De euro en een dynamisch Europa

Toespraak gehouden door Dr. Willem F. Duisenberg, President van de Europese Centrale Bank, ter gelegenheid van een conferentie georganiseerd door VNO-NCW in Scheveningen, Nederland, op 5 november 1999

1. Inleiding

Majesteit, Dames en Heren,

Het is mij een groot genoegen vandaag hier in Scheveningen te zijn, en ik feliciteer VNO-NCW met zijn honderdste verjaardag. Ik heb minder fitte honderdjarigen gezien. Tevens dank ik de heer Blankert voor de plezierige samenwerking met hem in mijn vorige functie. Zijn opvolger, de heer Schraven, wens ik alle succes.

De euro is sinds 1 januari 1999 werkelijkheid. Zoals u weet, kende het eurogebied aan het begin van dit jaar een vertraging in de economische groei. Gelukkig is op dit moment het herstel breed op gang gekomen. De uitdaging voor beleidsmakers, maar ook voor ondernemers zoals velen van u, is nu om ervoor te zorgen dat het conjuncturele herstel het begin is van een lange periode met hoge groei zonder inflatie. Als het gaat over de Amerikaanse economie, wordt veel gediscussieerd over de vraag of deze een tijdperk van een ,,Nieuwe Economie" is ingegaan. De groei zou duurzaam hoger zijn dan in het verleden, inflatie verleden tijd, terwijl economische fluctuaties veel gedempter dan vroeger zouden zijn. De oorzaak van dit alles zouden de stormachtige ontwikkelingen in de informatietechnologie zijn. Wat hier voor de Verenigde Staten ook van moge zijn, voor Europa is de ,,Nieuwe Economie", zeker macro-economisch, meer een doel dan realiteit. Dat geldt ook voor landen in het eurogebied, zoals Nederland, die het relatief goed doen. De groei is hoog, maar dat kan (nog) niet van de productiviteitsstijgingen worden gezegd. De inflatie is aan de hoge kant, vooral relatief, en de theorieboeken over de conjunctuur kunnen niet definitief in de kast worden gezet.

Terug naar het eurogebied als geheel. Het hoge niveau van de werkloosheid is het grootste economische probleem in de meeste landen van het eurogebied. In de EMU-Lidstaten zoeken op het ogenblik naar schatting 13,1 miljoen mensen naar werk. Dit is ongeveer 10,2% van de beroepsbevolking, en dit getal omvat nog niet eens diegenen die het misschien hebben opgegeven naar een baan te zoeken of die dat nooit hebben geprobeerd. De netto groei van de werkgelegenheid is over een langere periode niet voldoende geweest om een aanzienlijke en blijvende vermindering van de werkloosheid tot stand te brengen. Over de laatste 20-25 jaar bedroeg de economische groei gemiddeld 2 tot 2½%, niet bepaald indrukwekkend.

Toch wil ik niet somber zijn. Europa kan een dynamische economie worden. Wat daarvoor nodig is, is het volledig uitvoeren van inmiddels wel bekende recepten om van oude kwalen af te komen en oude fouten te vermijden. Dit kan de omstandigheden verbeteren voor ondernemers om werkelijk te ondernemen. Het beleid is voorwaardenscheppend, maar de echte groei moet komen van ondernemersactiviteiten. Of dat tot een ,,Nieuwe Economie" leidt, kunnen we dan op een volgend jubileum bespreken. Ik ga achtereenvolgens in op het monetaire beleid en het overige economische beleid dat nodig is om Europa de mogelijkheden te laten benutten die het zeker heeft.

2. De rol van het monetaire beleid: het handhaven van prijsstabiliteit

De euro is geen remedie voor alle Europese kwalen, en kan dat ook niet zijn. De invoering van de euro op zich zal het werkloosheidsprobleem niet oplossen en de groei niet automatisch verhogen. Het gemeenschappelijke monetaire beleid kan wel een solide basis vormen voor economische groei en werkgelegenheid, maar de mate waarin het economisch potentieel van de euro wordt verwezenlijkt hangt bovenal af van begeleidend, op stabiliteit gericht begrotingsbeleid en van passend arbeidsmarktbeleid. Laat ik beginnen met wat dieper in te gaan op de rol van het monetaire beleid.

Onder centrale bankiers en economen bestaat overweldigende eenstemmigheid dat er geen lange-termijn uitruil bestaat tussen de reële bedrijvigheid en inflatie. Pogingen om het monetair beleid te gebruiken om de reële bedrijvigheid boven haar houdbare niveau te brengen zullen op de lange termijn eenvoudigweg leiden tot steeds hogere inflatie, niet tot snellere economische groei. De beste bijdrage die het monetaire beleid kan leveren aan duurzame groei en werkgelegenheid in het eurogebied is het op geloofwaardige en duurzame wijze handhaven van prijsstabiliteit, om het daarmee mogelijk te maken de aanzienlijke voordelen van prijsstabiliteit over de middellange termijn te verwezenlijken.

Het wordt ook algemeen erkend dat het monetaire beleid op de korte termijn de reële bedrijvigheid wél beïnvloedt. Hoewel de aandacht altijd in de eerste plaats op prijsstabiliteit gericht dient te zijn, zal in vele gevallen de beleidsactie die nodig is om prijsstabiliteit te handhaven tevens de economische en werkgelegenheidsvooruitzichten op de korte termijn helpen verbeteren. Echter, in situaties waarin het monetaire beleid zich geconfronteerd zou zien met een uitruil, op de korte termijn, tussen negatieve ontwikkelingen in de reële bedrijvigheid en afwijkingen van prijsstabiliteit, moet de overheersende prioriteit voor het handhaven van prijsstabiliteit volstrekt duidelijk worden gemaakt. Iedere onduidelijkheid op dit punt zou alleen maar de geloofwaardigheid en dus de effectiviteit van de monetaire-beleidsreactie in gevaar brengen. De middellange-termijngerichtheid van de monetaire-beleidsstrategie van het Eurosysteem staat een geleidelijke en afgewogen reactie toe op bedreigingen voor prijsstabiliteit. Een dergelijke geleidelijke aanpak helpt te voorkomen dat er onnodige onzekerheid in de economie ontstaat.

3. Niet-monetair beleid: gericht op stabiliteit en hervorming

De volle voordelen van de gemeenschappelijke munt zullen alleen verkregen worden wanneer er passende steun is vanuit een veelheid van andere beleidsterreinen, bovenal nationaal begrotings- en arbeidsmarktbeleid, en wanneer structurele hervormingen worden doorgevoerd op deze terreinen. Prijsstabiliteit is een noodzakelijke, maar niet voldoende, voorwaarde alle kansen die de EMU biedt, te grijpen.

Welke rol kunnen nationale overheden nog spelen, nu het monetaire beleid is gecentraliseerd? Een heel belangrijke. Eén monetair beleid vraagt om variatie in ander beleid. Het is van het grootste belang dat nationale overheden volharden in de tenuitvoerlegging van een begrotingsbeleid dat zich richt op een begrotingspositie dicht bij evenwicht of zelfs van overschot, zoals bepaald in het Pact voor Stabiliteit en Groei. Als overheden in normale fasen van de conjunctuur begrotingsevenwicht verwezenlijken of een overschot boeken, creëren zij daarmee een veiligheidsmarge die voldoende is om de automatische stabilisatoren hun werk te laten doen in het geval van schommelingen in de groei, zonder het ontstaan van excessieve tekorten te riskeren. Bovendien zijn gezonde overheidsfinanciën van belang ter versterking van de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor de sterke en duurzame groei die nodig is om de werkgelegenheidsgroei te ondersteunen.

Structureel beleid is een ander essentieel terrein waarop nationale flexibiliteit nodig en een uniforme aanpak dodelijk is. Veel van de grote uitdagingen waarvoor de landen in het eurogebied zich nu gesteld zien, kunnen alleen worden aangepakt door middel van nationale beleidsinspanningen. Dit betreft in het bijzonder het hoge en hardnekkige niveau van de werkloosheid, dat terecht een bron van grote zorg is. Het moge duidelijk zijn, de benaderingen die het waarschijnlijkst een blijvend effect zullen sorteren zijn juist die maatregelen die zich richten op de wortels van het kwaad, niet op de symptomen. De hoofdoorzaken van de hoge en structurele werkloosheid in het eurogebied zijn zowel de structurele rigiditeiten in de arbeids- en goederenmarkten als het belasting- en inkomens-overdrachtbeleid van de overheid.

De situatie in de afzonderlijke arbeidsmarkten van het eurogebied verschilt aanzienlijk. Nationale werkloosheidscijfers variëren van 2,8% in Luxemburg tot 15,7% in Spanje. Enkele landen, in het bijzonder die met flexibeler arbeidsmarkten, gematigder loonstijgingen en een beter belasting- en sociale-zekerheidsbeleid, zijn erin geslaagd de trend van als maar groeiende werkloosheid te vermijden. Zo kennen bijvoorbeeld Nederland, Ierland en Portugal op het ogenblik een werkloosheid die ruim onder het gemiddelde van het eurogebied ligt. Er zijn ook voorbeelden van andere landen met hogere werkloosheid (zoals Spanje), die een begin gemaakt hebben met stappen ter hervorming van hun arbeidsmarkten en die nu daar de tastbare resultaten van beginnen te zien. Ook kunnen we kijken naar enkele van de niet aan de EMU deelnemende EU-Lidstaten (zoals Denemarken en het Verenigd Koninkrijk) om te zien dat hoge werkloosheid kan worden teruggedrongen door middel van structurele hervormingen.

Er zijn vele voorbeelden van wat kan worden gedaan. Ten eerste zijn er maatregelen om ervoor te zorgen dat werkenden met een lage productiviteit niet van de arbeidsmarkt worden verdrongen. De belastingdruk en de niet-loongebonden arbeidskosten voor de laagstbetaalden zouden kunnen worden verlaagd. Tevens dienen minimum-loonstelsels en cao's rekening te houden met de noodzaak banen voor werkenden met een lage productiviteit te behouden door de arbeidskosten terug te dringen. Ten tweede zijn er ,,actieve arbeidsmarktmaatregelen" die speciaal op langdurig werklozen gerichte programma's bieden op het gebied van opleiding, training en werkervaring. Ten derde zouden hervormingen kunnen worden doorgevoerd in belasting- en uitkeringsstelsels die ervoor zorgen dat mensen met een baan aanmerkelijk beter af zijn dan mensen zonder baan.

Ik wil hier benadrukken dat het programma van structurele hervormingen dat nationale overheden ter beschikking staat om economische ontwikkelingen te bevorderen, veel verder gaat dan de hervorming van arbeidsmarkten. Zo kunnen nationale overheden maatregelen nemen om het ondernemerschap te bevorderen, en het voor mensen gemakkelijker maken ondernemingen op te zetten en te leiden en op die manier nieuwe banen te scheppen. Dit zou betekenen het aanmoedigen van concurrentie door maatregelen ter bevordering van de komst van nieuwe ondernemingen, zoals het verkleinen van de administratieve last waarmee nieuwe bedrijven te maken hebben en het concurrerender maken van markten. Overheden kunnen tevens de traditioneel sterkst gereguleerde sectoren (zoals de nutsbedrijven) liberaliseren om de efficiëntie te vergroten en de prijzen te verlagen ten bate van de industriële gebruikers van deze diensten en de gezinnen. Nationale overheden zouden ook stappen kunnen ondernemen om productieve investeringen in onderzoek en ontwikkeling te stimuleren om de groei in de zich uitbreidende high-tech industrieën te versterken.

De ervaring in Nederland laat zien dat hervormingsprogramma's inderdaad het potentieel in zich dragen de arbeidsmarktsituatie aanzienlijk te verbeteren. De daling van de werkloosheid, van het historisch hoogtepunt van 11,6% in 1983 naar de 3,2% van het ogenblik, is inderdaad indrukwekkend. Echter, zelfs in Nederland is er weinig reden voor zelfgenoegzaamheid. Zo lijkt het noodzakelijk te komen tot intensivering van de inspanningen om het grote aantal inactieven in de arbeidsmarkt te integreren en de flexibiliteit van de arbeidsmarkt verder te verbeteren teneinde een verantwoorde loonontwikkeling en aanhoudende prijsstabiliteit te helpen verzekeren. Ook lijkt het erop dat Nederland er nog niet in is geslaagd de groei van de productiviteit duurzaam op te krikken. Wel een poldermodel, nog geen ,,Nieuwe Economie".

4. Conclusies

Concluderend ben ik ervan overtuigd dat de Economische en Monetaire Unie een uitstekende gelegenheid biedt om een grote zone van prijsstabiliteit en economische welvaart in Europa te creëren, met inbegrip van een substantiële vermindering van de werkloosheid. Hoewel prijsstabiliteit een noodzakelijke voorwaarde is om de door de EMU geboden kansen ten volle te benutten, is dat niet voldoende. Op stabiliteit gericht beleid ten aanzien van de ontwikkeling van nationale begrotingsposities en structurele veranderingen om de werking van markten te verbeteren, zijn eveneens van cruciaal belang. Beleidsmakers op alle terreinen dienen de nieuwe omgeving geschapen door de derde fase van de EMU, en de consequenties daarvan, op passende wijze in aanmerking te nemen bij de formulering van hun beleid. Alleen dan zal de euro kunnen functioneren als een werkelijke aanjager van de economische groei in Europa.

De invoering van de euro en een gemeenschappelijk monetair beleid maken de nationale overheden niet machteloos. In de vorm van de mogelijkheid begrotingsbeleid te variëren en structurele hervormingen door te voeren, houden nationale overheden de sleutels in handen om hun economieën beter te laten presteren. Indien aan de voorwaarden van het Pact voor Stabiliteit en Groei wordt voldaan, is er voldoende flexibiliteit om de automatische stabilisatoren hun werk te laten doen in het geval van conjuncturele schommelingen. Samen met de sociale partners, hebben nationale overheden de verantwoordelijkheid gericht en vastberaden te handelen om het werkloosheidsprobleem in Europa te verlichten. Structurele hervormingen zijn het enige middel om blijvende verminderingen van de werkloosheid te bereiken, voorbereidingen te treffen voor de vergrijzing van de bevolking en de overheidsschuld te verminderen.

Speaking engagements

Contactpersonen voor de media