Banking Supervision
Nederlands
Other languages4 +
Menu

Het herstel in het eurogebied – stand van zaken en vooruitzichten

Toespraak door Mario Draghi, President van de ECB,
voor het European Banking Congress, Frankfurt, 18 november 2016

Het jaar 2016 is sinds het uitbreken van de mondiale financiële crisis het eerste volledige jaar geweest waarin het bbp in het eurogebied boven het niveau van vóór de financiële crisis heeft gelegen. Het heeft ongeveer 7,5 jaar genomen om daar te komen.

De economie herstelt zich momenteel in een matig, maar gestaag tempo. De werkgelegenheid is sinds het dieptepunt van 2013 met meer dan vier miljoen toegenomen. En het herstel wordt inmiddels breder gedragen, met minder verschillen in de economische prestaties tussen landen.

Wat we ons nu moeten afvragen, is welke factoren ervoor hebben gezorgd dat het herstel op stoom is gekomen, en of we nu reden hebben om te denken dat deze factoren toereikend zijn om een aanhoudende verandering in het beloop van de inflatie teweeg te brengen.

We hebben vele bemoedigende ontwikkelingen waargenomen, niet in de laatste plaats het herstel van de banksector in het eurogebied, die een terugkeer naar positieve groei van de kredietverlening en een versterking van de monetairbeleidstransmissie mogelijk heeft gemaakt. Dit is een noodzakelijke voorwaarde voor een volledige terugkeer naar macro-economische en prijsstabiliteit.

Maar ondanks de opwaartse invloed die de geleidelijke afname van de output gap op de prijzen uitoefent, is een aanhoudende verandering in het inflatiebeloop nog steeds afhankelijk van de voortzetting van de huidige, buitengewone financieringscondities. Daarom blijven wij gecommitteerd aan het handhaven van de zeer aanzienlijke mate van monetaire accommodatie, die noodzakelijk is om een duurzame convergentie van de inflatie zeker te stellen naar een niveau onder maar dicht bij 2% op de middellange termijn.

Wat ik in het vervolg van mijn toespraak wil doen, is een toelichting geven op deze perspectieven – de factoren die de economie in het eurogebied een steviger basis hebben gegeven, maar ook de redenen waarom we waakzaam moeten blijven.

Nieuwe factoren die de economie in het eurogebied versterken

De eerste ontwikkeling die ons positief stemt, is de verbetering van de solvabiliteit van de banksector.

We hebben een sterke banksector nodig om de economie gedurende de herstelperiode te ondersteunen. Maar als er één les is die we uit de afgelopen tien jaar kunnen trekken, dan is die wel dat goede regulering een voorwaarde is voor een echt stevige banksector. Sterker nog, de buitensporige deregulering van de financiële sector in de voorafgaande twintig jaar wordt algemeen beschouwd als een van de belangrijkste oorzaken van de mondiale financiële crisis.

De financiële oorsprong van de crisis verklaart op zijn beurt de traagheid van het economisch herstel. Banken die in de groeiperiode te veel leningen verstrekt hadden, moesten hun balans opschonen en hun kapitaalpositie versterken. Bedrijven en huishoudens die zich in te hoge schulden hadden gestoken, moesten deze afbouwen. En die combinatie drukte zowel het aanbod van als de vraag naar krediet.

De herregulering van de financiële sector is dus eigenlijk een onderdeel van de agenda voor groei. En er is inmiddels grote vooruitgang geboekt bij het rechtzetten van de fouten die zijn gemaakt in het tijdperk dat aan de crisis voorafging.

Dankzij de mondiale regelgevende agenda, aangespoord door de G-20, is de sector aanzienlijk robuuster geworden wat betreft kapitaal, schuldniveau, financiering en het nemen van risico's. De tier 1-kernkapitaal (CET1)-ratio's in het eurogebied zijn aanzienlijk verbeterd, met een stijging van minder dan 7% voor belangrijke bankconcerns in 2008 naar meer dan 14% op dit moment. De hefboomratio's van de grote banken benaderen momenteel de 4%. Vorig jaar werd de liquiditeitsdekkingsratio (LCR) ingevoerd, en de meeste banken in het eurogebied voldoen momenteel al aan de nettostabielefinancieringsratio (NSFR), d.w.z. vooruitlopend op de invoering ervan in 2018.

Het is waar dat deze regelgevende agenda, die qua opzet in de afgelopen acht jaar een sterke ontwikkeling heeft doorgemaakt, mogelijk ook enkele onzekerheden heeft gecreëerd, bijvoorbeeld over de kapitaalniveaus in een stabiele toestand, die ook tot uitdrukking komen in de koersen van bankaandelen. Onzekerheid over toekomstige kapitaalvereisten kan inderdaad aanleiding geven tot een risicopremie, die de financieringskosten van banken onder druk zet en banken kan afschrikken om activiteiten uit te breiden of krediet aan de economie te verstrekken.

Nu is dus het moment om de regelgevende agenda af te ronden en een periode van stabiliteit tegemoet te gaan. De nadruk moet op de tenuitvoerlegging liggen, niet op een nieuwe opzet. Regelgevende maatregelen moeten op zodanig evenwichtige wijze worden ingevoerd dat wereldwijd een gelijk speelveld wordt gewaarborgd. En hoewel marginale aanpassingen mogelijk zijn, moet we niet afdingen op wat is besloten.

De herregulering heeft geleid tot welkome verbeteringen in de solvabiliteit van banken. Ondertussen is de activakwaliteit ook verbeterd. Het aandeel van de niet-renderende leningen (NPL's) daalt in het eurogebied, zij het bescheiden. In dit verband heeft de alomvattende beoordeling van de bankbalansen – met inbegrip van een zeer diepgaande activakwaliteitsbeoordeling – een cruciale rol gespeeld. Hierdoor werden banken aangemoedigd hun balans zo spoedig mogelijk te versterken. Hoewel het NPL-niveau in een aantal landen hoog blijft, ligt het probleem op dit moment meer bij de winstgevendheid dan bij de stevigheid van de balansen, aangezien bijna 50% van de NPL’s door voorzieningen wordt gedekt en het restant grotendeels door onderpand wordt beschermd.

Al deze vooruitgang is hand in hand gegaan met een steeds stabieler economisch herstel. De veerkracht van de banksector heeft geholpen het herstel te beschermen tegen externe schokken en de interne stuwkracht vast te houden Het bankwezen is ook in staat geweest het hoofd te bieden aan onder meer de crisis in de opkomende markteconomieën, de instorting van olie- en grondstoffenprijzen en de gevolgen van het referendum in het Verenigd Koninkrijk. En deze gezondere banksector heeft gezorgd voor het kredietaanbod dat noodzakelijk was om het hersteltempo in stand te houden.

De versoepeling van de kredietaanbodcondities is tot uitdrukking gekomen in zowel de rente op krediet als het volume van de kredietverlening. Sinds medio 2014 is de rente op bankkrediet met bijna 100 basispunten gedaald voor zowel huishoudens als bedrijven in het eurogebied. De kleine en middelgrote ondernemingen hebben geprofiteerd van nog grotere dalingen. Na een aantal jaren van dalende kredietvolumes is de kredietverlening weer in de zwarte groeicijfers beland. Sinds eind 2014 geldt dit voor de kredieten aan huishoudens, en sinds het laatste kwartaal van 2015 voor de kredietverlening aan niet-financiële ondernemingen.

En de financieringscondities op de kapitaalmarkten zijn ook verbeterd, met als gevolg een herstel in de uitgifte van bedrijfsobligaties.

Deze opleving in de kredietverlening heeft op haar beurt steun gegeven aan een tweede positief kenmerk van het herstel: het feit dat de groei in toenemende mate afkomstig is uit binnenlandse bronnen.

De binnenlandse vraag heeft inmiddels de externe vraag vervangen als de belangrijkste katalysator van de groei. In de afgelopen twee jaar leverde de binnenlandse vraag gemiddeld meer dan een procentpunt extra bbp-groei op, waarbij deze steun kreeg van de zeer accommoderende financieringscondities. Hier staat tegenover dat de netto-uitvoer, die tijdens het grootste deel van de crisisperiode een belangrijke groeimotor was, door de verslechtering van het mondiale economische klimaat sinds eind 2013 nauwelijks aan de bbp-groei heeft bijgedragen.

Vanuit een inflatieperspectief is deze verschuiving in de groeisamenstelling van belang, aangezien het herstel in het eurogebied hierdoor minder kwetsbaar is voor externe schokken. De binnenlandse kracht heeft zelfs geholpen het eurogebied te beschermen tegen de recente mondiale zwakte, die het herstel anders had doen ontsporen – met in zijn kielzog, het verwachte herstel in het beloop van de inflatie.

Het binnenlandse beeld draagt ook bij aan een derde bemoedigende ontwikkeling: de sterke opleving van de werkgelegenheid. Deze is gestimuleerd door een opmerkelijke terugkeer van de relatie tussen het bbp en de werkgelegenheidsgroei in de afgelopen jaren.[1] De tijdelijke opleving in 2010-11, in de periode na de ondergang van Lehman, was eigenlijk een herstel zonder banengroei. Dankzij het huidige herstel is het werkloosheidspercentage echter gedaald van meer dan 12% in 2013 naar momenteel 10%. En, naast een lagere werkloosheid, is de totale beroepsbevolking in de afgelopen jaren ook toegenomen, als gevolg van groeiende arbeidsparticipatie.[2]

Een snellere terugkeer naar volledige werkgelegenheid – of wat economen de evenwichtswerkloosheid (“non-accelerating inflation rate of unemployment”) noemen – geeft duidelijk steun aan de prijsstabiliteit, aangezien deze een krappere arbeidsmarkt en sterkere loondruk inluidt. En hoewel die druk misschien enigszins wordt tenietgedaan door een toenemend aantal mensen dat als gevolg van het aantrekkende herstel tot de beroepsbevolking toetreedt, zal een groter arbeidspotentieel uiteindelijk steun geven aan zowel het aanbod – door verhoging van de potentiële groei – als de vraag.

Bij aantrekkende arbeidsmarktvooruitzichten hebben bestaande werknemers meer zekerheid over hun inkomstenvooruitzichten, waardoor ze hun uitgavenvoornemens met meer vertrouwen kunnen realiseren; en nieuwe werknemers kunnen enkele van de uitgaven doen die ze in verband met hun werkloosheid hadden uitgesteld. De elasticiteit van de totale consumptie ten opzichte van de nieuwe indienstnemingen is bijzonder groot. Als zodanig zijn deze arbeidsmarkontwikkelingen een belangrijke factor bij het in stand houden van de groei- en inflatiedynamiek in een klimaat waarin de wereldwijde vraag mogelijk een minder betrouwbare groeimotor wordt.

Factoren die nopen tot voorzichtigheid

Wij hebben daarom alle reden om meer vertrouwen te hebben in de kracht van het herstel dan we een jaar dan geleden hadden. Maar we kunnen niet al te optimistisch zijn over de economische vooruitzichten.

Naast de geopolitieke risico's die blijven bestaan, zijn er drie factoren die voorzichtigheid rechtvaardigen: de winstgevendheid van de banken in het eurogebied, de relatieve zwakte van de inflatiedynamiek, en de mate waarin het herstel afhankelijk is van het accommoderende monetair beleid.

Hoewel het bankstelsel van het eurogebied vandaag de dag beter bestand is tegen schokken, blijft de winstgevendheid een uitdaging – een die de koersen van bankaandelen drukt en de kosten voor banken wanneer zij kapitaal aantrekken, verhoogt. Er is zelfs sinds de financiële crisis van 2008 sprake van een negatief verschil tussen het rendement op het eigen vermogen van de banken in het eurogebied en hun kosten in verband met het eigen vermogen. Hoewel het niveau van de eigenvermogenskosten van banken op zich geen zaak is voor beleidsmakers, zou het toch, voor zover het de financieringskosten voor banken verhoogt, uiteindelijk de kredietverlening aan de reële economie kunnen beperken en het herstel kunnen remmen.

Een van de factoren die druk uitoefenen op de winstgevendheid is het klimaat van geringe groei en lage inflatie, dat zich vertaalt in lagere niveaus van de beleidsrentetarieven. Maar historische en structurele uitdagingen spelen eveneens een rol, en banken en beleidsmakers kunnen en moeten daar een antwoord op vinden.

In die gevallen waarin de in het verleden opgebouwde portefeuille niet-renderende leningen de winstgevendheid drukt, is het van essentieel belang een klimaat te creëren waarin de afwikkeling van slechte leningen kan worden versneld. En in die gevallen waarin de winstgevendheid wordt getroffen door structurele kwesties, zoals overcapaciteit en ondoelmatige kostenstructuren, moeten rationalisatie en consolidatie deel van de oplossing vormen. Overigens: dergelijke ondoelmatigheden zijn door het klimaat van lage rentetarieven aan het licht gebracht, maar zijn er zeker niet door veroorzaakt.

Een tweede reden om waakzaam te blijven is dat, ondanks het herstel van de groei en werkgelegenheid, de hardnekkige output gap de inflatiedynamiek nog steeds zwak houdt. In oktober stond de inflatie op 0,5%. Hoewel dit het hoogste niveau in bijna twee jaar is, blijft dit ver onder de doelstelling van de ECB. En hoewel wij verwachten dat de totale inflatie de komende maanden zal blijven stijgen, zal deze toename voor een groot deel voortvloeien uit statistische factoren die verband houden met het automatisch uitgewerkt raken van de extreme dalingen van de olieprijs een jaar geleden. Wij zien nog geen doorzettende versterking van de onderliggende prijsdynamiek.

Onze doelstelling is – en zal dat blijven – een inflatiepercentage onder maar dicht bij 2% op de middellange termijn. In de toekomst zal onze beoordeling afhangen van of wij bewijs zien van een aanhoudende verandering in het beloop van de inflatie in de richting van die doelstelling. En dat betekent dat de inflatieconvergentie naar 2% duurzaam is, zelfs bij een vermindering van de monetaire accommodatie. Eenvoudiger gezegd: de inflatiedynamiek dient op eigen benen te kunnen staan.

En dit brengt mij op de derde factor die vraagt om voorzichtigheid ten aanzien van de vooruitzichten: het feit dat het herstel in het eurogebied nog steeds in aanzienlijke mate afhangt van accommoderend monetair beleid. Het herstel in de kredietverlening wordt ondersteund door een schokbestendiger banksector, maar de impuls wordt gegeven door ons monetair beleid.

Onze maatregelen en hun doeltreffende doorwerking ondersteunen onze vooruitzichten voor de groei en de inflatie. Op grond van ramingen door medewerkers zullen onze maatregelen de inflatie gedurende 2016 en 2017 met gemiddeld meer dan een half procentpunt doen stijgen. En deze maatregelen zullen tussen 2015 en 2018 bijdragen aan een cumulatieve toename van de reële bbp-groei van het eurogebied met meer dan anderhalf procentpunt. Met andere woorden, het monetair beleid blijft een essentieel ingrediënt van het reflatiescenario dat wij de komende jaren voor het eurogebied voorzien.

Conclusie

Dus zelfs al is er sprake van vele bemoedigende trends in de economie van het eurogebied, het herstel blijft in hoge mate afhangen van een constellatie van financieringscondities die op hun beurt afhangen van aanhoudende monetaire ondersteuning. De ECB zal zo nodig blijven handelen door gebruik te maken van alle binnen ons mandaat beschikbare instrumenten om te zorgen voor een aanhoudende convergentie van de inflatie naar een niveau van onder maar dicht bij 2%.

Wij dienen ook te erkennen dat wij opereren in een klimaat van nog steeds aanzienlijke onzekerheid. Of het economisch herstel steviger wordt, en hoe snel de inflatiedynamiek meer op eigen benen komt te staan, hangt niet alleen af van de huidige monetairbeleidskoers maar ook van ander beleid, zoals ik bij diverse andere gelegenheden heb besproken. Het terugbrengen van een duidelijke richting – en daardoor vertrouwen – zou de eenvoudigste en toch krachtigste wijze zijn om een economische stimulans te geven.



[1]Zie voor meer informatie het artikel getiteld “The employment-GDP relationship since the crisis” in het ECB Economic Bulletin, Issue 6/2016.

[2]Zie voor meer informatie het kader getiteld “Recent developments in the labour force participation rate in the euro area” in het ECB Economic Bulletin, Issue 1/2015.

Speaking engagements

Contactpersonen voor de media