Door medewerkers van de ECB samengestelde macro-economische projecties voor het eurogebied, september 2026
1 Overzicht
De economie van het eurogebied is beter bestand gebleken tegen de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten dan eerder werd verwacht. De reële bbp-groei in het tweede kwartaal van 2026 viel onverwacht beter uit en kortetermijnindicatoren wijzen op robuuste groei op korte termijn door afnemende onzekerheid, een herstel van vertrouwen en de verwachte geleidelijke afname van de hevigheid van de aanbodschok op de energiemarkt door het conflict in het Midden-Oosten.[1] De verwachting is dat de hittegolf in Europa van deze zomer slechts een beperkt en tijdelijk negatief effect heeft gehad op de economische bedrijvigheid. Op middellange termijn zouden het herstel van reële inkomens door lagere energie-inflatie en een veerkrachtige arbeidsmarkt de binnenlandse vraag moeten blijven ondersteunen, waarbij de werkloosheid naar verwachting een nieuw historisch dieptepunt zal bereiken. Ook stijgende overheidsuitgaven voor infrastructuur en defensie, met name in Duitsland, in combinatie met investeringen in kunstmatige intelligentie (AI), zouden tegen het einde van de projectieperiode de groei moeten ondersteunen. Voor de uitvoer wordt een positieve groei voorzien dankzij een aantrekkende externe vraag, hoewel de druk door nog altijd uitdagende concurrentieverhoudingen aanhoudt. Bovendien zal het eurogebied naar verwachting minder dan enkele andere economieën profiteren van de sterke mondiale vraag naar AI door de relatief kleine Europese sector voor AI-producten. Volgens de basisprojecties komt de jaarlijkse groei van het reële bbp uit op 0,9% in 2026, 1,4% in 2027 en 1,5% in 2028 (Tabel 1). Gecorrigeerd voor de volatiliteit van de Ierse cijfers zal de groei in 2026 en 2027 naar verwachting 1,2% bedragen, om vervolgens te stijgen tot 1,4% in 2028.[2] Ten opzichte van de projecties van juni 2026 is de bbp-groei voor 2026 met 0,1 procentpunt naar boven toe bijgesteld (0,3 procentpunt gecorrigeerd voor volatiliteit van de Ierse cijfers). Dit komt voort uit onverwachte ontwikkelingen in de gegevens en positieve enquête-indicatoren, die voor 2027 een overloopeffect impliceren, resulterend in een herziening met 0,2 procentpunt voor dat jaar. De bbp-groei voor 2028 is ongewijzigd.
De inflatievooruitzichten worden nog altijd vooral bepaald door de verwachting dat de energieschok zal wegebben, een aanname die echter wel wordt omringd door forse onzekerheid. De inflatie zal in het vierde kwartaal van 2026 naar verwachting een piek van 3,6% bereiken door stijgende energieprijzen als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten, waarbij toenames van de prijzen voor ruwe olie worden versterkt door aanvullende opwaartse druk op de prijzen van geraffineerde olieproducten en op de groothandelsprijzen voor gas en elektriciteit. Doordat het voornaamste effect van het conflict op de energieprijzen echter uit de vergelijking op jaarbasis verdwijnt, zal de totale inflatie, zoals gemeten aan de hand van de geharmoniseerde consumptieprijsindex (HICP), in het tweede kwartaal van 2027 naar verwachting dalen tot 2,5% en vervolgens rond 2,0% blijven schommelen. Het verloop van de totale inflatie verhult verschillen in de snelheid waarmee de energieschok in de belangrijkste componenten doorwerkt. Een snelle doorwerking in de consumptieprijzen voor energie impliceert dat de energie-inflatie in rap tempo zal meebewegen met de veronderstelde dalingen van de prijzen van energiegrondstoffen en in de loop van 2027 negatief zal worden, om daarna in 2028 met de invoering van het nieuwe emissiehandelssysteem van de EU (ETS2) weer te gaan stijgen. Daarentegen zal de energieschok naar verwachting slechts geleidelijk doorwerken in de inflatie exclusief energie, die naar verwachting tot begin 2027 zal stijgen en daarna hoog zal blijven, om vervolgens in 2028 weer te matigen. Over het geheel genomen worden de indirecte en tweederonde-effecten geacht beperkt te zijn. De verwachte daling van de inflatie zal de loondruk op middellange termijn helpen beperken gezien de betere vooruitzichten voor de economie en de arbeidsmarkt, hoewel de loongroei naar verwachting boven zijn langetermijngemiddelde zal blijven. Al met al gaan de basisprojecties uit van een HICP-inflatie die aantrekt van 2,1% in 2025 tot 3,0% in 2026, om daarna te dalen naar 2,5% in 2027 en 2,1% in 2028. De vooruitzichten voor de totale HICP-inflatie in 2026 zijn ongewijzigd, met neerwaartse bijstellingen voor de voedingsmiddelencomponent na aanzienlijke neerwaartse verrassingen tot en met juli, en ondanks een zekere opwaartse druk door het ongunstige weer, die de opwaartse bijstellingen van de energie-inflatie compenseren. De totale inflatie is voor 2027 met 0,2 procentpunt en voor 2028 met 0,1 procentpunt naar boven bijgesteld door de verwachte hogere energie-inflatie in 2027 en een sterkere kerninflatie (HICP-inflatie exclusief energie en voedingsmiddelen) in beide jaren, wat voortkomt uit betere vooruitzichten voor de economische bedrijvigheid en een iets hogere loongroei bij een licht aantrekkende arbeidsmarkt. De verwachte intensiteit van indirecte en tweederonde-effecten is grotendeels ongewijzigd ten opzichte van de projecties van juni 2026, met uitzondering van de lagere indirecte effecten op de voedselprijzen.
Door het aanhoudende conflict in het Midden-Oosten, de blokkade van de Straat van Hormuz en de nog altijd volatiele energieprijzen blijven de economische vooruitzichten voor het eurogebied hoogst onzeker. Om deze onzekerheid toe te lichten, zijn naast de basisprojecties geactualiseerde versies opgesteld van de drie alternatieve scenario’s uit de projecties van juni 2026 – een mild scenario, een ongunstig scenario en een ernstig scenario. Deze scenario’s hanteren verschillende aannames over de omvang en duur van het conflict in het Midden-Oosten en de energieprijsschok, alsmede over de effecten van de schok op het internationale klimaat en de onzekerheid, en over de hevigheid van indirecte en tweederonde-effecten op de inflatie.
- In het milde scenario wordt verondersteld dat de energieprijzen sneller normaliseren dan in de basisprojecties. Hierdoor zou de inflatie sneller afnemen en in 2027 en 2028 onder de inflatiedoelstelling van 2% uitkomen, in combinatie met een iets sterkere bbp-groei dan in het basisscenario.
- In het ongunstige scenario wordt ervan uitgegaan dat de energieprijzen sterker en langduriger stijgen dan in het basisscenario. Ook de onzekerheid en de internationale overloopeffecten zijn in dit scenario groter, evenals de indirecte en tweede-ronde-effecten op de inflatie. Ten opzichte van het basisscenario impliceert dit een hogere inflatie in de periode 2026-2028, met een lagere bbp-groei in 2027 en 2028 dan in het basisscenario.
- In het ernstige scenario wordt uitgegaan van een sterkere en langer aanhoudende energieprijsschok, grotere onzekerheid en een sterkere reactie daarop door de lonen en de prijzen exclusief energie dan in het ongunstige scenario. In het ernstige scenario wordt een aanzienlijk en aanhoudend hogere totale inflatie gedurende de projectieperiode gehanteerd dan in de basisprojecties, overeenkomstig eerdere ervaringen met niet-lineaire effecten van een grote energieprijsschok. De bbp-groei zou in 2027 aanzienlijk afzwakken, om daarna weer te herstellen en in 2028 slechts iets onder het geraamde percentage van het basisscenario uit te komen doordat een sterkere loongroei de inkomens en vraag ondersteunt.
Tabel 1
Groei- en inflatieprojecties voor het eurogebied
(mutaties in procenten per jaar)
|
| Basisscenario juni 2026 | September 2026 — basis- en alternatieve scenario’s | |||
|---|---|---|---|---|---|---|
Basisscenario | Mild scenario | Ongunstig scenario | Ernstig scenario | |||
Reëel bbp | 2025 | 1,5 | 1,3 | |||
2026 | 0,8 | 0,9 | 0,9 | 0,9 | 0,8 | |
2027 | 1,2 | 1,4 | 1,5 | 1,1 | 0,4 | |
2028 | 1,5 | 1,5 | 1,6 | 1,4 | 1,4 | |
HICP | 2025 | 2,1 | 2,1 | |||
2026 | 3,0 | 3,0 | 2,9 | 3,1 | 3,3 | |
2027 | 2,3 | 2,5 | 1,9 | 3,2 | 5,4 | |
2028 | 2,0 | 2,1 | 1,8 | 2,3 | 3,2 | |
HICP exclusief energie en voedingsmiddelen | 2025 | 2,4 | 2,4 | |||
2026 | 2,5 | 2,5 | 2,5 | 2,5 | 2,5 | |
2027 | 2,5 | 2,6 | 2,5 | 2,8 | 3,5 | |
2028 | 2,2 | 2,3 | 2,2 | 2,4 | 3,2 | |
Toelichting: Voor het reële bbp is uitgegaan van jaargemiddelden van voor werkdagen en seizoensinvloeden gecorrigeerde gegevens. De bbp-gegevens van het eurogebied worden beïnvloed door aanzienlijke volatiliteit in verband met de activiteiten van multinationale ondernemingen in Ierland. Een maatstaf voor het bbp van het eurogebied waarbij voor Ierland wordt uitgegaan van de aangepaste binnenlandse vraag in plaats van het bbp, zou uitkomen op groeivooruitzichten van 1,2% voor 2026 en 2027 en 1,4% voor 2028. Ter vergelijking: in de medewerkersprojecties van juni 2026 werd uitgegaan van 0,9% in 2026, 1,1% in 2027 en 1,5% in 2028. Zie voetnoot 4 voor nadere bijzonderheden. Historische cijfers kunnen afwijken van die in de meest recente Eurostat-publicaties wanneer er na de afsluitingsdatum van de projecties nog gegevens gepubliceerd zijn.
2 Macro-economische projecties voor het eurogebied
2.1 De reële economie
De economie van het eurogebied bleef de energie- en onzekerheidsschokken in verband met het conflict in het Midden-Oosten veerkrachtig opvangen. Volgens de flashraming van Eurostat is het reële bbp in het tweede kwartaal van 2026 met 0,4% gestegen, na 0,0% in het eerste kwartaal.[3] Een aangepaste maatstaf voor het bbp van het eurogebied, waarbij gebruik wordt gemaakt van de aangepaste binnenlandse vraag in plaats van de Ierse bbp-cijfers, steeg in dezelfde periode met 0,3%, 0,2 procentpunt hoger dan in de projecties van juni en ongewijzigd ten opzichte van het eerste kwartaal van 2026 (Grafiek 1, paneel a).[4] De opwaartse verrassing duidt erop dat de negatieve effecten van het conflict in het Midden-Oosten op het reële inkomen en de onzekerheid beperkt zijn gebleven, en dat de aanhoudende AI-hausse mogelijk de bedrijfsinvesteringen en buitenlandse vraag heeft ondersteund.
Uit de beschikbare enquêtegegevens blijkt dat het vertrouwen en de groei aantrekken, ondanks aanhoudende onzekerheid in verband met het conflict in het Midden-Oosten en een tijdelijk negatief effect door het extreme zomerweer in Europa. Enquêtegegevens tot en met augustus wijzen op een aantrekkende groeiontwikkeling na de dieptepunten van het voorjaar. De samengestelde inkoopmanagersindex (PMI) voor de productie verbeterde in augustus licht door verbetering van de productie in de verwerkende industrie, bij aanhoudende groei van de PMI voor de dienstensector. De toekomstgerichte PMI-indicatoren verbeterden eveneens, hoewel de levertijden van leveranciers licht toenamen. Ook de economische vertrouwensindex van de Europese Commissie zette in augustus de stijgende lijn voort, en wist de kloof met het niveau van februari (voor de oorlog) te dichten. Daarentegen zullen de recente hittegolven en droogten in Europa – met lage waterstanden in belangrijke rivieren en bosbranden – de groei in het derde kwartaal naar verwachting drukken. Al met al zal de groei in het eurogebied volgens de projecties op basis van de aangepaste maatstaf vertragen van 0,3% in het tweede kwartaal naar 0,2% in het derde kwartaal, alvorens in het vierde kwartaal weer op 0,3% uit te komen.[5] Dit impliceert een opwaartse bijstelling met 0,1 procentpunt voor het derde en vierde kwartaal ten opzichte van de projecties van juni, met opwaartse bijstellingen binnen alle vraagcomponenten.
Grafiek 1
Reëel bbp van het eurogebied
a) Groei reëel bbp
(procentuele mutaties van kwartaal op kwartaal en bijdragen in procentpunten, voor seizoensinvloeden en het aantal werkdagen gecorrigeerde kwartaalcijfers)

b) Niveaus reëel bbp
(index: 2024-I = 100)

Toelichting: Historische cijfers kunnen afwijken van die in de meest recente Eurostat-publicaties wanneer er na de afsluitingsdatum van de projecties nog gegevens gepubliceerd zijn. De verticale lijn geeft het begin van de huidige projectieperiode aan. De rode balken in paneel a) hebben betrekking op het effect van de Ierse reële bbp-groei op het totaal van het eurogebied, de gele balken op de groei in de overige landen van het eurogebied.
Op middellange termijn zal de reële bbp-groei naar verwachting gestaag toenemen doordat de onzekerheid afneemt, het vertrouwen verbetert en de energieprijzen normaliseren. De particuliere consumptie levert op middellange termijn de grootste bijdrage aan de groei, gevolgd door de investeringen, die zich robuust ontwikkelen (Grafiek 2). De bijdrage van de netto uitvoer zal dit jaar volgens de projecties licht positief worden.
- Een geringe mate van koopkrachtverlies en toegenomen onzekerheid zorgen op korte termijn voor een aanhoudende gematigde groei van de particuliere consumptie, die echter op middellange termijn zou moeten aantrekken. De particuliere consumptie groeit op korte termijn naar verwachting in een gematigd tempo als gevolg van de temperende werking van het conflict in het Midden-Oosten op het reëel besteedbaar inkomen. Dit effect wordt echter deels opgevangen door begrotingsmaatregelen in bepaalde landen en zal geleidelijk wegebben. Ook het consumentenvertrouwen is de afgelopen maanden verbeterd, maar ligt nog altijd onder het niveau van vóór het begin van het conflict, wat aangeeft dat consumenten nog steeds terughoudend zijn in hun bestedingen. De groei van de consumptie van huishoudens zal naar verwachting verbeteren, ondersteund door herstel van de reële loongroei, veerkrachtige werkgelegenheid en, in mindere mate, gunstige vermogenseffecten. De projectie is dat de spaarquote van huishoudens gedurende de projectieperiode geleidelijk zal dalen naarmate de onzekerheid afneemt en voorzorgsmotieven aan belang inboeten bij een aanhoudend hoge rente.
- De overheidsconsumptie blijft naar verwachting op middellange termijn de groei ondersteunen. Na een robuuste groeibijdrage in 2026 wordt voor 2027 een tijdelijke neergang voorzien door vooral het aflopen van de Next Generation EU (NGEU)-financiering in Italië en veronderstelde verdere budgettaire besparingen in Frankrijk (zie ook Kader 3).
- De investeringsgroei wordt naar verwachting ondersteund door uitgaven aan AI, defensie en infrastructuur, alsmede door een geleidelijk herstel van de investeringen in woningen. Na een zwak tweede kwartaal van 2026 zullen de bedrijfsinvesteringen (exclusief volatiele Ierse investeringen in intellectuele-eigendomsproducten) naar verwachting aantrekken, ondanks enige aanhoudende onzekerheid over de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten op de energieprijzen en knelpunten in toeleveringsketens, en een geleidelijke verkrapping van de financieringsvoorwaarden. Het herstel wordt ondersteund door een aantrekkende vraag en toenemende digitalisering in verband met de snelle wereldwijde opmars van AI. Overloopeffecten van hogere uitgaven voor defensie en infrastructuur en geleidelijk hogere winsten naar de particuliere sector komen de bedrijfsinvesteringen naar verwachting ook ten goede. Dit zou het drukkende effect vanuit de groei van de overheidsinvesteringen, die in 2027-2028 naar verwachting zullen vertragen door het aflopen van het NGEU-programma, moeten compenseren. De groei van de investeringen in woningen was in de eerste helft van 2026 aanzienlijk minder dan voorzien in eerdere projecties, onder andere door de ongunstige weersomstandigheden en krappere financieringsvoorwaarden. Toch is de verwachting nog altijd dat de woninginvesteringen geleidelijk zullen herstellen, ondersteund door de aanhoudende vraag naar woningen tegen de achtergrond van stijgende reële lonen. Ook de aanhoudende kracht van afwerkings- en installatiewerkzaamheden draagt naar verwachting bij aan een gunstige ontwikkeling, met name door renovaties, waaronder werkzaamheden ter verbetering van de energie-efficiëntie.[6]
- De uitvoer blijft naar verwachting gematigd door uitdagingen rond het concurrentievermogen van het eurogebied, die worden verergerd door factoren als de Amerikaanse invoerheffingen en de algemene appreciatie van de euro sinds eind 2024. Op korte termijn is het conflict in het Midden-Oosten weliswaar nog steeds een remmende factor voor de uitvoer, maar de gevolgen zijn minder ernstig gebleken dan verwacht, wat zou moeten neerkomen op opwaartse bijstellingen ten opzichte van de projecties van juni. Wel is de verwachting dat de concurrentiepositie van de uitvoer zwak zal blijven. De eerdere appreciatie van de euro en hogere Amerikaanse invoerheffingen blijven de uitvoer beperken. De uitvoer wordt in zekere mate gestimuleerd door de aantrekkende mondiale vraag. Deze positieve ontwikkeling is echter grotendeels te danken aan de AI-hausse, en gezien de kleinere omvang van de sector voor AI-producten zal het eurogebied hier naar verwachting minder van profiteren dan sommige andere economieën.[7] Hierdoor zal het aandeel van het eurogebied in de mondiale uitvoermarkten naar verwachting op middellange termijn nog iets verder afnemen. De verwachting is dat de invoer in 2026 sneller groeit dan de uitvoer, om daarna op middellange termijn rond hetzelfde niveau uit te komen. Op middellange termijn leiden investeringen in AI en defensie tot vraag naar invoerproducten. Het uitvoersaldo heeft naar verwachting een licht negatief effect op de groei van het reële bbp in 2026 en levert in 2027 en 2028 een kleine positieve bijdrage.
De binnenlandse vraag wordt naar verwachting ondersteund door uitgaven voor defensie en infrastructuur. Het effect op de bbp-groei van de begrotingsuitgaven voor defensie en infrastructuur, die grotendeels voor rekening van Duitsland komen en waarvan in 2026 de grootste impuls uitgaat, wordt geraamd op 0,5 procentpunt in de periode 2025-2028.[8] De energiesteun die overheden sinds het begin van de oorlog in het Midden-Oosten verlenen is vooral tijdelijk en heeft slechts een marginaal effect op de groei.
Grafiek 2
Reële bbp-groei van het eurogebied – uitgesplitst naar belangrijkste uitgavencomponenten
(mutaties in procenten per jaar; bijdragen in procentpunten)

Toelichting: De gegevens zijn gecorrigeerd voor seizoensinvloeden en het aantal werkdagen. Historische cijfers kunnen afwijken van die in de meest recente Eurostat-publicaties wanneer er na de afsluitingsdatum van de projecties nog gegevens gepubliceerd zijn. De verticale lijn geeft het begin van de projectieperiode aan.
Ten opzichte van de projecties van juni 2026 is de groei van het reële bbp voor 2026 en 2027 naar boven bijgesteld met respectievelijk 0,1 en 0,2 procentpunt, en voor 2028 niet herzien (Grafiek 3 en Tabel 2). Een aanzienlijke neerwaartse bijstelling van de bbp-groei in het eerste kwartaal van 2026 in verband met herziene Ierse cijfers werd ruimschoots gecompenseerd door de verrassende opwaartse ontwikkeling van de bbp-groei in het tweede kwartaal en de sterkere vooruitzichten voor de tweede helft van het jaar, wat resulteerde in een geringe opwaartse bijstelling van de groeiprojectie voor 2026. De gunstigere vooruitzichten voor de korte termijn houden voornamelijk verband met verbeterde vooruitzichten voor de investeringen op korte termijn in overeenstemming met recente indicatoren, een sterker profiel van de particuliere consumptie door een licht afgenomen onzekerheid, en een positiever internationaal klimaat. De opwaartse bijstellingen voor de tweede helft van 2026 suggereren aanzienlijke overloopeffecten in 2027, terwijl de herzieningen in verband met de groei binnen het jaar zowel voor 2027 als 2028 nagenoeg nul zijn. Het reële bbp, op basis van de aangepaste binnenlandse vraag voor Ierland, is voor 2026 met 0,3 procentpunt en voor 2027 met 0,1 procentpunt naar boven bijgesteld, en voor 2028 met 0,1 procentpunt naar beneden bijgesteld. Ten opzichte van de projecties van december 2025 (het basisscenario vóór het uitbreken van de oorlog in het Midden-Oosten) is de groei voor 2026 met 0,3 procentpunt naar beneden bijgesteld, voor 2027 ongewijzigd gebleven en voor 2028 met 0,1 procentpunt naar boven bijgesteld, waardoor het bbp tegen het einde van de projectieperiode iets lager uitkomt (Grafiek 1, paneel b, en Grafiek 3, paneel a).
Grafiek 3
Bijstellingen van de projecties voor de reële bbp-groei ten opzichte van de projecties van juni 2026
a) Uitsplitsing naar effecten binnen het jaar en overloopeffecten | b) Uitsplitsing naar belangrijkste uitgavencomponenten |
|---|---|
(in procentpunten) | (in procentpunten) |
![]() | ![]() |
Toelichting: De verticale lijn geeft het begin van de projectieperiode aan. Bijstellingen zijn gebaseerd op niet afgeronde cijfers. In paneel b) verwijst 'ABV’ naar de aangepaste binnenlandse vraag.
Tabel 2
Projecties voor het reële bbp, de handel en de arbeidsmarkt
(mutaties in procenten per jaar, tenzij anders aangegeven; bijstellingen in procentpunten)
September 2026 | Bijstellingen t.o.v. juni 2026 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2026 | 2027 | 2028 | |
Reëel bbp | 1,3 | 0,9 | 1,4 | 1,5 | 0,1 | 0,2 | 0,0 |
Reëel bbp bij aangepaste binnenlandse vraag voor Ierland1) | 1,1 | 1,2 | 1,2 | 1,4 | 0,3 | 0,1 | -0,1 |
Particuliere consumptie | 1,5 | 1,0 | 1,0 | 1,3 | 0,2 | 0,0 | -0,1 |
Overheidsconsumptie | 1,5 | 1,9 | 1,1 | 1,3 | 0,3 | 0,1 | 0,0 |
Investeringen | 2,9 | 1,8 | 2,0 | 2,0 | 0,0 | 0,3 | -0,1 |
Uitvoer2) | 2,0 | 2,1 | 3,2 | 2,9 | 1,0 | 0,6 | 0,0 |
Invoer2) | 3,6 | 2,6 | 3,0 | 2,9 | 1,0 | 0,6 | -0,1 |
Bijdrage aan het bbp van: |
|
|
|
|
|
|
|
Binnenlandse vraag | 1,7 | 1,3 | 1,2 | 1,4 | 0,2 | 0,1 | -0,1 |
Uitvoersaldo | -0,6 | -0,1 | 0,2 | 0,1 | 0,1 | 0,0 | 0,0 |
Voorraadmutaties | 0,2 | -0,2 | 0,0 | 0,0 | -0,1 | 0,0 | 0,0 |
Reëel besteedbaar inkomen | 0,9 | 0,6 | 1,1 | 1,0 | 0,3 | 0,1 | -0,1 |
Spaarquote huishoudens (% van besteedbaar inkomen) | 14,6 | 14,1 | 14,1 | 13,9 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
Beroepsbevolking3) | 0,7 | 0,5 | 0,5 | 0,5 | 0,1 | 0,0 | -0,1 |
Werkloosheidspercentage | 6,3 | 6,2 | 6,1 | 5,9 | -0,1 | -0,1 | -0,1 |
Lopende rekening (% bbp) | 1,6 | 1,5 | 1,5 | 1,7 | 0,2 | 0,0 | 0,2 |
Toelichting: Voor het reële bbp en de componenten daarvan is uitgegaan van voor werkdagen en seizoensinvloeden gecorrigeerde gegevens. Historische cijfers kunnen afwijken van die in de meest recente Eurostat-publicaties wanneer er na de afsluitingsdatum van de projecties nog gegevens gepubliceerd zijn. Bijstellingen worden berekend op grond van afgeronde gegevens.
1) De aangepaste binnenlandse vraag wordt beschreven in voetnoot 4.
2) Inclusief de handel binnen het eurogebied.
3) Aantal werkenden.
De arbeidsmarkt blijft naar verwachting grotendeels veerkrachtig, in overeenstemming met de verbeterde vooruitzichten voor de economische bedrijvigheid. De huidige projecties gaan uit van een sterker uitgangspunt voor de arbeidsmarkt in verband met een hogere economische bedrijvigheid sinds het begin van het jaar dan eerder werd verondersteld (gecorrigeerd voor volatiele Ierse cijfers), wat getuigt van de veerkracht van de economie van het eurogebied ten aanzien van het conflict in het Midden-Oosten. Ten opzichte van de projecties van juni is de werkgelegenheidsgroei in 2026 naar verwachting hoger, in 2027 ongewijzigd en in 2028 licht neerwaarts bijgesteld, met een stabiel groeitempo op jaarbasis van ongeveer 0,5% (Grafiek 4, paneel a). Het herstel van de arbeidsproductiviteit lijkt door te zetten en gedurende de projectieperiode geleidelijk toe te nemen. Aangezien de werkgelegenheid doorgaans minder conjunctuurgevoelig is dan de economische bedrijvigheid, is de groei van de arbeidsproductiviteit voor de tweede helft van 2026 en 2027 opwaarts bijgesteld (de economische groei bleek in de eerste helft van het jaar sterker dan de werkgelegenheid), en voor 2028 licht neerwaarts bijgesteld. Het werkloosheidscijfer daalt gedurende de projectieperiode naar verwachting tot een niveau van 5,9% in 2028, een licht neerwaartse bijstelling ten opzichte van de projecties van juni (Grafiek 4, paneel b). Deze herziening komt voort uit de positievere groei van de productie en de werkgelegenheid in 2026. Bovendien blijven structurele (demografische) ontwikkelingen bijdragen aan een lagere werkloosheid (doch in overeenstemming met de aannames die reeds in de projecties van juni zijn vervat).
Grafiek 4
Arbeidsmarkten
a) Werkgelegenheid | b) Werkloosheid |
|---|---|
(mutaties in procenten per jaar) | (in procenten van de beroepsbevolking) |
![]() | ![]() |
Toelichting: De verticale lijn geeft het begin van de huidige projectieperiode aan.
Kader 1
Het internationale klimaat
De wereldeconomie blijft over het algemeen veerkrachtig, ondersteund door aanhoudende investeringen in AI en afnemende voorraadtekorten ten opzichte van de projecties van juni 2026 – hoewel het conflict in het Midden-Oosten nog altijd niet is opgelost.[9] De mondiale groei bleef in het tweede kwartaal van 2026 veerkrachtig doordat de zwakte in de Verenigde Staten en China werd gecompenseerd door de kracht van economieën die AI-hardware uitvoeren (zoals Taiwan en Zuid-Korea). De mondiale invoer ontwikkelde zich verrassend beter dan verwacht, met een groeicijfer voor het tweede kwartaal dat aanzienlijk boven de projectie van juni ligt. Dit was toe te schrijven aan een sterke handel op AI-markten en een tijdelijk effect van naar voren gehaalde invoer van tariefgevoelige en energie-intensieve goederen. Nieuwe indicatoren wijzen op aanhoudende veerkracht van de bbp-groei en een sterke wereldhandel in het derde kwartaal, ondersteund door aanhoudende investeringen in AI-infrastructuur en afnemende voorraadtekorten. De mondiale inflatie op jaarbasis steeg in het tweede kwartaal naar 3,4%, in lijn met de projectie van juni, doordat de consumptieprijzen door hogere energiekosten in de hele wereldeconomie stegen.
De mondiale groei zal zich naar verwachting geleidelijk herstellen, maar blijft onder het gemiddelde van de periode vóór de coronapandemie, ondanks bescheiden opwaartse bijstellingen (Tabel A). De mondiale reële bbp-groei komt volgens de projecties uit op 3,1% in 2026, 3,3% in 2027 en 3,4% in 2028. Dit percentage is voor elk jaar van de projectieperiode met 0,1 procentpunt naar boven bijgesteld, waarbij afnemende voorraadtekorten naar verwachting de vooruitzichten over de hele linie zullen verbeteren. Daarnaast dragen sterkere aan AI gerelateerde infrastructuurinvesteringen naar verwachting positief bij aan economieën die zijn geïntegreerd in de technologische toeleveringsketen. De onverwacht veerkrachtige particuliere consumptie in de Verenigde Staten van de afgelopen kwartalen heeft ook geleid tot opwaartse bijstellingen van de Amerikaanse economische bedrijvigheid gedurende de projectieperiode. In China heeft de zwakke groei in het tweede kwartaal geleid tot een neerwaartse bijstelling voor 2026, terwijl hogere verwachte investeringen in AI-infrastructuur hebben geresulteerd in een opwaartse bijstelling voor 2027.
Na een tijdelijke stijging van de inflatie in 2026 zal er weer een situatie van mondiale desinflatie ontstaan, waarbij de vooruitzichten ten opzichte van de projecties van juni 2026 door compenserende prijsdruk ongewijzigd blijven.[10] De mondiale inflatie komt volgens de projecties uit op 3,5% in 2026, 3,0% in 2027 en 2,5% in 2028. De lagere olieprijzen gedurende de projectieperiode worden gecompenseerd door hogere gasprijzen, verhoogde raffinagemarges – die de doorwerking van lagere prijzen voor ruwe olie in geraffineerde olieproducten beperken – en een sterkere prijsdruk voor aan AI gerelateerde goederen, waarvan de invoerprijzen aanzienlijk zijn gestegen. Achter de onveranderde mondiale inflatieprojectie gaan opwaartse bijstellingen voor de Verenigde Staten en enkele technologieproducerende economieën en neerwaartse bijstellingen voor China en Midden- en Oost-Europese landen schuil.
De projecties voor de buitenlandse vraag naar goederen en diensten uit het eurogebied en de uitvoerprijzen van concurrenten van het eurogebied zijn sterker dan in juni, maar de stijgingen zijn geconcentreerd in aan AI gerelateerde handelsstromen, waarin uitvoerders uit het eurogebied relatief weinig actief zijn. De buitenlandse vraag naar goederen en diensten uit het eurogebied groeit naar verwachting met 3,6% in 2026, 4,0% in 2027 en 3,4% in 2028, oftewel een opwaartse bijstelling met 0,4 procentpunt voor 2026 en 0,6 procentpunt voor 2027, en een onveranderd niveau voor 2028 ten opzichte van de projecties van juni 2026. De herzieningen zijn toe te schrijven aan positieve verrassingen in het tweede kwartaal van 2026 en het daarmee samenhangende overloopeffect, alsook aan sterkere investeringen in AI-infrastructuur met een hoge handelsintensiteit. Deze factoren wogen meer dan op tegen het tijdelijke effect van de in het tweede kwartaal van 2026 naar voren gehaalde handelsactiviteit. De inflatie van uitvoerprijzen van concurrenten van het eurogebied in nationale valuta’s zal naar verwachting stijgen tot 7,0% in 2026, alvorens te vertragen naar 3,0% in 2027 en 1,7% in 2028. De opwaartse herzieningen ten opzichte van de projecties van juni 2026 – met 2,8 procentpunt voor 2026 en 0,5 procentpunt voor 2027 – komen voort uit grote onverwachte stijgingen van de uitvoerprijzen van Zuid-Korea, Japan, de Verenigde Staten en China, doordat de prijzen van geheugenchips en aanverwante technologie fors zijn gestegen. De sterke vertraging na 2026 is het gevolg van een verwachte matiging van de prijsstijgingen voor AI-producten, in combinatie met het desinflatoire effect van lagere olieprijzen. Aangezien opwaartse bijstellingen van de buitenlandse vraag naar goederen en diensten uit het eurogebied en de uitvoerprijzen van concurrenten zich concentreren rond AI-producten – waarin het eurogebied een klein marktaandeel heeft – vertaalt dit zich niet volledig in een sterkere uitvoer van het eurogebied (zie Paragraaf 2.1 voor meer informatie).
Tabel A
Het internationale klimaat
(mutaties in procenten per jaar; bijstellingen in procentpunten)
| September 2026 | Bijstellingen t.o.v. juni 2026 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | |
Mondiaal reëel bbp (exclusief het eurogebied) | 3,7 | 3,1 | 3,3 | 3,4 | 0,1 | 0,1 | 0,1 | 0,1 |
Wereldhandel (exclusief het eurogebied)1) | 5,4 | 4,7 | 4,5 | 3,5 | -0,1 | 0,5 | 0,9 | 0,0 |
Buitenlandse vraag naar goederen en diensten uit het eurogebied2) | 4,6 | 3,6 | 4,0 | 3,4 | 0,0 | 0,4 | 0,6 | 0,0 |
Mondiale consumptieprijsindex (exclusief eurogebied) | 3,1 | 3,5 | 3,0 | 2,5 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
Uitvoerprijzen van concurrenten, in de nationale valuta3) | 1,3 | 7,0 | 3,0 | 1,7 | 0,1 | 2,8 | 0,5 | 0,0 |
Toelichting: Bijstellingen worden berekend op grond van afgeronde cijfers.
1) Berekend als gewogen gemiddelde van de invoer.
2) Berekend als gewogen gemiddelde van de invoer van de handelspartners van het eurogebied.
3) Berekend als gewogen gemiddelde van de uitvoerdeflatoren van de handelspartners van het eurogebied.
Kader 2
Technische aannames
Vergeleken met de projecties van juni 2026 gaan de technische aannames uit van lagere olie- en agrarische producentenprijzen, hogere gas- en elektriciteitsprijzen, een zwakkere euro, een min of meer ongewijzigde rente en hogere aandelenkoersen. De olieprijs is gedaald en bedraagt in het derde kwartaal van 2026 naar verwachting gemiddeld USD 88 per vat, bijna 15% lager dan voor dat kwartaal in de projecties van juni werd voorzien, maar ruim 40% hoger dan in de projecties van december 2025 door het aanhoudende conflict in het Midden-Oosten. De gasprijzen zijn daarentegen met 20% naar boven bijgesteld ten opzichte van de projecties van juni en verdubbeld ten opzichte van de projecties van december 2025 voor het derde kwartaal van 2026. Dit heeft vooral te maken met de lage gasvoorraden in Europa. De elektriciteitsprijzen zijn voor het derde kwartaal van 2026 met 50% naar boven bijgesteld ten opzichte van de projecties van juni, mogelijk deels als gevolg van een hogere vraag door weersomstandigheden en een lager aanbod. De bijstellingen voor de rest van de projectieperiode zijn echter grotendeels in overeenstemming met de herziene gasprijzen. De agrarische producentenprijzen in het eurogebied waren in juli 2026 ongeveer 9% lager dan verwacht, ondanks recente extreme weersomstandigheden, wat heeft geresulteerd in neerwaartse bijstellingen van het veronderstelde verloop in 2026 en 2027. De aannames voor de internationale voedselprijzen zijn echter gematigd naar boven bijgesteld, deels als gevolg van zorgen over de intensiteit van het El Niño-effect dit jaar en bijna volledig als gevolg van forse prijsstijgingen voor koffie en cacao. De euro is sinds de vorige projecties met 1,0% in waarde gedaald ten opzichte van de Amerikaanse dollar en in nominaal-effectieve termen met 0,3%. De marktverwachtingen voor de korte rente zijn naar boven bijgesteld: met 0,2 procentpunt voor 2027 ten opzichte van de projecties van juni en met 0,3 procentpunt voor 2028, terwijl de lange rente voor de periode 2027-2028 met circa 0,1-0,2 procentpunt naar boven is bijgesteld.
Tabel A
Technische aannames
September 2026 | Bijstellingen t.o.v. juni 2026 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2026 | 2027 | 2028 | |
Grondstoffen: |
|
|
|
|
|
|
|
Olieprijs (USD/vat) | 69,1 | 89,5 | 78,0 | 73,6 | -7,6 | -5,1 | -4,6 |
Aardgasprijzen (EUR/MWh) | 36,2 | 51,0 | 43,3 | 30,3 | 11,7 | 15,5 | 8,8 |
Groothandelsprijzen elektriciteit (EUR/MWh) | 83,6 | 108,7 | 90,2 | 73,1 | 21,7 | 15,3 | 7,4 |
Emissierechten volgens het EU-emissiehandelssysteem 1 (ETS1) | 73,9 | 78,4 | 83,3 | 86,4 | 5,0 | 9,1 | 9,1 |
Emissierechten volgens het EU-emissiehandelssysteem 2 (ETS2) | - | - | - | 46,0 | - | - | 0,0 |
Grondstoffenprijzen m.u.v. energie, in USD (mutaties in % per jaar) | 5,8 | 3,5 | 3,0 | -0,1 | 0,5 | 2,2 | 1,8 |
Agrarische producentenprijzen in het eurogebied (mutaties in % per jaar) | 4,1 | -6,6 | -1,3 | -0,1 | -6,2 | -4,2 | 0,1 |
Wisselkoersen: |
|
|
|
|
|
|
|
USD/EUR-wisselkoers | 1,13 | 1,16 | 1,16 | 1,16 | -0,8 | -1,0 | -1,0 |
Nominaal-effectieve wisselkoers van de euro (EER40) (1999-I = 100) | 128,3 | 129,6 | 129,4 | 129,4 | -0,3 | -0,3 | -0,3 |
Financiële aannames: |
|
|
|
|
|
|
|
Driemaands EURIBOR (in % per jaar) | 2,2 | 2,4 | 3,0 | 3,0 | 0,0 | 0,2 | 0,3 |
Rendement op tienjaars overheidsobligaties (in % per jaar) | 3,1 | 3,5 | 3,8 | 4,0 | 0,0 | 0,2 | 0,1 |
Toelichting: Bijstellingen worden uitgedrukt in procenten, behalve bij groeipercentages en procenten per jaar; dan worden procentpunten gehanteerd. Bijstellingen van groeicijfers en rentevoeten worden berekend aan de hand van cijfers die zijn afgerond tot op één decimaal, terwijl bijstellingen die worden gerapporteerd als een procentuele verandering worden berekend op basis van niet-afgeronde cijfers. De technische aannames met betrekking tot de rente en de grondstoffenprijzen in het eurogebied zijn gebaseerd op de marktverwachtingen, met als afsluitingsdatum 19 augustus 2026. Voor olie worden de prijzen op de spot- en termijnmarkten van ruwe Brent-olie aangehouden. Voor gas worden de prijzen op de Dutch TTF-spot- en futuresmarkt voor gas gehanteerd. De elektriciteitsprijzen hebben betrekking op de gemiddelde groothandelsprijs voor spot- en futurescontracten voor de vijf grootste eurolanden. Het gebruik van de aannames voor de elektriciteitsprijzen in de projecties van medewerkers verschilt per land van het eurogebied vanwege verschillen in de manier waarop de consumptieprijzen van elektriciteit tot stand komen. Voor de ‘synthetische’ prijs van futurescontracten voor ETS1-emissierechten wordt de lineair geïnterpoleerde waarde aan het einde van de maand van de twee dichtstbij liggende futures op de European Energy Exchange (ETS-futures) gehanteerd. Van de maandprijzen van de futurescontracten wordt vervolgens het gemiddelde genomen om te komen tot de prijs op jaarbasis. Omdat de omvang van de handel in ETS2-emissierechten nog ontoereikend is, zijn de prijsaannames door de samenstellers van deze projecties vastgesteld overeenkomstig de aanname die de Europese Commissie hanteert in haar economische najaarsprognose 2025 (zie het Kader Macro-economische effecten van het klimaatbeleid in het eurogebied in de projecties van het Eurosysteem van december 2025). Het beloop van de grondstoffenprijzen wordt afgeleid uit de prijzen op de futuresmarkten in de tien werkdagen tot en met de afsluitdatum, behalve voor de agrarische producentenprijzen in het eurogebied, die wordt voorspeld aan de hand van een econometrisch model dat rekening houdt met ontwikkelingen in de internationale prijzen van voedingsgrondstoffen. Verder wordt aangenomen dat de bilaterale wisselkoersen gedurende de projectieperiode onveranderd blijven op het gemiddelde niveau van de tien werkdagen tot en met de afsluitingsdatum. De aannames voor de nominale rendementen op tienjaars overheidsobligaties in het eurogebied zijn gebaseerd op het gemiddelde rendement op tienjaars obligaties van de landen, gewogen aan de hand van de jaarlijkse bbp-cijfers. Wanneer de benodigde gegevens voorhanden zijn worden de landspecifieke nominale rendementen op tienjaars overheidsobligaties berekend als het rendement op referentieobligaties met een looptijd van tien jaar, verlengd met de termijnpariteitsrendementen (forward par yields) die op de afsluitingsdatum worden afgeleid van de landspecifieke rendementscurves. Voor de overige landen worden de landspecifieke rendementen op tienjaars overheidsobligaties berekend als de rendementen op tienjaars referentieobligaties die worden verlengd door een constante spread (per de afsluitingsdatum) aan te houden ten opzichte van de technische aanname voor de risicovrije lange rente in het eurogebied.
Kader 3
Begrotingsvooruitzichten
Na een neutrale ontwikkeling in 2025 zal de begrotingskoers van het eurogebied naar verwachting in 2026 met 0,5 procentpunt van het bbp versoepelen, om vervolgens in 2027-2028 cumulatief weer met circa 0,5 procentpunt te verkrappen (Tabel A).[11] De versoepeling in 2026 wordt aan de uitgavenzijde (overheidsinvesteringen, overheidsconsumptie en begrotingsoverdrachten, aanhoudende trends vanaf 2025) breed gedragen. De stijging van de investeringen is voornamelijk het gevolg van hoge uitgaven voor defensie en infrastructuur in Duitsland en enkele kleinere landen, en van projecten vanuit het Next Generation EU-programma (NGEU). De stijging van de begrotingsoverdrachten is toe te schrijven aan hoge groeipercentages voor de pensioenuitgaven en andere sociale uitkeringen, alsmede aan kapitaaloverdrachten aan bedrijven gefinancierd vanuit NGEU. Daarnaast omvat het basisscenario 0,1% van het bbp aan tijdelijke steunmaatregelen voor energie (voornamelijk lagere indirecte belastingen en hogere subsidies) sinds het begin van het conflict in het Midden-Oosten. In 2027 wordt de verkrapping van de begrotingskoers, behalve door het terugdraaien van de energiesteun, breed gedragen in alle landen, waaronder Spanje, Frankrijk en Italië (onder andere na het grotendeels aflopen van NGEU-financiering). Dit wordt slechts gedeeltelijk opgevangen door aanhoudende stimuleringsmaatregelen in Duitsland. De resterende verkrapping voor 2027 en 2028 heeft betrekking op niet-discretionaire factoren.[12]
Vergeleken met de projecties van juni blijft de begrotingskoers gedurende de projectieperiode naar verwachting grotendeels onveranderd, na in 2025 ruimer te zijn geweest. Herziene historische gegevens voor Duitsland en Frankrijk wijzen op een iets soepelere begrotingskoers in 2025. In 2026 wordt een lichte versoepeling door verlenging van energiesteunmaatregelen en andere uitgaven slechts gedeeltelijk gecompenseerd door verhogingen van de sociale-verzekeringspremies en directe belastingen. Een aantal van deze versoepelende effecten (minder dan 0,1 procentpunt van het bbp) slaan daarna om, met name in 2027.
Het begrotingstekort van het eurogebied zal naar verwachting in 2027 een piek van 3,7% van het bbp bereiken en daarna slechts licht dalen, terwijl de schuldquote gedurende de projectieperiode naar verwachting blijft stijgen, tot net onder 90% in 2028. Het grootste deel van de duidelijke stijging van het tekort ten opzichte van het niveau van 2025 (opwaarts herzien tot 3,0% van het bbp) vindt plaats in 2026, in verband met het versoepelde begrotingsbeleid. De rentebetalingen zullen naar verwachting met 0,2 procentpunt van het bbp stijgen in 2026, en met nog eens 0,3 procentpunt in de twee jaar daarna. Deze ontwikkelingen worden grotendeels gecompenseerd door de positieve conjuncturele component en de verkrappende begrotingskoers in 2027 en 2028, wat leidt tot een lichte daling van het tekort in 2028. De geraamde schuldquote van het eurogebied vertoont een stijgende lijn doordat de aanhoudende primaire tekorten en positieve tekort-schuldcorrecties de gunstige effecten van rente/groei-ecarts compenseren. Vergeleken met de projecties van juni zijn de vooruitzichten voor het begrotingstekort van het eurogebied al met al onveranderd. Het basiseffect van een hoger tekort in 2025 (door Duitsland) en de lichte versoepeling in 2026 worden gecompenseerd door gunstigere conjuncturele ontwikkelingen. De neerwaartse bijstelling van het beloop van de schuldquote is toe te schrijven aan een herziening voor 2025 en gunstigere rente/groei-ecarts door een hogere nominale bbp-groei.
Tabel A
Begrotingsvooruitzichten voor het eurogebied
(in procenten bbp; bijstellingen in procentpunten)
| September 2026 | Bijstellingen t.o.v. juni 2026 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | |
Begrotingskoers1) | 0,8 | 0,0 | -0,5 | 0,4 | 0,2 | -0,1 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
Algeheel begrotingssaldo overheid | -3,1 | -3,0 | -3,6 | -3,7 | -3,6 | -0,1 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
Structureel begrotingssaldo2) | -3,1 | -3,2 | -3,7 | -3,9 | -3,9 | -0,1 | -0,2 | -0,2 | -0,2 |
Bruto-overheidsschuld | 86,2 | 87,1 | 88,2 | 88,8 | 89,4 | -0,3 | -0,4 | -0,5 | -0,6 |
Toelichting: Bijstellingen zijn gebaseerd op niet afgeronde cijfers.
1) De begrotingskoers wordt gemeten als de mutatie in het voor de conjunctuur gecorrigeerde primaire saldo. De cijfers zijn tevens gecorrigeerd voor betaalde en verwachte subsidies in het kader van het NGEU-programma, die aan de ontvangstenzijde geen impact hebben op de economie. Een negatief (positief) cijfer impliceert een versoepeling (verkrapping) van de begrotingskoers.
2) Het structureel begrotingssaldo wordt berekend als het overheidssaldo onder aftrek van voorbijgaande conjunctuureffecten (of het voor de conjunctuur gecorrigeerde primaire saldo, waarnaar hierboven wordt verwezen, plus rentebetalingen) en na aftrek van maatregelen die volgens de definitie van het Europees Stelsel van centrale banken als tijdelijk worden beschouwd.
2.2 Prijzen en kosten
Na de recente volatiliteit als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten kwam de totale HICP-inflatie in juli uit op 2,9%.[13] De lichte stijging ten opzichte van 2,8% in juni (na 3,2% in mei) was te wijten aan hogere cijfers in de energiecomponent, voornamelijk voor transportbrandstoffen, in overeenstemming met duurdere geraffineerde olieproducten, en het einde van sommige steunmaatregelen van de overheid, alsook aan hogere inflatiepercentages voor de dienstencomponent en voor de component industriële goederen ongerekend energie (non-energy industrial goods – NEIG).[14] De HICPX-inflatie ging licht omhoog, tot 2,5% in juli. Tegelijkertijd nam de voedselinflatie verder af tegen de achtergrond van de geringe druk in het productieproces, onder meer door eerdere dalingen van de voedingsgrondstoffen- en producentenprijzen. Al met al zijn de effecten van de oorlog in het Midden-Oosten op de consumptieprijzen anders dan die voor energie tot dusver beperkt gebleven, zoals ook blijkt uit het gematigde verloop van de maatstaven van de onderliggende inflatie en de prijsdruk in het productieproces in de latere stadia van de prijsketen, waarbij recente gegevens wijzen op kleiner dan verwachte indirecte effecten op de voedselprijzen.
De totale inflatie zal naar verwachting stijgen van 2,1% in 2025 tot 3,0% in 2026, voornamelijk als gevolg van hogere energieprijzen, en vervolgens dalen tot 2,1% in 2028 naarmate de energieschok wegebt (Grafiek 5 en Tabel 3). Gezien de op marktverwachtingen gebaseerde aannames voor de prijzen van energiegrondstoffen zal de totale inflatie naar verwachting stijgen tot 3,6% in het vierde kwartaal van 2026, onder invloed van een hogere energie-inflatie, maar ook als gevolg van hogere cijfers voor de NEIG- en voedingsmiddelencomponenten. De verwachting is dat er begin 2027 een daling komt, voornamelijk door grote neerwaartse basiseffecten bij de energieprijzen. Hoewel de totale inflatie in het tweede kwartaal van 2027 naar verwachting sterk zal afnemen tot 2,5%, zullen de indirecte effecten van hogere energieprijzen geleidelijk tot uiting komen in de inflatie exclusief energie, zij het in mindere mate dan tijdens de inflatieperiode 2021-2024. De HICP-inflatie exclusief energie zal in 2027 naar verwachting gemiddeld 2,6% bedragen, tegen 2,3% in 2026. De totale inflatie zal zich naar verwachting stabiliseren in de buurt van 2,0% op middellange termijn, aangezien verwacht wordt dat de bijdrage van de energie-inflatie dicht bij nul ligt en de indirecte en tweederonde-effecten van de energieschok eveneens beperkt zullen zijn. In Kader 4 worden scenario’s geschetst met alternatieve ontwikkelingen voor de energieprijzen en met sterkere indirecte en tweederonde-effecten dan in het basisscenario is aangenomen.
Grafiek 5
HICP-inflatie en componenten in het eurogebied
(mutaties in procenten per jaar; in procentpunten)

Toelichting: De horizontale lijn geeft de inflatiedoelstelling van 2% op middellange termijn weer. De verticale lijn geeft het begin van de huidige projectieperiode aan.
De energie-inflatie piekt eind 2026 op bijna 15% om in 2027 sterk te dalen als gevolg van negatieve basiseffecten en lagere prijzen van energiegrondstoffen, en in 2028 weer op te lopen door de invoering van ETS2 (Grafiek 6). De oorlog in het Midden-Oosten heeft geleid tot forse stijgingen van de prijzen van energiegrondstoffen (zie Kader 2) en de onzekerheid over het verloop ervan blijft aanzienlijk. Bovendien zijn de prijzen van geraffineerde transportbrandstoffen aanzienlijk sterker gestegen dan de prijzen van ruwe olie doordat het mondiale aanbod van geraffineerde brandstoffen is gedaald als gevolg van de sluiting van de Straat van Hormuz, tegen de achtergrond van een hogere seizoensgebonden vraag en verdere aanbodbeperkingen als gevolg van de Oekraïense aanvallen op de Russische raffinagecapaciteit. De daaruit voortvloeiende verhoogde EU-specifieke raffinagemarges voor diesel en, in mindere mate, benzine zullen verdere opwaartse druk uitoefenen op de energie-inflatie, vooral op korte termijn.[15] Hoewel hoge marges in het verleden doorgaans niet lang aanhielden doordat het evenwicht tussen vraag en aanbod werd hersteld en de raffinaderijen hun productmix aanpasten, kan de omvang van de huidige ontwrichting dergelijke aanpassingen moeilijker en trager maken dan in het verleden. Voor de groothandelsprijzen voor elektriciteit kan een deel van de recente stijging verband houden met de zomerse hittegolven die de afhankelijkheid van duurdere gasgestookte elektriciteitsopwekking vergroten. In 2026 bedraagt het effect van overheidsmaatregelen om de inflatieschok te compenseren naar verwachting slechts -1,0 procentpunt voor de energie-inflatie en iets minder dan -0,1 procentpunt voor de totale inflatie.[16] Na grote neerwaartse basiseffecten begin 2027 en de marktverwachtingen van dalende olie-, gas- en elektriciteitsprijzen (en geraffineerde brandstofprijzen) zal de energie-inflatie in de tweede helft van 2027 en de eerste helft van 2028 negatief worden. Voor 2028 wordt verwacht dat de invoering van ETS2 de energie-inflatie zal opdrijven, maar dat deze gemiddeld minder dan nul zal bedragen.[17] Als het effect van ETS2 buiten beschouwing wordt gelaten, zou de totale inflatie in 2028 uitkomen op 1,9%.
Grafiek 6
HICP-energie-inflatie in het eurogebied
(mutaties in procenten per jaar)

Toelichting: De verticale lijn geeft het begin van de huidige projectieperiode aan.
Verwacht wordt dat de voedselinflatie zich zal herstellen ten opzichte van de recente lage niveaus en op korte termijn zal stijgen, tegen de achtergrond van geleidelijk tot uiting komende indirecte effecten van eerdere stijgingen van de energieprijzen en de impact van ongunstige weersomstandigheden, en later in de projectieperiode zal terugvallen naar 2% (Grafiek 7). De voedselinflatie neemt de komende vier kwartalen naar verwachting toe, met een piek van 3,4% in het derde kwartaal van 2027. Dit is toe te schrijven aan de effecten van de energieschok, die ook zichtbaar zijn in de prijzen van voedingsgrondstoffen. De impact is tot dusver echter gematigder geweest dan eerder werd verwacht, zoals blijkt uit recente negatieve projectiefouten en de aanhoudend afnemende druk op de prijzen van ingevoerde voedingsmiddelen, de binnenlandse agrarische producentenprijzen en de producentenprijzen voor voedingsmiddelen. Bovendien zijn de prijzen voor meststoffen wereldwijd gedaald ten opzichte van de scherpe stijging die in het voorjaar werd opgetekend, en EU-steunmaatregelen hebben de schok in de kosten van energie- en meststoffen verzacht.[18] Tegelijkertijd duiden de hittegolven deze zomer en de aan de gang zijnde El Niño ook op een opwaarts verloop van de voedselinflatie. Niettemin zijn de vooruitzichten voor de voedselinflatie omgeven door grote onzekerheid en blijven ze afhankelijk van de energie- en weersontwikkelingen, waarbij deze laatste waarschijnlijk uiteenlopende effecten zullen hebben op de prijzen van voedingsmiddelen in de verschillende landen en in de loop van de tijd. Hoewel sommige aannames over de prijzen van voedingsgrondstoffen en de groothandelsprijzen voor elektriciteit deels rekening houden met recente extreme weersomstandigheden, bestaat er aanzienlijke onzekerheid over de weerseffecten op de voedselinflatie gedurende de projectieperiode. Een samenloop van eerdere en potentiële toekomstige weersomstandigheden – het zachte weer in het voorjaar van 2026, de warme en droge zomer en de onzekere gevolgen van El Niño voor het weer in Europa – kan compenserende effecten hebben. Naarmate de grondstoffenprijzen zich stabiliseren en de indirecte effecten van hogere energieprijzen wegebben, zal de voedselinflatie tegen het einde van de projectieperiode dalen.
Grafiek 7
HICP-voedselinflatie in het eurogebied
(mutaties in procenten per jaar)

Toelichting: De verticale lijn geeft het begin van de huidige projectieperiode aan.
De HICPX-inflatie zal in de nabije toekomst naar verwachting geleidelijk stijgen tot gemiddeld 2,5% in 2026 en 2,6% in 2027, alvorens te dalen tot 2,3% in 2028 (Grafiek 8). Op korte termijn stijgt de HICPX-inflatie geleidelijk tot een piek van 2,8% in het eerste kwartaal van 2027, als gevolg van een sterke toename van de NEIG-inflatie tot 1,9%, terwijl de diensteninflatie naar verwachting grotendeels stabiel blijft, op ongeveer 3,3%. Dit HICPX-verloop weerspiegelt de geleidelijke opbouw van de indirecte effecten van hogere energieprijzen, zowel in het binnenland als wereldwijd, naarmate de invoerprijzen en de inputkosten van de verwerkende industrie stijgen. Ook de hervorming van de gezondheidssector in Duitsland zal de HICPX-inflatie in het eurogebied in 2027 naar verwachting licht opdrijven.[19] Deze factoren worden deels getemperd door de afnemende arbeidskostendruk op korte termijn, de eerdere appreciatie van de euro (die groter was dan de meer recente depreciatie) en de neerwaartse druk van de prijzen van de invoer uit China, hoewel de aanhoudende herflatie in China deze druk enigszins zou moeten verminderen. Vervolgens zal de HICPX-inflatie in de loop van 2027 gaan dalen als gevolg van de afnemende prijsdruk in zowel de NEIG- als de dienstencomponenten. In 2028 zullen zowel de NEIG- als de diensteninflatie zich stabiliseren aangezien de indirecte effecten wegebben en de tweederonde-effecten via de lonen naar verwachting beperkt zullen zijn.[20] Een beoordeling van de tweederonde-effecten op de HICPX-inflatie als reactie op de energieprijsschok, gebaseerd op het ECB-BASE-model en het Bernanke-Blanchard-model voor het eurogebied, wijst op een klein opwaarts effect (van gemiddeld ongeveer 0,1-0,2 procentpunt) in 2027-2028, dat grotendeels onveranderd is ten opzichte van de projecties van juni 2026.[21] De HICPX-inflatie daalt naar verwachting tot 2,3% aan het einde van de projectieperiode, waarbij de diensteninflatie 2,9% bedraagt en de NEIG-inflatie 1,1%.
Grafiek 8
HICP-inflatie in het eurogebied
(mutaties in procenten per jaar)

Toelichting: De verticale lijn geeft het begin van de huidige projectieperiode aan. De volle lijnen hebben betrekking op de projecties van september 2026 en de stippellijnen verwijzen naar de projecties van juni 2026. De horizontale stippellijnen geven de gemiddelde percentages van het eerste kwartaal van 2001 tot en met het tweede kwartaal van 2026 weer.
Vergeleken met de projecties van juni 2026 zijn de vooruitzichten voor de totale HICP-inflatie met 0,2 procentpunt naar boven bijgesteld voor 2027 en met 0,1 procentpunt voor 2028 (Grafiek 9, paneel a). De neerwaartse bijstellingen van de voedselinflatie worden grotendeels gecompenseerd door opwaartse herzieningen van de energie-inflatie in 2026, terwijl de hogere energie-inflatie en, in mindere mate, de NEIG-inflatie de neerwaartse bijstellingen van de voedselinflatie in de loop van 2027 ruimschoots compenseren.[22] De lagere voedselinflatie op korte termijn is toe te schrijven aan recente negatieve projectiefouten, als gevolg van zwakker dan verwachte recente resultaten voor de prijzen van binnenlandse voedingsgrondstoffen en sommige internationale voedingsgrondstoffen, kleiner dan verwachte indirecte effecten van de energieprijsschok en gunstiger weersomstandigheden begin 2026. Daarnaast zijn de neerwaartse bijstellingen van de voedingsmiddelencomponent in mindere mate toe te schrijven aan lagere aannames voor de binnenlandse prijzen van voedingsgrondstoffen en iets kleinere (en meer vertraagde) indirecte effecten dan eerder werd verwacht. Opwaartse bijstellingen van de energie-inflatie, die deels worden gecompenseerd door recente negatieve verrassingen als gevolg van lagere olieprijzen en lagere aannames voor de olieprijs, stroken met hogere aannames voor de gas- en elektriciteitsprijzen en hogere raffinagemarges. Voor 2028 is een kleine opwaartse bijstelling van de HICP-inflatie te verklaren door de dienstencomponent, in overeenstemming met een kleine herziening naar boven van de groei van de loonsom per werknemer gedurende de projectieperiode (Tabel 3).
De herzieningen sinds de projecties van december 2025 geven een vollediger beeld van het effect van de oorlog in het Midden-Oosten en tonen het verwachte verloop van de energieschok (Grafiek 9, paneel b). De totale inflatie voor 2026 en 2027 is sedertdien aanzienlijk naar boven bijgesteld (met respectievelijk 1,1 procentpunt en 0,7 procentpunt), als gevolg van het onmiddellijke effect van de energieschok op de energie-inflatie en de vertraagde doorwerking ervan in niet-energiecomponenten. Voor 2028 is de totale inflatie slechts licht opwaarts herzien (met 0,1 procentpunt), aangezien de lagere energie-inflatie de opwaartse indirecte effecten en beperkte tweederonde-effecten op de niet-energiecomponent grotendeels zal compenseren (Grafiek 9, paneel b). De HICP-inflatie ongerekend energie is in totaal met 1,0 procentpunt naar boven bijgesteld, voornamelijk als gevolg van indirecte effecten en, in mindere mate, tweederonde-effecten van de energieschok.
Grafiek 9
Bijstellingen van de inflatieprojectie
a) Vergelijking met de projecties van juni 2026
(bijstellingen en bijdragen in procentpunten)

b) Vergelijking met de projecties van december 2025
(bijstellingen en bijdragen in procentpunten)

Toelichting: De bijstellingen worden berekend op basis van niet-afgeronde cijfers. De verticale lijn geeft het begin van de huidige projectieperiode aan.
Tabel 3
Prijzen- en kostenontwikkeling voor het eurogebied
(mutaties in procenten per jaar; bijstellingen in procentpunten)
| September 2026 | Bijstellingen t.o.v. juni 2026 | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2026 | 2027 | 2028 | |
HICP | 2,1 | 3,0 | 2,5 | 2,1 | 0,0 | 0,2 | 0,1 |
HICP exclusief ETS21) | 2,1 | 3,0 | 2,5 | 1,9 | 0,0 | 0,2 | 0,0 |
HICP exclusief energie | 2,5 | 2,3 | 2,6 | 2,3 | -0,2 | -0,1 | 0,1 |
HICP exclusief energie en voedingsmiddelen | 2,4 | 2,5 | 2,6 | 2,3 | 0,0 | 0,1 | 0,1 |
HICP exclusief energie, voedingsmiddelen en wijzigingen in de indirecte belastingen | 2,4 | 2,4 | 2,6 | 2,3 | 0,0 | 0,1 | 0,1 |
HICP industriële goederen m.u.v. energie | 0,6 | 1,0 | 1,7 | 1,1 | 0,1 | 0,2 | 0,0 |
HICP diensten | 3,4 | 3,3 | 3,0 | 2,9 | 0,0 | 0,0 | 0,1 |
HICP energie | -1,4 | 9,3 | 1,0 | -0,6 | 0,9 | 2,3 | -0,5 |
HICP voedingsmiddelen | 2,8 | 1,9 | 2,8 | 2,5 | -0,7 | -0,7 | 0,1 |
Bbp-deflator | 2,4 | 2,5 | 2,5 | 2,2 | 0,1 | 0,0 | 0,1 |
Particuliere-consumptiedeflator | 2,1 | 2,9 | 2,4 | 2,2 | -0,1 | 0,0 | 0,1 |
Invoerdeflator | 0,1 | 4,0 | 2,6 | 1,3 | 0,3 | 0,5 | 0,0 |
Loonsom per werknemer | 3,8 | 3,3 | 3,3 | 3,3 | 0,1 | 0,1 | 0,1 |
Reële loonsom per werknemer | 1,7 | 0,4 | 0,8 | 1,1 | 0,3 | 0,0 | 0,1 |
Productiviteit per werknemer | 0,6 | 0,4 | 0,9 | 0,9 | 0,0 | 0,1 | -0,1 |
Arbeidskosten per eenheid product | 3,2 | 2,8 | 2,4 | 2,3 | 0,0 | 0,0 | 0,1 |
Winst per eenheid product2) | 0,6 | 1,9 | 2,3 | 2,2 | 0,3 | 0,0 | -0,1 |
Toelichting: Bijstellingen worden berekend op grond van afgeronde gegevens. De cijfers voor de bbp- en de invoerdeflator, de arbeidskosten per eenheid product, de loonsom per werknemer en de productiviteit per werknemer zijn gecorrigeerd voor seizoensinvloeden en het aantal werkdagen. Historische cijfers kunnen afwijken van die in de meest recente Eurostat-publicaties wanneer er na de afsluitingsdatum van de projecties nog gegevens gepubliceerd zijn.
1) Zie voetnoot 17 voor het effect van ETS2 op de HICP-inflatie in 2028.
2) De winst per eenheid product wordt gedefinieerd als het bruto-exploitatieoverschot en het gemengd inkomen (gecorrigeerd voor het inkomen van zelfstandigen) per eenheid van het reële bbp.
De nominale loongroei zal naar verwachting in de loop van 2026 verder afnemen, tot gemiddeld 3,3% voor het hele jaar, en zich op middellange termijn op dit niveau stabiliseren. De groei van de loonsom per werknemer (compensation per employee – CPE) nam verder af tot 3,5% in het eerste kwartaal van 2026 – 0,2 procentpunt hoger dan in de projecties van juni 2026, maar 0,2 procentpunt lager dan in de projecties van december 2025. Verwacht wordt dat de CPE-groei de komende kwartalen zal blijven dalen, in overeenstemming met het wegebben van de grote energieschok van 2021-2024, alvorens begin 2027 weer aan te trekken.[23] De CPE-groei zal naar verwachting vertragen van 3,8% in 2025 tot 3,3% in 2026 en vervolgens in 2027 en 2028 op dit niveau blijven, dat boven het langetermijngemiddelde ligt. Dat heeft te maken met de verbeterende economische vooruitzichten en de veerkrachtige arbeidsmarkt, terwijl de verwachte daling van de inflatie de looneisen zou beperken (Grafiek 10, paneel a). Verwacht wordt dat de reële loongroei eind 2026 zal afnemen en zich vervolgens in de loop van 2027 zal herstellen om in 2028 geleidelijk te convergeren naar de productiviteitsgroei (Grafiek 10, paneel b).
Vergeleken met de projecties van juni 2026 is de CPE-groei voor de gehele projectieperiode licht opwaarts bijgesteld in verband met een lichte verbetering van de arbeidsmarkt. De herzieningen ten opzichte van de projecties van juni (een stijging met 0,1 procentpunt in elk jaar van de projectieperiode) zijn in overeenstemming met onverwacht betere cijfers in het eerste kwartaal van 2026, sterkere economische vooruitzichten en een lichte neerwaartse bijstelling van de werkloosheid, terwijl de beoordeling over de kracht van tweederonde-effecten grotendeels onveranderd blijft. Ten opzichte van de projecties van december 2025 is de CPE-groei sterker naar boven bijgesteld, met respectievelijk 0,1, 0,4 en 0,3 procentpunt voor 2026, 2027 en 2028 (Grafiek 10, paneel a). Niettemin zal de huidige energieschok naar verwachting een beperkter opwaarts effect hebben op de loonvooruitzichten dan in de periode 2021-2024, als gevolg van de minder uitbundige vraag en het gunstiger inflatieklimaat ten tijde van de schok, hoewel de onzekerheid in verband met het conflict in het Midden-Oosten groot blijft.
De groei van de arbeidskosten per eenheid product zal naar verwachting op korte termijn dalen en grotendeels stabiel blijven, met een gemiddelde van 2,4% in 2027-2028 (Grafiek 10, paneel b). De vertraging in de loop van 2026 is te verklaren door zowel dalende loongroei als stijgende productiviteitsgroei. De groei van de arbeidskosten per eenheid product blijft op middellange termijn grotendeels stabiel, in overeenstemming met het verloop van de productiviteit en de loongroei, maar is voor 2028 naar boven bijgesteld als gevolg van een iets hogere loongroei en een iets lagere productiviteitsgroei tegen de achtergrond van een robuuste arbeidsmarkt. De groei van de bbp-deflator zal op korte termijn naar verwachting gematigd toenemen als gevolg van een hogere groei van de winst per eenheid product, in overeenstemming met het economisch herstel en de relatief beperkte negatieve effecten van de energieschok, die naar verwachting gedeeltelijk zullen worden gecompenseerd door een lagere bijdrage van de arbeidskosten per eenheid product. Vervolgens wordt een daling verwacht tot gemiddeld 2,2% in 2028.
Grafiek 10
Loonontwikkelingen in het eurogebied
a) Loonsom per werknemer
(mutaties in procenten per jaar)

b) Reële loonsom per werknemer, productiviteit en arbeidskosten per eenheid product
(mutaties in procenten per jaar)

Toelichting: De verticale lijn geeft het begin van de huidige projectieperiode aan. In paneel b) zijn de cijfers gedefleerd met de deflator van de particuliere consumptie. De stippellijnen hebben betrekking op de projecties van maart 2026.
De groei van de invoerprijzen neemt in de tweede helft van 2026 naar verwachting toe en bereikt in het vierde kwartaal een piek van 6,7% op jaarbasis als gevolg van duurdere energie en AI-gerelateerde producten, alvorens zich te stabiliseren op 1,3% in 2028. Op jaarbasis zal het groeitempo van de invoerdeflator in 2026 naar verwachting 4,0% bedragen als gevolg van de hogere prijsdruk van energiegrondstoffen en hogere prijzen van AI-producten, hoewel deze getemperd worden door de eerdere appreciatie van de euro en goedkope invoer uit China. De groei van de invoerprijzen daalt dan naar verwachting tot 1,3% in 2028, als gevolg van een verwachte normalisering van de mondiale omstandigheden.
3 Scenario’s en gevoeligheidsanalyses
3.1 Alternatieve energieprijsontwikkelingen
Alternatieve ontwikkelingen van de prijzen van energiegrondstoffen wijzen op aanzienlijke opwaartse risico’s voor de inflatie, met name op korte termijn. De medewerkersprojecties zijn gebaseerd op de technische aannames zoals uiteengezet in Kader 2. In deze gevoeligheidsanalyse worden de risico’s geanalyseerd aan de hand van verschillende percentielen van de van opties afgeleide neutrale waarschijnlijkheden voor zowel de olie- als de gasprijzen.[24] Daarnaast wordt voor zowel de olie- als de gasprijzen een gevoeligheidsanalyse met constante prijzen uitgevoerd. (Grafiek 11). Deze analyse verschilt van de in Kader 4 gepresenteerde scenario’s over het conflict in het Midden-Oosten, in die zin dat hier alleen de prijzen van energiegrondstoffen worden meegenomen, terwijl in de scenario’s ook onzekerheid een rol speelt in de manier waarop de macro-economische effecten worden beoordeeld.[25] De resultaten zijn in Tabel 4 te vinden.
Grafiek 11
Alternatieve ontwikkelingen van de aannames voor energieprijzen
a) Aanname olieprijs
(USD/vat)

b) Aanname gasprijs
(EUR/MWh)

Bronnen: Morningstar en berekeningen van ECB-medewerkers.
Toelichting: De van opties afgeleide neutrale waarschijnlijkheden voor de olie- en gasprijzen zijn op 19 augustus 2026 afgeleid uit de marktnoteringen voor opties op ruwe olie van ICE Brent en gasfutures van Dutch TTF met vaste driemaandelijkse vervaldata.
Tabel 4
Alternatieve ontwikkelingen van de energieprijzen en het effect ervan op de reële bbp-groei en HICP-inflatie
(afwijkingen ten opzichte van het basisscenario, in procenten; afwijkingen van de groeicijfers in het basisscenario, in procentpunten)
Olieprijzen | Gasprijzen | Synthetische energieprijs-index | Reële bbp-groei | HICP-inflatie | ||
|---|---|---|---|---|---|---|
Alternatief 1: 5e percentiel | 2026 | -10,6 | -17,2 | -13,0 | 0,0 | -0,3 |
2027 | -35,7 | -39,3 | -37,0 | 0,3 | -1,2 | |
2028 | -40,3 | -44,4 | -41,5 | 0,6 | -0,8 | |
Alternatief 2: 25e percentiel | 2026 | -4,8 | -8,6 | -6,2 | 0,0 | -0,1 |
2027 | -14,8 | -19,1 | -16,4 | 0,1 | -0,5 | |
2028 | -15,5 | -21,8 | -17,4 | 0,2 | -0,3 | |
Alternatief 3: 75e percentiel | 2026 | 6,2 | 13,3 | 8,8 | 0,0 | 0,2 |
2027 | 17,7 | 27,9 | 21,4 | -0,2 | 0,7 | |
2028 | 17,7 | 30,6 | 21,5 | -0,3 | 0,4 | |
Alternatief 4: 95e percentiel | 2026 | 21,3 | 49,5 | 31,7 | 0,0 | 0,6 |
2027 | 58,6 | 106,4 | 76,0 | -0,5 | 2,2 | |
2028 | 59,0 | 107,5 | 73,5 | -1,0 | 1,2 | |
Alternatief 5: constante prijzen | 2026 | 1,7 | -6,1 | -2,4 | -0,1 | 0,0 |
2027 | 17,3 | 22,0 | 15,0 | -0,2 | 0,5 | |
2028 | 24,4 | 74,1 | 34,6 | -0,3 | 0,8 |
Toelichting: In deze gevoeligheidsanalyse wordt gebruikgemaakt van een synthetische energieprijsindex, waarbij de termijnprijzen van olie en gas worden gecombineerd. De verscheidene percentielen hebben betrekking op de van opties afgeleide neutrale waarschijnlijkheden voor de olie- en gasprijzen op 19 augustus 2026. De constante olie- en gasprijzen betreffen de respectieve waarde op dezelfde datum. De macro-economische effecten worden gerapporteerd als gemiddelde resultaten van een aantal macro-economische modellen van medewerkers van de ECB en het Eurosysteem. In sommige modellen leidt de sterke reactie van de inflatie op een stijging van de energieprijzen, onder de aanname van ongewijzigd monetair beleid, tot een aanzienlijke daling van de reële rente en een tijdelijk expansief vraageffect, waardoor de gemiddelde bbp-reactie op de korte termijn afneemt.
3.2 Alternatieven voor het beloop van de wisselkoers
Alternatieve ontwikkelingen van de wisselkoers wijzen op de mogelijkheid van een verdere appreciatie van de euro, vooral op de middellange termijn, en dus op enige neerwaartse risico’s voor de groei en de inflatie. De technische aannames voor de wisselkoersen in de basisprojecties worden gedurende de projectieperiode constant gehouden. Alternatieve neerwaartse en opwaartse ontwikkelingen worden afgeleid van het 25e en 75e percentiel van de van opties afgeleide neutrale waarschijnlijkheden voor de USD/EUR-wisselkoers op 19 augustus 2026, die wezen op een appreciatie van de euro (Grafiek 12). Mogelijk komt dit doordat de verwachtingen van marktdeelnemers ten aanzien van het monetair beleid in het eurogebied ten opzichte van de Verenigde Staten, alsook de verwachtingen omtrent een mogelijke oplossing van het conflict in het Midden-Oosten, de euro ondersteunen. De effecten van de alternatieve ontwikkelingen, waarin ook een termijnkoersverloop op de afsluitdatum is meegenomen, worden beoordeeld aan de hand van macro-economische modellen van medewerkers van de ECB en het Eurosysteem. Tabel 5 toont het gemiddelde effect op de productiegroei en de inflatie dat uit de modellen naar voren komt.
Grafiek 12
Alternatieve ontwikkelingen voor de USD/EUR-wisselkoers

Bronnen: Bloomberg en berekeningen van ECB-medewerkers.
Toelichting: Een stijging impliceert een appreciatie van de euro. Het 25e en het 75e percentiel hebben betrekking op de van opties afgeleide neutrale waarschijnlijkheden voor de USD/EUR-wisselkoers op 19 augustus 2026.
Tabel 5
Impact van alternatieven voor het beloop van de wisselkoers op het reëel bbp en de HICP-inflatie
(wisselkoersen; afwijkingen ten opzichte van het basisscenario, in procenten; afwijkingen van de groeicijfers in het basisscenario, in procentpunten)
USD/EUR-wisselkoers | USD/EUR-wisselkoers | Reële bbp-groei | HICP-inflatie | ||
|---|---|---|---|---|---|
Alternatief 1: 25e percentiel | 2026 | 1,16 | -0,1 | 0,0 | 0,0 |
2027 | 1,14 | -1,8 | 0,1 | 0,1 | |
2028 | 1,12 | -3,3 | 0,1 | 0,1 | |
Alternatief 2: 75e percentiel | 2026 | 1,17 | 1,0 | 0,0 | 0,0 |
2027 | 1,23 | 6,0 | -0,1 | -0,2 | |
2028 | 1,27 | 9,9 | -0,2 | -0,3 | |
Alternatief 3: termijnkoers | 2026 | 1,17 | 0,5 | 0,0 | 0,0 |
2027 | 1,18 | 2,2 | 0,0 | 0,0 | |
2028 | 1,20 | 3,4 | -0,1 | -0,1 |
Bronnen: Bloomberg en berekeningen van ECB-medewerkers.
Toelichting: Een stijging impliceert een appreciatie van de euro. Het 25e en het 75e percentiel hebben betrekking op de van opties afgeleide neutrale waarschijnlijkheden voor de USD/EUR-wisselkoers op 19 augustus 2026. De macro-economische effecten worden gerapporteerd als gemiddelden van een aantal macro-economische modellen van medewerkers van de ECB en het Eurosysteem.
Kader 4
Alternatieve scenario’s voor de economische gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten[26]
De door medewerkers samengestelde projecties blijven omgeven door grote onzekerheid in verband met het conflict in het Midden-Oosten, wat wordt geïllustreerd aan de hand van alternatieve scenario’s. De onderstaande scenario’s volgen dezelfde methodologische benaderingen als die welke zijn opgenomen in de projecties van juni 2026.[27] Daarbij wordt uitgegaan van alternatieve ontwikkelingen van de prijzen van energiegrondstoffen en uiteenlopende doorwerking van die prijsontwikkelingen naar de economie van het eurogebied ten opzichte van het basisscenario. Daarnaast bevatten de scenario’s effecten van onzekerheid, financiële versterkingseffecten en internationale uitstralingseffecten (Tabel A). De medewerkers kennen geen waarschijnlijkheden toe aan deze scenario’s. Ze zijn vooral bedoeld om de belangrijkste onzekerheden met betrekking tot de effecten van het conflict te illustreren. Bij grote schokken kunnen niet-lineariteiten en indirecte en tweederonde-effecten belangrijk zijn bij de doorwerking van de ontwikkelingen naar de inflatie, zoals uitvoerig besproken in de door medewerkers samengestelde projecties van juni 2026.[28] In de volgende analyse wordt de kracht van dergelijke effecten grotendeels hetzelfde gehouden, met uitzondering van de indirecte effecten van de energieprijzen op de voedselinflatie, die licht zijn verminderd. Daarnaast wordt een gevoeligheidsanalyse bij het ernstige scenario uitgevoerd om de gevolgen van tekorten aan vliegtuigbrandstof te onderzoeken.
Tabel A
Beschrijving van het basisscenario en de alternatieve scenario’s met betrekking tot de oorlog in het Midden-Oosten
Scenario | Prijzen van energiegrondstoffen | Onzekerheid | Indirecte en tweederonde-effecten op de inflatie | Reactie begrotings- en monetair beleid in het eurogebied |
|---|---|---|---|---|
Basisscenario | De prijzen van energiegrondstoffen volgen de technische aannames.1 | In overeenstemming met waargenomen ontwikkelingen in de VIX-volatiliteitsindex | Beperkte opwaartse oordeelsvorming om rekening te houden met mogelijk grotere effecten dan de standaardelasticiteiten van het model als gevolg van de omvang van de energieschok | De korte rente volgt de technische aannames.1 Alleen begrotingsbeleid in wetgeving of aangekondigd en goed uitgewerkt beleid wordt in aanmerking genomen. |
Mild scenario | De prijzen van energiegrondstoffen volgen het 25e percentiel van de door de markt afgeleide waarschijnlijkheidsverdelingen.1 | Onveranderd ten opzichte van het basisscenario | Onveranderd ten opzichte van het basisscenario | Onveranderd ten opzichte van het basisscenario |
Ongunstig scenario | De prijzen van energiegrondstoffen volgen het 75e percentiel van de door de markt afgeleide waarschijnlijkheidsverdelingen.1 | De VIX-index stijgt met ongeveer 10 punten, met een snelle omslag begin 2027 naar het niveau van het vierde kwartaal van 2025; de volatiliteit ligt slechts iets boven het niveau van het basisscenario. | Sterkere kalibratie dan in het basisscenario op basis van de inflatiedynamiek en satellietmodellen voor de periode 2021-2024 | Onveranderd ten opzichte van het basisscenario |
Ernstig scenario | De prijzen van energiegrondstoffen volgen het 95e percentiel van de door de markt afgeleide waarschijnlijkheidsverdelingen.1 | De VIX-index stijgt met ongeveer 14 punten en ligt tot eind 2027 aanzienlijk boven het niveau van dat in het ongunstige scenario; in 2028 ligt het slechts iets boven het niveau van het basisscenario. | Sterkere kalibratie dan in het ongunstige scenario op basis van de inflatiedynamiek en satellietmodellen voor de periode 2021-2024 | Onveranderd ten opzichte van het basisscenario |
1) De afsluitingsdatum van de technische aannames en de door de markt geïmpliceerde waarschijnlijkheidsverdeling is 19 augustus 2026.
1. Aannames met betrekking tot de prijzen van energiegrondstoffen
In de alternatieve scenario’s worden verdelingen gebruikt die zijn afgeleid van de van opties afgeleide waarschijnlijkheden om alternatieve ontwikkelingen voor de olie- en gasprijzen vast te stellen. Aangenomen wordt dat de olie- en gasprijzen vanaf het vierde kwartaal van 2026 het 25e percentiel van de marktgebaseerde verdelingen volgen in het milde scenario, het 75e percentiel in het ongunstige scenario en het 95e percentiel in het ernstige scenario (Grafkiek A, panelen a en b, en Tabel B). Deze percentielen bieden een marktgebaseerde beoordeling van de huidige risico’s rond de energieprijzen en omvatten impliciet alternatieve ontwikkelingen van het conflict in het Midden-Oosten en de gevolgen daarvan voor verstoringen van de energievoorziening.
- In het milde scenario dalen de olieprijzen tot circa USD 75 per vat en de gasprijzen naar € 50/MWh in het vierde kwartaal van 2026. Deze ontwikkeling vormt een waarschijnlijke afspiegeling van de marktvisie dat het conflict nog steeds zeer snel kan worden opgelost, wat zou leiden tot een snelle normalisering van de mondiale olie- en gasmarkten.
- In het ongunstige scenario stijgen de olieprijzen tot ongeveer USD 100 per vat en de gasprijzen tot € 75 per MWh in het vierde kwartaal van 2026. Ze blijven gedurende de gehele projectieperiode aanzienlijk boven het niveau van het basisscenario. Dit vormt een waarschijnlijke afspiegeling van de marktverwachtingen dat het conflict langer duurt dan in het basisscenario wordt aangenomen.
- In het ernstige scenario stijgen de olieprijzen met 50% en zijn de gasprijzen meer dan verdubbeld ten opzichte van het basisscenario, tot respectievelijk circa USD 130 per vat en € 130/MWh in het vierde kwartaal van 2026 (vergeleken met USD 88 per vat en € 60/MWh in het basisscenario voor hetzelfde kwartaal). De schokken zijn ook zeer hardnekkig, waarbij de afwijkingen ten opzichte van het basisscenario aan het einde van de projectieperiode nog steeds van vergelijkbare omvang zijn. Het beloop van de energieprijzen, op basis van de van opties afgeleide waarschijnlijkheden, kan worden vertaald naar verstoringen van de energievoorziening met behulp van prijselasticiteiten voor aanbodschokken. Het ernstige scenario zou in grote lijnen overeenkomen met een vermindering van het mondiale olieaanbod met ongeveer 8% en een vermindering van het aanbod van vloeibaar aardgas (LNG) met 12% ten opzichte van het basisscenario (wat overeenkomt met ongeveer 8 miljoen vaten olie per dag en 5 miljard kubieke meter LNG per maand, Grafiek A, panelen c en d).[29] In dit ernstige scenario zouden de Europese gasprijzen ook tot ver boven de drempel van € 65 per MWh stijgen. Op basis van eerdere perioden met prijspieken is dit het prijsniveau waarboven Europa Azië zou kunnen overbieden voor LNG-leveringen, waardoor de omvang van de verstoringen van de gasvoorziening in het eurogebied wordt beperkt.
Grafiek A
Aannames voor het beloop van de prijzen van olie en Europees aardgas
a) Olieprijzen | b) Gasprijzen |
(USD per vat) | (EUR per MWh) |
![]() | ![]() |
c) Olieprijzen | d) Gasprijzen |
(USD per vat) | (EUR per MWh) |
![]() | ![]() |
Bronnen: Refinitiv en berekeningen van ECB-medewerkers.
Toelichting: De afsluitingsdatum voor de basisaannames van september 2026 is 19 augustus 2026. Het scenario voor verminderde olietoevoer is gebaseerd op de elasticiteit van de olieprijs ten opzichte van schokken in de olievoorziening, zoals geschat in Caldara et al. (2019)*, terwijl de verminderde gastoevoer gebaseerd is op de elasticiteit van de gasprijs ten opzichte van schokken in de gasvoorziening, zoals geschat in Albrizio et al. (2023)**.
* Caldara, D., Cavallo, M. en Iacoviello, M. (2019), “Oil price elasticities and oil price fluctuations”, Journal of Monetary Economics, Vol. 103, mei, blz. 1-20.
** Albrizio, S., Bluedorn, J., Koch, C., Pescatori, A. en Stuermer, M. (2023), “Sectoral Shocks and the Role of Market Integration: The Case of Natural Gas”, AEA Papers and Proceedings, Vol. 113, American Economic Association, Nashville, mei, blz. 43-46.
Tabel B
Scenario’s voor prijzen van energiegrondstoffen – niveau en afwijking ten opzichte van het basisscenario
Scenario | 2026-IV (USD/vat of EUR/MWh) | 2026-IV (% afwijking t.o.v. basisscenario) | 2028-IV (USD/vat of EUR/MWh) | 2028-IV (% afwijking t.o.v. basisscenario) | |
|---|---|---|---|---|---|
Mild | Olieprijzen | 76 | -12% | 62 | -15% |
Gasprijzen | 50 | -17% | 22 | -22% | |
Ongunstig | Olieprijzen | 99 | 15% | 84 | 16% |
Gasprijzen | 77 | 28% | 38 | 33% | |
Ernstig | Olieprijzen | 132 | 53% | 115 | 58% |
Gasprijzen | 130 | 116% | 61 | 114% |
Bron: ECB en berekeningen van medewerkers van de ECB.
2. Aannames over onzekerheid en de doorwerking daarvan in de financieringsvoorwaarden
In het ongunstige en ernstige scenario wordt ervan uitgegaan dat een escalatie van het conflict in het Midden-Oosten de mondiale onzekerheid zou vergroten en zou leiden tot herprijzing op de financiële markten. De VIX-index wordt gebruikt als maatstaf voor de mondiale onzekerheid. Er wordt uitgegaan van een tijdelijke piek bij het ongunstige scenario, die bij het ernstige scenario hoger en hardnekkiger zou zijn. Deze aannames zijn grotendeels in overeenstemming met eerder waargenomen periodes van vergelijkbare geopolitieke spanningen, onder meer aan het begin van de oorlog van Rusland tegen Oekraïne en het conflict in het Midden-Oosten in oktober 2023 (Grafiek B, paneel a). De onzekerheid in de scenario’s heeft op twee manieren invloed op de economie: op directe wijze, door het effect op het reële bbp in de vorm van schokken in consumentenvertrouwen, en op indirecte wijze, door de financieringsvoorwaarden, waarbij beide effecten de consumptie, investeringen en de handel drukken.
Grafiek 13
Aannames voor de VIX-index en impact op enkele financiële variabelen
a) VIX-aannames
(index)

b) ecarts voor leningen aan bedrijven en voor hypothecaire leningen aan huishoudens in het ongunstige en ernstige scenario
(afwijkingen van het basisscenario in basispunten)

Bronnen: ECB; CBOE Global Markets en berekeningen van ECB-medewerkers.
Toelichting: In paneel a) toont de blauwe lijn een onvoorwaardelijk prognoseverloop uit een Bayesiaans vector-autoregressiemodel (BVAR). Het model omvat de VIX-index, het bbp van het eurogebied, de particuliere consumptie, de bedrijfsinvesteringen, de HICP-inflatie en de korte rente. De VIX-index wordt gebruikt als maatstaf voor de onzekerheid omdat deze rechtstreeks wordt ingevoerd in het financiële model in paneel b). In paneel b) worden de ecarts voorspeld met gebruikmaking van een daily-monthly Markov-switching BVAR-model met gemengde frequentie, waarvoor het verloop van de VIX-index in de scenario's als input heeft gediend. Het model omvat de VIX-index, aandelen van zowel banken als ondernemingen, ecarts op bankobligaties, de ecarts op leningen voor zowel huishoudens als bedrijven, en zowel de korte als de lange marktrente vanuit de projecties, en maakt onderscheid tussen landen met hoge en lage volatiliteit, met verschillende geschatte doorwerkingen. De meest recente waarneming voor de VIX-index betreft 19 augustus 2026.
In het ongunstige scenario is de stijging van de kredietspreads van kortere duur en minder uitgesproken dan in het ernstige scenario vanwege verschillen in de VIX-ontwikkelingen (Grafiek B, paneel b). In het ongunstige scenario nemen de kredietspreads (ten opzichte van de risicovrije rente) slechts licht toe, met een piek van ongeveer 10 basispunten in het tweede kwartaal van 2027 voor zowel leningen aan bedrijven als voor hypotheken, aangezien het model een snelle terugkeer naar de lage volatiliteit voorspelt. De ecarts op leningen aan bedrijven pieken iets hoger, maar keren ook sneller naar het basisscenario terug dan de ecarts bij hypotheken. In het ernstige scenario wordt de buffercapaciteit van de banken uitgeput doordat de verhoogde volatiliteit hardnekkiger is, waardoor de ecarts ten opzichte van de VIX meer dan proportioneel stijgen, met een piek van ongeveer 20 basispunten in de tweede helft van 2027. De ecarts voor hypotheken bereiken hun piek een kwartaal later en blijven tot het einde van de projectieperiode boven het basisscenario.
3. Macro-economische gevolgen voor de internationale omgeving
Gezien de beperkte directe handelsbetrekkingen met de conflictregio, bestaan de belangrijkste transmissiekanalen van de schok naar de wereldeconomie naar verwachting vooral uit toegenomen onzekerheid en directe en indirecte effecten van hogere energie- en voedselprijzen (Grafiek 14). In de scenario's leidt de verhoogde mondiale onzekerheid tot lagere wereldwijde activaprijzen, verkrapping van de financieringsvoorwaarden en verzwakking van de uitgaven en handel. Hogere olie- en gasprijzen doen de invoerkosten stijgen en de reële inkomens dalen en drukken het zwaarst op energie-invoerende economieën. De stijgende energiekosten drijven ook de voedselprijzen op, waardoor de inflatie toeneemt en de mondiale vraag verder wordt getemperd.[30]
In het milde scenario impliceert de sneller dan verwachte oplossing van de verstoringen dat de groei hoger is en de inflatie lager dan in het mondiale basisscenario. Naarmate de energieprijzen sneller dalen, neemt de inflatoire impuls sneller af, daalt de onzekerheid, normaliseren de financieringsvoorwaarden en is de buitenlandse vraag sterker als gevolg van een gunstigere externe omgeving dan in het basisscenario.
In het ongunstige scenario wordt de mondiale economie getroffen door een gematigde maar aanhoudende negatieve aanbodschok. De mondiale bbp-groei ligt gedurende de gehele projectieperiode onder het basisscenario.[31] De laagste groei van ongeveer 0,2 procentpunt onder het basisscenario ligt in 2027, terwijl de inflatie 0,8 en 0,4 procentpunt boven het basisscenario ligt in respectievelijk 2027 en 2028. Voor het eurogebied verzwakt de nominale effectieve wisselkoers licht alvorens zich te normaliseren, terwijl de buitenlandse vraag elk jaar verder daalt ten opzichte van het basisscenario en aan het einde van de projectieperiode ongeveer 0,8% onder het basisscenario ligt.
Grafiek C
Gevolgen voor de wereldeconomie exclusief het eurogebied
(afwijkingen t.o.v. groeicijfers basisscenario, in procentpunten)

Bronnen: Berekeningen van ECB-medewerkers op basis van simulaties met ECB-GLOBAL-modellen.
Toelichting: De simulaties worden uitgevoerd voor een prognose met het GLOBAL-model van de ECB waarbij het monetair beleid van het eurogebied exogeen is.
In het ernstige scenario is de negatieve aanbodschok veel groter en heeft deze langer aanhoudende effecten. Als gevolg daarvan is de inflatoire impuls van de prijzen van energie en voedingsgrondstoffen sterker en neemt de mondiale onzekerheid sterker toe. De mondiale bbp-groei ondervindt in 2026 slechts een marginale invloed, maar wordt in 2027 met 1 procentpunt getemperd, met kleine effecten in 2028. De inflatie ligt in 2026 ongeveer 0,4 procentpunt boven het basisscenario. Het effect piekt op bijna 2,7 procentpunt in 2027, alvorens in 2028 te matigen tot 1,1 procentpunt. Voor het eurogebied verzwakt de nominale effectieve wisselkoers aanvankelijk om vervolgens te normaliseren, terwijl de buitenlandse vraag elk jaar verder daalt ten opzichte van het basisscenario, en uiteindelijk in 2028 ongeveer 2,9% onder het basisscenario uitkomt.
4. Macro-economische implicaties voor het eurogebied
De resultaten voor het eurogebied zijn afgeleid van grotendeels dezelfde aannames met betrekking tot de kracht van directe, indirecte en tweederonde-effecten als de scenario’s van juni, maar met licht verminderde indirecte effecten op de prijzen van voedingsmiddelen. De eerder aangenomen directe effecten in het ernstige scenario, d.w.z. de mate van doorwerking van de energieprijzen in de HICP-energie-inflatie, zijn getoetst en bevestigd aan de hand van een gedetailleerd energie-inflatiemodel.[32] Ook houdt de scenario-evaluatie grotendeels vast aan de eerdere aanpassingen aan de transmissie in het kernprojectiemodel, wat heeft geleid tot sterkere indirecte en tweederonde-effecten. Het enige verschil met eerder gebruikte kalibraties heeft betrekking op de doorwerking van de energieprijzen in de prijzen van voedingsmiddelen. Deze indirecte effecten zijn in alle scenario’s licht verminderd, maar blijven aanzienlijk sterker dan de standaardelasticiteiten in het ongunstige en ernstige scenario.[33]
In het milde scenario is de bbp-groei iets sterker en matigt de inflatie sneller dan in het basisscenario (Tabel C en Grafiek D). Doordat de stijging van de energieprijzen in dit scenario sneller wegebt dan in de basisaannames, daalt de inflatie in 2027 en 2028 tot onder het basisniveau. Lagere energieprijzen komen ook de bbp-groei ten goede. De reële groei komt daarbij boven het basisscenario uit, op 1,5% in 2027 en 1,6% in 2028.
In het ongunstige scenario leidt de schok tot een aanhoudende opwaartse verschuiving van de energieprijzen met langere inflatoire druk tot gevolg, terwijl de bbp-groei op korte termijn wordt afgezwakt. De reële bbp-groei zakt terug onder het basisscenario, naar 1,1% in 2027, maar stijgt opnieuw tot 1,4% in 2028, wanneer de energieprijzen dalen en de onzekerheid afneemt. De HICP-inflatie zou in dit scenario stijgen tot 3,1% in 2026 en in 2027 hoog blijven met 3,2%, alvorens in 2028 te dalen naar 2,3%. De kerninflatie (d.w.z. de inflatie exclusief energie en voedingsmiddelen) zou in 2027 een piek bereiken van 2,8% als gevolg van geleidelijke indirecte en tweederonde-effecten op de prijzen en lonen, en dalen tot 2,4% in 2028.
Het ernstige scenario veronderstelt een aanzienlijk uitdagender macro-economisch klimaat dat wordt beïnvloed door sterkere en hardnekkigere schokken in de grondstoffenprijzen in combinatie met versterkte indirecte en tweederonde-effecten. De reële bbp-groei zou in 2026 uitkomen op 0,8%, en aanzienlijk dalen tot 0,4% in 2027, wat wijst op een langdurige zwakte van de bedrijvigheid. In 2028 zou de bedrijvigheid zich dan weer herstellen tot 1,4%. De totale inflatie zou sterk stijgen, in 2026 op 3,3% uitkomen en in 2027 een piek van 5,4% bereiken. De kerninflatie zou aanzienlijk stijgen, waarbij de hogere energieprijzen in toenemende mate zouden doorwerken naar de binnenlandse prijzen en lonen.
Tabel C
Belangrijkste variabelen van het eurogebied in het basisscenario en de alternatieve scenario’s
(mutaties in procenten per jaar)
| Reële bbp-groei | HICP-inflatie | HICP-inflatie exclusief energie en voedingsmiddelen | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
2026 | 2027 | 2028 | 2026 | 2027 | 2028 | 2026 | 2027 | 2028 | ||
Basisscenario september 2026 | 0,9 | 1,4 | 1,5 | 3,0 | 2,5 | 2,1 | 2,5 | 2,6 | 2,3 | |
Mild scenario | 0,9 | 1,5 | 1,6 | 2,9 | 1,9 | 1,8 | 2,5 | 2,5 | 2,2 | |
Ongunstig scenario | 0,9 | 1,1 | 1,4 | 3,1 | 3,2 | 2,3 | 2,5 | 2,8 | 2,4 | |
Ernstig scenario | 0,8 | 0,4 | 1,4 | 3,3 | 5,4 | 3,2 | 2,5 | 3,5 | 3,2 | |
Bron: Berekeningen van ECB-medewerkers op basis van simulaties van ECB-BASE-modellen.
De negatieve macro-economische effecten van het ongunstige en het ernstige scenario vloeien in eerste instantie voornamelijk voort uit hogere energiekosten en onzekerheid. Na verloop van tijd ontstaan ze echter steeds vaker door bredere overloopeffecten op de handel, de binnenlandse vraag en de kerninflatie. Uit Grafiek E blijkt dat de verslechtering van de reële bbp-groei voornamelijk het gevolg is van hogere energieprijzen, toegenomen onzekerheid en zwakkere handel. In 2027 vertraagt de groei verder doordat de zwakkere mondiale vraag, die deels te wijten is aan hogere internationale voedsel- en energieprijzen, de uitvoer van het eurogebied steeds meer drukt, terwijl hogere energieprijzen en krappere financieringsvoorwaarden de binnenlandse vraag verder afremmen. Tegen 2028 normaliseert de bbp-groei geleidelijk naarmate de druk op de energieprijzen wegebt en de lonen zich na de aanvankelijke daling van de reële inkomens enigszins herstellen. Het belangrijkste transmissiekanaal voor de inflatie zijn hogere energiekosten, die een direct effect hebben op de energie-inflatie en de productiekosten voor niet-energieproducten verhogen. In het ernstige scenario werken sterkere indirecte en tweederonde-effecten steeds meer door in de voedsel- en kerninflatie, wat leidt tot een aanzienlijk hardnekkigere totale inflatie. In het milde scenario worden de reële inkomens, de consumptieve bestedingen en derhalve de bbp-groei ondersteund door een lagere inflatie dan in het basisscenario, grotendeels als gevolg van lagere energieprijzen, en verder gestimuleerd door een gunstigere externe omgeving.
Grafiek D
Basisscenario en alternatieve scenario’s voor de belangrijkste variabelen van het eurogebied
Reëel bbp
(veranderingspercentages op kwartaalbasis)

|
|
(mutaties in procenten per jaar) | (mutaties in procenten per jaar) |
![]() | ![]() |
HICP energie | HICP voedingsmiddelen |
(mutaties in procenten per jaar) | (mutaties in procenten per jaar) |
![]() | ![]() |
Bron: Berekeningen van medewerkers van de ECB.
Grafiek E
Impact op de economie van het eurogebied naar kanaal of component in verschillende scenario’s
a) Reëel bbp, naar kanaal
(afwijkingen t.o.v. groeicijfers basisscenario, in procentpunten)

b) HICP-inflatie, naar kanaal
(afwijkingen t.o.v. groeicijfers basisscenario, in procentpunten)

c) HICP-inflatie, naar component
(afwijkingen t.o.v. groeicijfers basisscenario, in procentpunten)

Bron: Berekeningen van ECB-medewerkers op basis van simulaties van ECB-BASE-modellen.
Toelichting: De simulaties worden uitgevoerd in het kader van een prognose waarbij gebruik wordt gemaakt van het ECB-BASE-model met een exogeen monetair beleid van het eurogebied.
5. Gevoeligheidsanalyse bij het ernstige scenario: tekorten aan vliegtuigbrandstof
In het geval van extreme tekorten aan vliegtuigbrandstof zou het mondiale luchtvervoer met 50% kunnen dalen.[34] Volgens een multi-sectoraal dynamisch stochastisch algemeen evenwichtsmodel voor meerdere landen en met mondiale productienetwerken, zouden dergelijke verstoringen van het luchtvervoer de bbp-groei van het eurogebied in 2027 met ongeveer 0,1 procentpunt doen dalen en de inflatie verhogen met ongeveer 0,15 procentpunt in 2027 en met 0,2 procentpunt in 2028 (Grafiek F). In het model wordt ervan uitgegaan dat het moeilijk zou zijn om het luchtvervoer te vervangen door andere vervoersmethoden, met name voor internationale reizen en tijdgevoelige goederen.
Grafiek F
Gevoeligheidsanalyse: gevolgen van tekorten aan vliegtuigbrandstof bovenop het ernstige scenario
Reële bbp-groei | HICP-inflatie |
(afwijkingen t.o.v. groeicijfers ernstige scenario, in procentpunten) | (afwijkingen t.o.v. groeicijfers ernstige scenario, in procentpunten) |
![]() | ![]() |
Bron: Berekeningen van ECB-medewerkers op basis van het ONKIO-MCMS-model, zie Aguilar, P., Domínguez-Díaz, R., Gallegos, J. E. en Quintana, J. (2026), “The Transmission of Foreign Shocks in a Networked Economy,” Banco de España Working Paper nr. 2607.
6. Voorbehoud bij de scenarioanalyses
Deze scenarioanalyses omvatten geen monetaire of budgettaire beleidsreacties die de gevolgen van de inflatie zouden verzachten, noch andere kanalen die de macro-economische implicaties zouden kunnen beïnvloeden. Zoals gebruikelijk bij scenarioanalyses in de door medewerkers samengestelde projecties, wordt in de scenario’s uitgegaan van een ongewijzigd monetair en begrotingsbeleid ten opzichte van het basisscenario. De aanzienlijke stijgingen van de inflatie, met name in het ernstige scenario, zouden waarschijnlijk gedeeltelijk worden gecompenseerd door een krapper monetair beleid of budgettaire steunmaatregelen die de consumptieprijzen van energie zouden kunnen verlagen – zoals tijdens de periode van hoge inflatie in 2022-2024. Andere kanalen die niet expliciet in de analyses zijn opgenomen, zijn bijvoorbeeld mogelijke positieve effecten op het toerisme in de landen van het eurogebied als gevolg van minder toerisme in het Midden-Oosten.
Kader 5
Vergelijking met prognoses door andere instellingen en de private sector
De door medewerkers van de ECB samengestelde projecties van september 2026 voor zowel de groei als de inflatie bevinden zich bovenaan of boven de bandbreedte van de prognoses van andere instellingen en enquêtes van voorspellers uit de private sector. De door medewerkers van de ECB samengestelde groeiprojecties voor 2026 bevinden zich bovenaan de bandbreedte van andere prognoses voor 2026 en liggen boven de bandbreedte voor 2027-2028 – waarschijnlijk deels als gevolg van de opname van recente positieve cijfers. Voor de inflatie bevinden de projecties van medewerkers zich bovenaan de bandbreedte van andere prognoses voor 2026 en boven de bandbreedte voor 2027-2028, waarbij alle meegenomen prognoses wijzen op een terugkeer van de inflatie naar dichtbij de doelstelling op middellange termijn.
Tabel A
Vergelijking van recente prognoses voor de reële bbp-groei, de HICP-inflatie en de HICP-inflatie exclusief energie en voedingsmiddelen in het eurogebied
(mutaties in procenten per jaar)
| Publicatiedatum | Bbp-groei | HICP-inflatie | HICP-inflatie exclusief energie en voedingsmiddelen | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
2026 | 2027 | 2028 | 2026 | 2027 | 2028 | 2026 | 2027 | 2028 | ||
Projecties ECB-medewerkers | September 2026 | 0,9 | 1,4 | 1,5 | 3,0 | 2,5 | 2,1 | 2,5 | 2,6 | 2,3 |
Consensus Economics | Augustus 2026 | 0,7 | 1,2 | 1,3 | 2,8 | 2,3 | 2,0 | 2,4 | 2,4 | - |
Survey of Professional Forecasters | Juli 2026 | 0,6 | 1,2 | 1,3 | 2,7 | 2,2 | 2,0 | 2,4 | 2,2 | 2,1 |
Internationaal Monetair Fonds | Juli 2026 | 0,9 | 1,2 | - | 2,9 | 2,3 | - | - | - | - |
OESO | Juni 2026 | 0,8 | 1,2 | - | 2,8 | 2,4 | - | 2,4 | 2,4 | - |
Europese Commissie | Mei 2026 | 0,9 | 1,2 | - | 3,0 | 2,3 | - | 2,3 | 2,5 | - |
Bronnen: Consensus Economics Forecasts, 13 augustus 2026 (de gegevens voor 2028 zijn ontleend aan de enquête van juli 2026); ECB Survey of Professional Forecasters, 24 juli 2026; IMF World Economic Outlook, 8 juli 2026; Economic Outlook van de OESO, 3 juni 2026; voorjaarsprognose 2026 van de Europese Commissie, 21 mei 2026.
Toelichting: Deze prognoses zijn niet direct met elkaar of met de door medewerkers van de ECB samengestelde macro-economische projecties vergelijkbaar, aangezien ze op verschillende tijdstippen zijn opgesteld. Daarnaast maken ze gebruik van andere methoden om aannames af te leiden over de budgettaire, financiële en externe variabelen, waaronder de prijzen voor olie, gas en andere grondstoffen. In de door medewerkers van de ECB samengestelde macro-economische projecties worden voor het aantal werkdagen gecorrigeerde groeicijfers voor het reële bbp op jaarbasis gehanteerd, terwijl bij de Europese Commissie en het Internationaal Monetair Fonds de groeicijfers op jaarbasis niet zijn gecorrigeerd voor het aantal werkdagen per jaar. Bij de andere prognoses wordt niet aangegeven of de gegevens al dan niet worden gecorrigeerd voor het aantal werkdagen.
© Europese Centrale Bank, 2026
Postadres 60640 Frankfurt am Main, Duitsland
Telefoon +49 69 1344 0
Website www.ecb.europa.eu
Alle rechten voorbehouden. Reproductie voor educatieve en niet-commerciële doeleinden is alleen toegestaan met bronvermelding.
Zie voor een verklaring van de terminologie de ECB-woordenlijst.
HTML ISBN 978-92-899-7814-9, ISSN 2529-4555, doi:10.2866/4436410, QB-01-26-091-NL-Q
De afsluitingsdatum voor de technische aannames en de projecties voor de wereldeconomie was 19 augustus 2026, en de afsluitingsdatum voor de macro-economische projecties voor het eurogebied was 28 augustus 2026.
De cijfers zijn gebaseerd op een geraamd bbp van het eurogebied, waarbij voor Ierland de aangepaste binnenlandse vraag is gehanteerd in plaats van het bbp. Zie voetnoot 4 voor nadere bijzonderheden.
Op 7 september 2026, na de afsluitingsdatum voor deze projecties, publiceerde Eurostat een herziene raming van 0,6% voor het tweede kwartaal van 2026. Deze opwaartse bijstelling ten opzichte van de oorspronkelijk raming hing samen met een stijging van het Ierse bbp met 10,2% door de activiteiten van multinationale ondernemingen die weinig relevant zijn voor de binnenlandse economie. De herziene nominale gegevens wijzen weliswaar op opwaartse risico’s voor de jaarlijkse projecties van het reële bbp van Ierland en het eurogebied in 2026, maar de maatstaf voor het bbp van het eurogebied waarbij voor Ierland de aangepaste binnenlandse vraag wordt gehanteerd (zie voetnoot 4) is onveranderd voor het tweede kwartaal van 2026 en heel 2026.
De aangepaste binnenlandse vraag (AVB) omvat particuliere en overheidsconsumptie en een gewijzigde investeringsmaatstaf die de aankoop van vliegtuigen voor leasing en bepaalde aankopen van intellectuele eigendom uitsluit. De Ierse invoer, uitvoer en voorraadmutaties vallen er niet onder. Daarmee vormt de aangepaste binnenlandse vraag een betere afspiegeling van de onderliggende ontwikkelingen in de binnenlandse bedrijvigheid van Ierland dan het nominale bbp, en gezien de grote volatiliteit van de nominale Ierse bbp-gegevens is hij ook geschikter om de onderliggende ontwikkelingen van de groei in het eurogebied te beoordelen. Meer informatie is te vinden op de website van het Central Statistics Office of Ireland.
De aangepaste groei verwijst naar een maatstaf voor het bbp van het eurogebied dat gebruikmaakt van de aangepaste binnenlandse vraag in plaats van het bbp voor Ierland, zoals toegelicht in voetnoot 4. De totale reële bbp-groei bedraagt naar verwachting 0,3% in het derde kwartaal en 0,4% in het vierde kwartaal.
Afwerkings- en installatiewerkzaamheden, ook wel gespecialiseerde bouwactiviteiten genoemd, zijn goed voor 75% van alle bouwactiviteit en betreffen vooral renovatiewerkzaamheden aan bestaande gebouwen (voor meer informatie, zie Rusinova, D. en Weissler, M. (2026), Building resilience: how energy prices boost home efficiency, The ECB Blog, ECB, 5 augustus).
De belangrijkste uitvoerders van AI-producten zijn de Verenigde Staten, Taiwan, Zuid-Korea en China, wat is toe te schrijven aan de historische specialisatie van hun productieapparaten. Het aandeel AI-producten in de totale uitvoer van deze landen bedroeg in 2025 respectievelijk 15,8%, 74,6%, 32,1% en 20,2%. Voor het eurogebied was dit percentage 10%.
Het effect op de inflatie in de basisprojectie wordt geschat op cumulatief minder dan 0,1 procentpunt in de periode 2025-2028.
In verwijzingen naar wereldwijd of mondiaal geaggregeerde economische indicatoren is het eurogebied hier buiten beschouwing gelaten, tenzij anders vermeld.
De mondiale totale CPI-inflatie wordt berekend als het gewogen gemiddelde van de inflatie in 23 landen, waaronder 14 geavanceerde economieën (te weten de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Japan, Zwitserland, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, Zweden, Denemarken, Noorwegen, Tsjechië, Hongarije, Polen en Roemenië) en 9 opkomende markteconomieën (China, Rusland, Brazilië, India, Turkije, Zuid-Korea, Mexico, Singapore en Hongkong).
De begrotingskoers wordt gedefinieerd als de verandering in het voor de conjunctuur gecorrigeerde primaire saldo, verder gecorrigeerd voor NGEU-subsidies aan de ontvangstenzijde. Hoewel de begrotingskoers een top-downmaatstaf is voor de richting van het begrotingsbeleid, worden discretionaire begrotingsmaatregelen gemeten aan de hand van een bottom-upbenadering (zie toelichting bij Tabel A).
Niet-discretionaire factoren houden voornamelijk verband met de restrictieve begrotingskoers en de ontkoppeling van de belastinggrondslag van het bbp.
Na de afsluitingsdatum voor de projecties bleek uit de flashraming van de HICP voor augustus dat de totale HICP-inflatie verder was gestegen tot 3,3%, terwijl de HICPX-inflatie licht was afgenomen tot 2,4%.
Vergeleken met mei waren de inflatiecijfers voor energie, voedingsmiddelen en diensten in juli lager, terwijl de NEIG-inflatie onveranderd bleef.
De kosten en marges van dieselraffinage worden berekend als het verschil tussen de prijzen van geraffineerde diesel en ruwe aardolie. Voor benzine worden de marges berekend aan de hand van de prijs van geraffineerde benzine.
Sommige van deze maatregelen zijn afgelopen, andere zijn verlengd of pas ingevoerd. Ondanks aanvullende maatregelen (waaronder verlengingen) in Italië en Spanje, voornamelijk in de vorm van accijnsverlagingen op transportbrandstoffen, zijn deze ramingen grotendeels onveranderd ten opzichte van de projecties van juni 2026.
Op basis van de aannames van medewerkers betreffende de prijs van ETS2-vergunningen (zie Kader 2) wordt het effect van ETS2 op de HICP-inflatie in 2028 geraamd op 0,2 procentpunt, onveranderd ten opzichte van de projecties van juni 2026. Zie voor meer informatie het Kader Macro-economische effecten van het klimaatbeleid in het eurogebied in de door medewerkers van het Eurosysteem samengestelde macro-economische projectie van december 2025.
De Europese Commissie heeft een regeling voor tijdelijke staatssteun goedgekeurd om de prijsstijgingen van energie- en meststoffen als gevolg van de crisis in het Midden-Oosten in bepaalde sectoren te beteugelen. Zie voor meer informatie het persbericht van 29 april 2026: Commissie keurt tijdelijk staatssteunkader goed ter ondersteuning van sectoren die zijn getroffen door de crisis in het Midden-Oosten.
Verwacht wordt dat de hervorming van de gezondheidssector de HICPX-inflatie op jaarbasis in het eurogebied met 0,07 procentpunt en de HICP-inflatie met 0,05 procentpunt zal doen toenemen in 2027, waarbij het grootste deel van het effect terug te voeren is op de NEIG-component.
Ook professionele voorspellers verwachten beperkte tweederonde-effecten op de HICPX-inflatie (minder dan 0,1 procentpunt in 2026 en 2027), zoals blijkt uit de Survey of Professional Forecasters voor het derde kwartaal van 2026 (zie Kader 1).
Voor het ECB-BASE-model, zie Angelini, E., Bokan, N., Christoffel, K., Ciccarelli, M. en Zimic, S. (2019), Introducing ECB-BASE: The blueprint of the new ECB semi-structural model for the euro area’, Working Paper Series, nr. 2315, ECB, september; en Arce, O., Ciccarelli, M., Kornprobst, A. en Montes-Galdón, C. (2024), What caused the euro area post-pandemic inflation? An application of Bernanke and Blanchard (2023)”, Occasional Paper Series, nr. 343, ECB.
De herziening van de NEIG- en diensteninflatie voor 2027 houdt onder meer verband met de wijziging in de regelgeving inzake geneesmiddelenprijzen (vanaf juli 2026) en de hervorming van de gezondheidssector in Duitsland (vanaf januari 2027), die zorgen voor een gecombineerd effect van iets minder dan 0,1 procentpunt op de HICP-inflatie in het eurogebied voor 2027.
Na de afsluitingsdatum voor de projecties van september publiceerde Eurostat zijn eerste raming voor de groei van de loonsom per werknemer in het tweede kwartaal van 2026. De raming van 3,3% was volledig in overeenstemming met de projecties van september.
De gehanteerde marktprijzen zijn de prijzen die golden op 19 augustus 2026 (de afsluitingsdatum voor de technische aannames).
Bovendien worden de macro-economische effecten beoordeeld aan de hand van het gemiddelde van de resultaten van een aantal macro-economische modellen van de ECB en het Eurosysteem, terwijl bij de scenario’s voor het Midden-Oosten gebruik werd gemaakt van het ECB-BASE-model. Daarnaast werden de modellen voor deze analyse gebruikt in de standaardprojectiemodi zonder eventuele verbeterde elasticiteiten met betrekking tot indirecte en tweederonde-effecten, die in de scenario’s voor het Midden-Oosten zijn opgenomen.
Opgesteld door A. Bobasu, A. Ferrari, T. Kockerols, A. Manu, G. Müller, R. Rigato en A. Stalla-Bourdillon.
Zie Paragraaf 3 van de door medewerkers van het Eurosysteem samengestelde projecties van juni 2026.
Zie met name Kader 4 in de door medewerkers van het Eurosysteem samengestelde projecties van juni 2026.
NB: de interpretatie van het ernstige scenario in termen van verstoringen van de voorziening vereist in het basisscenario een gedeeltelijk herstel van de olie- en gasstromen via de Straat van Hormuz. Met name het herstel in het basisscenario in het vierde kwartaal van 2026 zou groot genoeg moeten zijn om verstoringen van de voorziening in het ernstige scenario van de besproken omvang mogelijk te maken. Deze schokken zouden neerkomen op een vermindering van de energiestromen via de Straat met ongeveer 60%, waarbij een deel van de gevolgen voor de olievoorziening wordt verzacht door de omleiding via regionale pijpleidingen.
In de simulaties voor het internationale klimaat wordt uitgegaan van hogere prijzen van voedingsgrondstoffen, aangezien de oorlog in het Midden-Oosten ook de markten voor kunstmest beïnvloedt. In de simulaties van het eurogebied vertonen het ongunstige en ernstige scenario een sterkere doorwerking van de energieschok naar de consumentenprijzen voor voedingsmiddelen, waarbij de effecten van hogere energieprijzen op de prijzen van voedingsgrondstoffen worden meegenomen. Zie voor meer informatie Paragraaf 3 van de door medewerkers van het Eurosysteem samengestelde projecties van juni 2026.
In verwijzingen naar wereldwijd/mondiaal geaggregeerde economische indicatoren is het eurogebied hier buiten beschouwing gelaten, tenzij anders vermeld.
Zie Bańbura, M., Bobeica, E., Giammaria, A., Porqueddu, M. en Van Spronsen, J. (2025), A new model to forecast energy inflation in the euro area, Working Paper Series, nr. 3062, ECB. Dit model werd gebruikt om een scenario van aanhoudend hoge raffinagemarges voor benzine en diesel te evalueren. Deze alternatieve benadering bevestigde in grote lijnen de herijking van elasticiteiten in het belangrijkste projectiemodel (ECB-BASE) voor de scenario’s van juni 2026. De huidige exercitie handhaaft derhalve de voorheen gebruikte sterkte van de doorwerking van de energieprijzen in de HICP-energie-inflatie.
De indirecte effecten van de doorwerking van de prijzen van energiegrondstoffen in de prijzen van voedingsmiddelen zijn getoetst aan een versie van het Bernanke-en-Blanchard-model (BBEA) voor het eurogebied (zie voetnoot 21) en een lokale projectie. Beide komen op basis van historische patronen uit op een iets kleinere elasticiteit dan in het milde scenario met het ECB-BASE-model is gebruikt. Voor de huidige simulaties zijn de parameters voor deze doorwerking verlaagd, evenredig voor alle scenario’s, zodat de reactie in het milde scenario in het ECB-BASE-model overeenstemt met de gemiddelde reactie van het BBEA-model en het lokale projectiemodel.
Tijdens de coronapandemie is het wereldwijde luchtvervoer met 50% gedaald. Hoewel een vergelijkbare afname als gevolg van de huidige schok minder waarschijnlijk is, wijst de gevoeligheidsanalyse op de kwetsbaarheid voor een dergelijke ‘staartgebeurtenis’.
-
10 September 2026













