PERSBERICHT

De ECB publiceert haar Convergentieverslag 2016

7 juni 2016
  • In de periode waarin de meest recente uitbreidingen van de EU plaatsvonden, hebben veel landen aanzienlijke vooruitgang geboekt op de weg naar deelname aan de Economische en Monetaire Unie (EMU)
  • De zeven onderzochte landen voldoen aan de meeste kwantitatieve economische criteria, maar geen enkel land voldoet aan alle in het Verdrag vastgelegde verplichtingen, waaronder de verplichtingen voor juridische convergentie
  • Duurzame convergentie is noodzakelijk voor een succesvolle overgang op de euro

De Europese Centrale Bank (ECB) publiceert vandaag haar Convergentieverslag 2016, dat betrekking heeft op Bulgarije, Tsjechië, Kroatië, Hongarije, Polen, Roemenië en Zweden. In het Verslag wordt onderzocht of in deze landen een hoge mate van duurzame convergentie (economische convergentie) is bereikt, en wordt beoordeeld of wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor de nationale centrale banken om een integrerend deel uit te kunnen maken van het Eurosysteem (juridische convergentie). Tevens wordt bij het beoordelen van de duurzaamheid van de convergentie rekening gehouden met het verbeterde kader voor economisch bestuur van de EU (bijv. het Stabiliteits- en Groeipact en de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden).

Economische convergentie

De verschillen in inflatie tussen landen zijn aanzienlijk afgenomen, wat aantoont dat er in het recente verleden vooruitgang is geboekt op de weg naar convergentie. Gedurende de twaalfmaands referentieperiode van mei 2015 tot en met april 2016 was de inflatie in de EU zeer laag, vooral als gevolg van de aanzienlijke olieprijsdaling. Dit kwam tot uitdrukking in de referentiewaarde van 0,7% voor het prijsstabiliteitscriterium, waaraan zes van de zeven landen gedurende de referentieperiode voldeden. Hoewel de inflatie naar verwachting de komende jaren in een gematigd tempo zal stijgen, is er op de langere termijn reden tot bezorgdheid over de duurzaamheid van de inflatieconvergentie in verschillende van de beoordeelde landen.

Er is ook een zekere verbetering zichtbaar wat betreft de begrotingscriteria. In 2015 boekten zes van de onderzochte landen een begrotingstekort/bbp-ratio die lager lag dan de referentiewaarde van 3% van het bbp; de uitzondering was Kroatië, dat nog steeds aan een buitensporigtekortprocedure onderworpen is. Dit staat in tegenstelling tot 2013, toen Tsjechië en Polen ook aan zo’n procedure onderworpen waren. Wat de overheidsschuld betreft, waren Kroatië en Hongarije de enige landen met een schuldquote boven de referentiewaarde van 60%. In Kroatië is de schuldquote sinds 2013 toegenomen, terwijl deze in Hongarije licht is gedaald.

Geen van de onderzochte landen neemt deel aan het wisselkoersmechanisme (ERM II). In Zweden, Hongarije, Polen en Roemenië vertoonde de wisselkoers gedurende de referentieperiode van twee jaar een relatief hoge mate van volatiliteit.

Wat de convergentie van de lange rente betreft, lieten alle zeven onderzochte landen, net zoals in het verslag van 2014, een lange rente optekenen die onder de referentiewaarde van 4% lag. De lange rente was het laagst in Tsjechië en Zweden.

Het op een bepaald tijdstip aan de numerieke convergentiecriteria voldoen vormt, op zich, geen garantie voor een soepele toetreding tot de EMU. Landen die op de euro overgaan, moeten de duurzaamheid van hun convergentieprocessen kunnen aantonen. Dit vereist duurzame beleidsaanpassingen in vele van de onderzochte landen. Met name de doorgevoerde verbeteringen met betrekking tot de begrotingscriteria moeten voor de langere termijn worden geborgd. Er dient sprake te zijn van toereikend begrotings- en macroprudentieel beleid om het opkomen van onevenwichtigheden te voorkomen, in combinatie met een passend kader voor het toezicht op financiële instellingen. Structurele hervormingen moeten zich richten op het tot stand brengen van solide instellingen en goed economisch bestuur, waardoor gunstige voorwaarden worden gecreëerd voor, onder meer, een efficiënt gebruik van kapitaal en arbeid, en voor flexibele arbeids- en productenmarkten.

Juridische convergentie

In geen van de zeven onderzochte landen voldoet het juridisch kader volledig aan alle vereisten voor de overgang op de euro. Er blijven onverenigbaarheden bestaan ten aanzien van de onafhankelijkheid van de centrale bank, met name de institutionele en financiële onafhankelijkheid van de centrale banken, alsmede de personele onafhankelijkheid. Daarnaast is er in alle onderzochte landen, met uitzondering van Kroatië, sprake van onverenigbaarheden ten aanzien van het verbod op monetaire financiering en de juridische integratie van de respectieve nationale centrale banken in het Eurosysteem.

De media kunnen met hun vragen terecht bij Eszter Miltényi-Torstensson, tel.: +49 69 1344 8034.

Aan de redactie:

Met dit verslag voldoet de ECB aan het in artikel 140 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie genoemde vereiste om aan de EU-Raad ten minste eens in de twee jaar of op verzoek van een lidstaat met een derogatie verslag uit te brengen “over de vooruitgang die door de onder een derogatie vallende lidstaten is geboekt bij de nakoming van hun verplichtingen met het oog op de totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie”.

Contactpersonen voor de media