Afscheidsrede

Toespraak van Mario Draghi, president van de ECB, tijdens het evenement ter gelegenheid van zijn afscheid

Frankfurt am Main, 28 oktober 2019

Dit jaar bestaat de monetaire unie twee decennia, wat in alle opzichten een gedenkwaardig jubileum is. Niet zo lang geleden kampte de economie van het eurogebied met het wellicht hoogste werkloosheidspeil sinds de Grote Depressie en werden fundamentele vragen gesteld bij het overleven van de euro. Vandaag zijn er elf miljoen meer mensen aan het werk. Het vertrouwen van het publiek in de euro staat op het hoogste peil ooit. Beleidsmakers in heel het eurogebied bevestigen dat de euro onomkeerbaar is.

Toch zie ik vandaag meer als een gelegenheid tot reflectie dan om te vieren.

De euro is een bij uitstek politiek project, een fundamentele stap in de richting van meer politieke integratie, die een economische rechtvaardiging vond in de bedenkelijke staat van de Europese economieën in het midden van de jaren tachtig. De werkloosheid was gestegen van 2,6% in 1973 tot 9,2% in 1985 en de groei was aanzienlijk vertraagd in de twaalf landen die samen het eurogebied zouden vormen.

De visionaire leiders van die tijd zagen echter dat Europa over een sterke troef beschikte om de groei te verhogen, namelijk hun gemeenschappelijke markt omvormen tot een interne markt.  Door de bestaande belemmeringen voor handel en investeringen weg te nemen, kon de afname van het economische potentieel worden teruggedraaid en konden opnieuw meer mensen werk vinden.

De interne markt was echter altijd meer dan dat. Ze moest ook de mensen beschermen tegen een aantal kosten van de veranderingen die onvermijdelijk zouden optreden. Anders dan bij het bredere proces van mondialisering, stelde de interne markt Europa in staat zijn waarden op te leggen aan de economische integratie – een markt te creëren die zo vrij en eerlijk mogelijk was. Gemeenschappelijke regels zouden vertrouwen creëren tussen de landen, de zwakkeren verhaal geven tegen de sterkeren en bescherming bieden voor de werkenden.

De interne markt was in dit opzicht een gedurfde poging om de mondialisering in goede banen te leiden. Ze koppelde concurrentie aan een nergens anders ter wereld bestaand niveau van consumenten- en sociale bescherming.

Er was echter één soort oneerlijke praktijk die de interne markt niet kon verhinderen, namelijk devaluaties om de concurrentiepositie te versterken. Dat vooruitzicht zou het wederzijdse vertrouwen ondermijnen dat cruciaal was voor het overleven van de interne markt en voor de voortzetting van het project van ruimere politieke integratie.

Vrij zwevende valuta’s waren dan ook geen optie, en vaste wisselkoersen zouden niet werken, aangezien het kapitaal in Europa mobieler werd, zoals de ERM-crisis in 1992-1993 had aangetoond.

Het antwoord hierop was de invoering van een eenheidsmunt: één markt met één munt.

Deze constructie is in ruime mate succesvol geweest: de inkomens in het hele continent zijn aanzienlijk toegenomen, de integratie en de waardeketens hebben zich ontwikkeld in een 20 jaar geleden ondenkbaar geacht tempo en de interne markt is de zwaarste crisis sinds de jaren dertig ongeschonden doorgekomen.[1]

De afgelopen 20 jaar hebben ons echter twee cruciale lessen geleerd voor een succesvolle monetaire unie.

De eerste heeft betrekking op het monetair beleid.

Toen de ECB werd opgericht, was haar belangrijkste zorg de inflatie laag te houden. De ECB was een nieuwe centrale bank die haar sporen nog moest verdienen. Het beleidskader was dan ook uitdrukkelijk ontworpen om een sterke reputatie als inflatiebestrijder op te bouwen. Dat doel werd snel bereikt en het is de enorme verdienste van de eerste leiders van de ECB dat het eerste decennium zo soepel verliep.

Niemand had echter kunnen voorzien dat het klimaat waarin het monetair beleid wereldwijd opereert, snel en abrupt zou omslaan, namelijk dat de inflatoire krachten zouden plaats maken voor deflatoire.

In alle geavanceerde economieën moesten de centrale banken op zoek naar een nieuwe strategie, met twee belangrijke pijlers: deflatie even vastberaden bestrijden als inflatie en flexibiliteit bij de keuze van de instrumenten daarvoor.

In ons geval heeft de ECB bewezen dat ze de monetaire stabiliteit niet laat bedreigen door ongefundeerde angst over de toekomst van de euro. Ze heeft aangetoond dat ze neerwaartse risico’s voor de prijsstabiliteit even krachtig zal bestrijden als opwaartse. En ze heeft duidelijk gemaakt dat ze alle instrumenten binnen haar mandaat zal gebruiken om haar opdracht uit te voeren, zonder ooit de grenzen van de wet te overschrijden.

Het Europees Hof van Justitie heeft de wettelijkheid van onze maatregelen bekrachtigd, en het heeft de ruime discretionaire bevoegdheid van de ECB bevestigd om al haar instrumenten op een noodzakelijke en evenredige manier in te zetten om haar doel te bereiken.

Dit oordeel was van cruciaal belang, omdat het de kern raakte van de centrale bank die de ECB geworden is, en die de meeste mensen in Europa willen zien: een moderne centrale bank die al haar instrumenten kan inzetten om het hoofd te bieden aan de uitdagingen waarmee ze te maken krijgt, en een echte federale instelling die handelt in het belang van het hele eurogebied.[2]

De tweede les betreft de institutionele opbouw van de EMU.

Het eurogebied steunt op het principe van ‘monetaire dominantie’, dat bepaalt dat het monetair beleid voluit de aandacht richt op prijsstabiliteit en nooit ondergeschikt mag zijn aan het begrotingsbeleid. ‘Monetaire dominantie’ sluit communicatie met de overheden niet uit, als duidelijk is dat onderling op elkaar afgestemde maatregelen een snellere terugkeer naar prijsstabiliteit zouden opleveren. Dit betekent dat maatregelen indien nodig op elkaar kunnen worden afgestemd, maar alleen ten dienste van de monetaire stabiliteit en niet te koste ervan.[3]

Vandaag bevinden we ons in een situatie waarin lage rentetarieven niet dezelfde stimulans opleveren als vroeger, omdat het rendement op investeringen in de economie is gedaald. Het monetair beleid kan zijn doel nog steeds bereiken, maar dat lukt sneller en met minder neveneffecten als het begrotingsbeleid erop wordt afgestemd.

Daarom heeft de ECB sinds 2014 geleidelijk meer de nadruk gelegd op de macro-economische beleidsmix in het eurogebied.[4] Een actiever begrotingsbeleid in het eurogebied zou het mogelijk maken onze maatregelen sneller aan te passen en zou tot hogere rentetarieven leiden.

In onze monetaire unie speelt het beleid van de lidstaten de belangrijkste rol bij de begrotingsstabilisatie – veel meer dan dat van de deelstaten in de VS. Maar het nationale beleid kan niet altijd borg staan voor de juiste begrotingskoers voor het eurogebied als geheel. De coördinatie van een gedecentraliseerd begrotingsbeleid is van nature complex. En een ongecoördineerd beleid schiet tekort, omdat de overloopeffecten van een budgettaire verruiming naar andere landen relatief gering zijn.

Daarom hebben we een begrotingscapaciteit voor het eurogebied nodig met een gepaste omvang en een doordacht ontwerp: groot genoeg om de monetaire unie te stabiliseren, maar zo ontworpen dat er geen buitensporige moral hazard ontstaat.

Er bestaat geen perfecte oplossing. Wanneer risico’s worden gedeeld, kan moral hazard nooit tot nul worden teruggebracht, maar door het juiste ontwerp kan dit gevaar wel sterk worden beperkt. Tegelijkertijd moeten we erkennen dat de risico’s kunnen worden verminderd door ze te delen.

Het opbouwen van een kapitaalmarktenunie, die zou leiden tot een grotere risicodeling in de private sector, zou de door een centrale begrotingscapaciteit te beheren risico's aanzienlijk verminderen. En een centrale begrotingscapaciteit zou op haar beurt de risico’s voor de gehele unie verminderen daar waar nationaal beleid tekortschiet.

In andere regio’s waar het begrotingsbeleid sinds de crisis een grotere rol heeft gespeeld, hebben we gezien dat het herstel eerder is begonnen en dat de terugkeer naar prijsstabiliteit sneller is verlopen. De VS hadden van 2009 tot 2018 een tekort van gemiddeld 3,6%, terwijl het eurogebied een overschot had van 0,5%.[5]

Met andere woorden, de VS hebben een kapitaalmarktenunie gehad en daarnaast een anticyclisch begrotingsbeleid gevoerd. Het eurogebied beschikte niet over een kapitaalmarktenunie en voerde een procyclisch begrotingsbeleid.

De weg naar een begrotingscapaciteit zal waarschijnlijk lang zijn. Uit de geschiedenis blijkt dat begrotingen zelden zijn gecreëerd om het algemene doel van stabilisatie te dienen, maar veeleer om specifieke doelstellingen in het algemeen belang te verwezenlijken. In de VS was het de noodzaak om de Grote Depressie te overwinnen die in de jaren dertig leidde tot de uitbreiding van de federale begroting. Voor Europa geldt dat er wellicht een dringende reden nodig is om een dergelijke collectieve aanpak te bewerkstelligen, zoals het beperken van de klimaatverandering.

Welke weg ook wordt gevolgd, het is duidelijk dat de tijd nu rijp is voor meer Europa, niet minder. Ik bedoel dit niet op een axiomatische wijze, maar in de meest sprekende traditie van het federalisme. Op terreinen waar nationaal beleid het beste resultaat oplevert, is er geen aanleiding tot verandering. Maar bij onderwerpen waar we de gerechtvaardigde zorgen van het publiek alleen kunnen wegnemen door samen te werken, moeten we Europa sterker maken.

Alleen door samen te werken kunnen we als Europeanen in een geglobaliseerde wereld een echte soevereiniteit bereiken die beantwoordt aan de behoeften van de burgers op het gebied van veiligheid en welvaart.[6] Bondskanselier Merkel heeft dat als volgt uitgedrukt: “wij Europanen moeten ons lot in eigen hand nemen, willen we als gemeenschap overleven”.[7]

Door samen te werken kunnen we onze belangen in de wereldeconomie beschermen, de druk van buitenlandse mogendheden weerstaan, invloed uitoefenen zodat wereldwijde regels onze normen weerspiegelen, en onze waarden aan mondiale bedrijven opleggen. Niets daarvan kan in dezelfde mate worden bereikt door landen die alleen handelen. In een geglobaliseerde wereld is het delen van soevereiniteit juist een manier om soevereiniteit te herwinnen.

Willen we effectief zijn, dan moeten we uitoefenen wat president Macron ‘Europese soevereiniteit’[8] heeft genoemd. Dat we dit onder ogen zien, betekent overigens niet dat we vandaag al over de politieke infrastructuur beschikken. We worden ons echter snel bewust van de noodzaak van zo’n infrastructuur.

Dit zagen we bij de jongste verkiezingen voor het Europees Parlement, wellicht de eerste verkiezingen waarbij vooral Europese onderwerpen een rol speelden. Zelfs degenen die de Europese integratie trachtten te vertragen, hebben dat gedaan door de instellingen van de EU te betwisten, niet door hun legitimiteit zonder meer af te wijzen.

Dit is slechts een begin, maar het wijst erop dat onze unie zich in de goede richting beweegt. Ik ben ervan overtuigd dat ze dit zal blijven doen, omdat het uiteindelijk het eigenbelang van de afzonderlijke landen is dat ons toekomstige pad bepaalt naar Europese soevereiniteit.

De acties van veel geëngageerde Europeanen, zowel op nationaal als op EU-niveau, hebben ons geholpen om dit punt te bereiken. Er zijn drie groepen die ik in dit verband wil benoemen.

Ten eerste de medewerkers van de ECB en de nationale centrale banken.

Tijdens de crisis waren er tal van momenten waarop de ECB zich in volledig onbekende wateren begaf. We hadden te maken met een onvoorstelbaar complexe economische situatie, waarbij nieuwe uitdagingen zich aandienden zodra aan oude het hoofd was geboden.

Deze jaren waren voor u en uw gezinnen intens. Maar dankzij uw toewijding, het succes van de door u ontworpen maatregelen en de deskundigheid die u bij de uitvoering van deze maatregelen binnen het Eurosysteem heeft getoond, kunt u met trots op deze jaren terug blijven kijken.

Dit beleid is nu beschikbaar voor alle toekomstige beleidsmakers die soortgelijke uitdagingen moeten aangaan. Dit is een erfenis waarop alle medewerkers van het Eurosysteem trots mogen zijn. Ik wil mijn dank uitspreken voor al uw buitengewone inspanningen. Tijdens deze ongekende tijd heeft u de ECB echt gediend, en daarmee de Europese burgers.

De tweede groep waarop ik de aandacht wil vestigen, zijn mijn collega’s in de directie en de Raad van Bestuur, zowel in het verleden als in het heden. In de afgelopen acht jaar heeft u in buitengewone omstandigheden tot een reeks van maatregelen besloten. Het fundament van deze besluiten was uw vastberaden en onvoorwaardelijke commitment voor ons mandaat.

U heeft onwrikbaar vastgehouden aan de vervulling van onze opdracht binnen de grenzen van ons mandaat, en mislukking nooit geaccepteerd. U kunt tevreden terugkijken op wat u onder zeer moeilijke omstandigheden heeft bereikt, in de wetenschap dat u de welvaart van veel mensen heeft verbeterd.

Wat de Raad van Bestuur verenigt, is altijd sterker geweest dan wat de Raad zou kunnen scheiden – en dat blijft zo. We hebben allemaal dezelfde toewijding aan ons mandaat en dezelfde passie voor Europa. Ik vertrouw erop dat de ECB en Europa in de komende jaren op deze gemeenschappelijke overtuiging kunnen blijven rekenen.

De derde groep bestaat uit de Europese leiders.

We moesten maatregelen treffen die soms op het eerste oog omstreden leken en waarvan de voordelen pas langzaam zichtbaar werden. Onze vastberadenheid is nooit aangetast, omdat ze gebaseerd was op het grondige werk van onze medewerkers, gevoed werd door empathie voor de mensen die leden onder de crisis, en versterkt werd door de overtuiging dat het beleid hun situatie zou verbeteren.

Vooral in onze muntunie van meerdere landen vroeg die tijd om politieke leiders die bereid waren ons monetair beleid vanuit Europees in plaats van nationaal perspectief te beoordelen en dit aan de eigen bevolking uit te leggen, wat cruciaal was om onze onafhankelijkheid te beschermen.

Ik ben dankbaar dat we in Europa dergelijke leiders hebben gehad, en dat we tijdens de hele crisis op uw steun en aanmoediging konden rekenen.

President Macron, president Mattarella, bondskanselier Merkel: u heeft ons steevast gesteund in de Europese Raad en in mondiale forums, toen andere belangrijke centrale banken onder steeds grotere politieke druk kwamen te staan. U heeft zich krachtig verzet tegen illiberale stemmen die wilden dat we de Europese integratie de rug zouden toekeren.

En op cruciale momenten heeft u de actie ondernomen die nodig was om de euro en ons erfgoed te beschermen: een verenigd, vreedzaam en welvarend Europa.

Het moment is aangebroken om plaats te maken voor Christine Lagarde. Ik ben vol vertrouwen dat u een voortreffelijk leider van de ECB zult zijn.

Mijn doelstelling is altijd geweest om, in alle onafhankelijkheid, het in het Verdrag vastgelegde mandaat te vervullen, bij een instelling die zich heeft ontwikkeld tot een moderne centrale bank die in staat is elke uitdaging aan te gaan.

Het is een groot voorrecht en een grote eer geweest om dit te mogen doen.

Ik dank u.

[1]Zie de toespraak van Mario Draghi “Europe and the euro 20 years on”, bij de aanvaarding van het eredoctoraat in de economie van de universiteit van Sant’Anna, Pisa, 15 december 2018.
[2]Zie de toespraak van Mario Draghi “Twenty Years of the ECB’s monetary policy”, bij het ECB Forum on Central Banking, Sintra, 18 juni 2019.
[3] Toespraak van Mario Draghi ”Policymaking, responsibility and uncertainty”, bij de aanvaarding van het eredoctoraat van de Università Cattolica, 11 oktober 2019.
[4] Zie de toespraak van Mario Draghi “Unemployment in the euro area”, bij het jaarlijks symposium van centrale bankiers in Jackson Hole, 22 augustus 2014.
[5]Gemiddeld conjunctuurgezuiverd primair saldo als percentage van het potentiële bbp.
[6]Zie de toespraak van Mario Draghi “Sovereignty in a globalised world”, ter gelegenheid van de aanvaarding van het eredoctoraat in de rechten van de Università degli Studi di Bologna, Bologna, 22 februari 2019.
[7]Toespraak van bondskanselier Angela Merkel tot het Europees Parlement, Straatsburg, 13 november 2018.
[8]Toespraak van president Emmanuel Macron tot het Europees Parlement, Straatsburg, 17 april 2018.

Speaking engagements

Contactpersonen voor de media