Milieuagentschap.

  111. Zie het klimaat- en natuurplan voor 2024-2025 van de ECB.

  112. Zie het actieplan van de ECB uit 2021 om klimaatverandering in aanmerking te nemen bij haar monetairbeleidsstrategie, de toezichtsprioriteiten voor 2022-2024 en de klimaatagenda van de ECB van 2022.

  113. Caggese, A., Chiavari, A., Goraya, S. en Villegas-Sanchez, C., “Climate change, firms and aggregate productivity”, Research Bulletin, nr. 132, ECB, 24 juni 2025.

  114. Caggese, A., Chiavari, A., Goraya, S. en Villegas-Sanchez, C., “Climate change, firms and aggregate productivity”, Working Paper Series, nr. 3084, ECB, 2025.

  115. Parker, M., “Has the heatwave been driving you nuts?”, The ECB Blog, ECB, 13 juli 2025.

  116. Fontana, A., Jarmulska, B., Scheid, B., Scheins, C., Schwarz, C., “From flood to fire: is physical climate risk taken into account in banks’ residential mortgage rates?”, Working Paper Series, nr. 3036, ECB, 2025.

  117. Foerster, K., Ryan, E., Scheid, B., “Pricing or panicking? Commercial real estate markets and climate change”, Working Paper Series, nr. 3059, ECB, 2025.

  118. Cappiello, L., Ferrucci, G., Maddaloni, A., Veggente, V., “Creditworthy: do climate change risks matter for sovereign credit ratings?”, Working Paper Series, nr. 3042, ECB, 2025.

  119. Mongelli, F.P., Ceglar, A., Scheid, B., “Why do we need to strengthen climate adaptations? Scenarios and financial lines of defense”, Working Paper Series, nr. 3005, 2024.

  120. Ceglar, A., Jwaideh, M., O’Donnell, E., Danieli, F., Pasqua, C., Hutchinson, J., Cimini, F., Sabuco, J., Alvarez, J., Ranger, N. en Heemskerk, I., “Nature at risk: Implications for the euro area economy and financial stability”, Occasional Paper Series, nr. 380, ECB, 2025.

  121. Boldrini, S. et al., “Living in a world of disappearing nature: physical risk and the implications for financial stability”, Occasional Paper Series, nr. 333, ECB, Frankfurt am Main, 2023.

  122. Ceglar, A. et al., “Nature at risk: Implications for the euro area economy and financial stability”, Occasional Paper Series, nr. 380, ECB, Frankfurt am Main, 2025.

  123. Hirschbühl, D. et al., “The climate-biodiversity-pollution nexus: the pricing of environmental credit risks for European industrial polluters”, Working Paper Series, nr. 3164, ECB, Frankfurt am Main, 2025.