PERSBERICHT

Wijzigingen in "De uitvoering van het monetaire beleid in het eurogebied: Algemene documentatie met betrekking tot de monetaire-beleidsinstrumenten en -procedures van het Eurosysteem" betreffende effecten op onderpand van activa

13 januari 2006

De Europese Centrale Bank (ECB) publiceert vandaag wijzigingen in het document getiteld “De uitvoering van het monetaire beleid in het eurogebied: Algemene documentatie met betrekking tot de monetaire-beleidsinstrumenten en -procedures van het Eurosysteem” (bekend als de “Algemene Documentatie”) teneinde de criteria te verduidelijken op basis waarvan de beleenbaarheid wordt beoordeeld van effecten op onderpand van activa voor gebruik in krediettransacties van het Eurosysteem. In het verleden heeft het Eurosysteem geen specifieke beleenbaarheidscriteria toegepast op effecten op onderpand van activa, die behoren tot de categorie schuldbewijzen. In plaats daarvan heeft het Eurosysteem het algemene, op de Eerste Lijst van toepassing zijnde beleenbaarheidscriterium dat bepaalt dat schuldbewijzen een “vaste, onvoorwaardelijke hoofdsom” dienen te hebben, zo geïnterpreteerd dat daar niet de effecten op onderpand van activa onder vallen waarbij het kredietrisico is overgedragen naar een special purpose vehicle dat gebruik maakt van kredietderivaten. De wijzigingen zijn derhalve aangebracht om de algehele transparantie van het onderpandkader te verhogen, en wel door duidelijk aan te geven aan welke specifieke criteria effecten op onderpand van activa dienen te voldoen naast de criteria die van toepassing zijn op schuldbewijzen in het algemeen. Als gevolg van de invoering van de nieuwe criteria is tevens besloten dat de “vaste, onvoorwaardelijke hoofdsom”-vereiste niet langer op effecten op onderpand van activa van toepassing zal zijn. De reden hiervoor is dat de hoofdsom voor effecten op onderpand van activa gewoonlijk afhankelijk is van de koersontwikkeling van de onderliggende activa.

De nieuwe criteria hebben betrekking op de volgende vijf aspecten:

  1. De structuur van de transactie. De kasstroom genererende activa dienen in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat door het speciaal voor de securitisatie opgerichte special purpose vehicle te zijn verkregen van de originator (partij die een emissie initieert) of een tussenpersoon op een wijze die door het Eurosysteem wordt beschouwd als een “echte verkoop” die afdwingbaar is tegenover derden. Zij dienen buiten de beïnvloedingssfeer van de originator en diens schuldeisers te liggen, ook ingeval van een faillissement van de originator.
  2. De samenstelling van het activadepot. De kasstroom genererende activa mogen geen credit-linked notes (aan een krediet verbonden schuldbewijzen) zijn, noch gelijkaardige vorderingen die voortvloeien uit de overdracht van kredietrisico door middel van kredietderivaten.
  3. De voorrangspositie van de tranches. Schuldbewijzen die rechten op de hoofdsom en/of de rente verlenen welke achtergesteld zijn aan rechten van houders van andere schuldbewijzen van de dezelfde emittent (dan wel, binnen een gestructureerde emissie, zijn achtergesteld aan andere tranches van dezelfde emissie) zijn van de Eerste Lijst uitgesloten. Een tranche (of subtranche) wordt als niet achtergesteld beschouwd ten opzichte van andere tranches (of subtranches) van dezelfde emissie en heeft voorrang indien – overeenkomstig de betalingsprioriteit die van toepassing is na betekening van een bevel tot nakoming, zoals uiteengezet in de emissieprospectus – voor deze tranche (of subtranche) eerder betaling (hoofdsom en rente) gedaan wordt dan voor andere tranches of andere subtranches of deze als laatste verliezen hoeft te nemen met betrekking tot de onderliggende activa.
  4. Het land van ingezetenschap van de emittent. Effecten op onderpand van activa die zijn geëmitteerd door entiteiten die zijn gevestigd in de G10-landen die niet tot de Europese Economische Ruimte (EER) behoren – thans de Verenigde Staten, Canada, Japan en Zwitserland – zijn niet beleenbaar. Dit criterium is toegevoegd ter voorkoming van de additionele juridische complexiteiten die zouden ontstaan indien het Eurosysteem zou moeten nagaan of zijn rechten voldoende beschermd zijn binnen het wettelijke kader van dergelijke landen.
  5. De beoordeling van beleenbaarheid. Het Eurosysteem behoudt zich het recht voor om van relevante derden (zoals de emittent, de originator of de arranger (partij die een emissie structureert) verduidelijking en/of juridische bevestiging te verlangen die het noodzakelijk acht voor het beoordelen van de beleenbaarheid van effecten op onderpand van activa.

Opgemerkt zij echter dat de bovengenoemde criteria evenals de uitsluiting van de “vaste, onvoorwaardelijke hoofdsom”-vereiste niet van toepassing zijn op gedekte bankbrieven die zijn geëmitteerd in overeenstemming met artikel 22, lid 4, van de ICBE-Richtlijn (85/611/EEG zoals gewijzigd).

De Algemene Documentatie met inbegrip van de bovengenoemde wijzigingen vormt een bijlage bij Richtsnoer ECB/2005/17 tot wijziging van Richtsnoer ECB/2000/7 betreffende de monetaire-beleidsinstrumenten en –procedures van het Eurosysteem. Het wijzigende Richtsnoer is door de Raad van Bestuur van de ECB goedgekeurd en de wijzigingen zullen met ingang van 1 mei 2006 in werking treden.

Effecten op onderpand van activa die ingevolge Richtsnoer ECB/2005/2 beleenbaar zijn maar niet voldoen aan de bovengenoemde criteria, blijven gedurende een overgangsperiode tot 15 oktober 2006 beleenbaar.

De Raad van Bestuur heeft eveneens besloten dat participaties in Franse fonds communs de créances (FCC’s) in de Eerste Lijst gedurende een overgangsperiode tot 30 december 2008 beleenbaar zullen blijven.

Legal framework

Contactpersonen voor de media