Wat is inflatie?

Brede stijging van de prijzen

In een Markteconomie kunnen de prijzen van goederen en diensten altijd veranderen. Sommige prijzen stijgen, andere prijzen dalen. Men spreekt van inflatie bij een brede stijging van de prijzen van goederen en diensten, en dus niet wanneer alleen maar afzonderlijke producten in prijs stijgen. Door inflatie kun je dus voor €1 minder kopen. Of anders gezegd: bij inflatie is een euro minder waard dan ervoor.

Afbeelding van het inflatiemonster

Heeft u het inflatiemonster gezien?

Onze animatie over prijsstabiliteit bekijken.

Sommige prijsveranderingen zijn van groter belang dan andere

Bij de berekening van de gemiddelde stijging van de prijzen wordt aan de prijzen van goederen en diensten ("producten") waaraan we meer geld uitgeven (zoals elektriciteit) meer gewicht toegekend dan aan de prijzen van producten waaraan we minder geld uitgeven (bijvoorbeeld suiker of postzegels).

Verschillende mensen kopen verschillende dingen

Huishoudens hebben verschillende consumptiegewoonten: sommige hebben een auto en eten vlees, andere reizen uitsluitend met het openbaar vervoer of zijn vegetariër. De gemiddelde consumptiegewoonten van alle huishoudens samen bepalen hoeveel gewicht de verschillende producten en diensten krijgen toegewezen in de meting van de inflatie.

Om de inflatie te meten wordt gekeken naar alle goederen en diensten die huishoudens consumeren, zoals:

  • alledaagse producten (zoals voeding, kranten en benzine);
  • duurzame goederen (zoals kleren, computers en wasmachines);
  • diensten (zoals kappers, verzekeringen en huurwoningen).

Vergelijk de prijzen van het boodschappenmandje van jaar tot jaar

Een "boodschappenmandje" vertegenwoordigt alle goederen en diensten die het hele jaar door worden geconsumeerd door huishoudens. Elk product in het mandje heeft een prijs, die in de loop der tijd kan veranderen. De inflatie op jaarbasis is de prijs van dit totale mandje in een bepaalde maand vergeleken met de prijs ervan in dezelfde maand een jaar ervoor.

Een voorbeeld van inflatieberekening*
Gekochte hoeveelheden in het basisjaar Prijs
(basisjaar)
Prijs
(1 jaar later)
Prijs
(2 jaar later)
per eenheid totaal per eenheid totaal per eenheid totaal
150 broden €1,50 €225 €1,30 €195 €1,60 €240
100 koppen koffie €2,40 €240 €2,40 €240 €2,15 €215
12 kappersbezoeken €20,00 €240 €22,00 €264 €23,00 €276
1 winterjas €145,00 €145 €176,00 €176 €160,00 €160
Totale kosten van het mandje €850 €875 €891
Prijsindex 100,0 102,9 104,8
Inflatiecijfer 2,9% 1,8%

* De consumptieprijsinflatie in het eurogebied wordt elke maand berekend door Eurostat. De Geharmoniseerde Consumptieprijsindex ("Harmonised Index of Consumer Prices" of HICP) heeft betrekking op gemiddeld zo'n 700 goederen en diensten. Deze index is een afspiegeling van de gemiddelde uitgaven door huishoudens aan een mandje van producten. Full product range covered by the HICP and current inflation rates.

  1. Maak een lijst van alle producten in uw mandje en de hoeveelheden ervan die u in een bepaald jaar (dat is dan uw “basisjaar”) heeft geconsumeerd.In ons voorbeeld gebruiken we alleen brood, koffie, kappersbezoeken en een winterjas.
  2. Bereken de totale uitgaven voor elk van de producten door de hoeveelheden te vermenigvuldigen met de prijs die u ervoor betaald heeft:150 broden x €1,50 = €225 100 koppen koffie x €2,40 = €240, enz.
  3. Tel de totalen van alle producten op om de totale kosten van consumptie te krijgen. In ons basisjaar is dat dus €850.4. Herhaal stappen 2 en 3 voor de volgende jaren.
  4. Herhaal stappen 2 en 3 voor de volgende jaren.Als u naar het voorbeeld kijkt, zult u zien dat na het eerste jaar enkele prijzen zijn veranderd. De totale kosten van consumptie zijn gestegen naar €875. Na het tweede jaar is dat €891 geworden.
  5. Deel de totale kosten van het mandje in elk volgend jaar door de kosten van het mandje in uw basisjaar, en vermenigvuldig dan de uitkomst met 100.Eén jaar later: €875 ÷ €850 x 100 = 102,9.
  6. Het inflatiecijfer op jaarbasis is de verandering in procenten van het ene jaar op het andere.In het voorbeeld is de inflatie na één jaar 2,9%. Dit wordt berekend als de prijsindex voor dat jaar min de prijsindex voor het voorafgaande jaar (102,9 - 100) gedeeld door de prijsindex voor het voorafgaande jaar (100) vermenigvuldigd met 100. Voor het volgende jaar is dat dus (104,8 – 102,9) ÷ 102,9 x 100 = 1,8%.

Inflatie in het eurogebied

Geharmoniseerde index

In het eurogebied wordt de consumptieprijsinflatie afgemeten aan de "Geharmoniseerde Consumptieprijsindex", ook wel naar de Engelse afkorting van “Harmonised Index of Consumer Prices” de “HICP” geheten. De term “geharmoniseerd” wil zeggen dat alle landen van de Europese Unie dezelfde methodologie aanhouden. Daardoor kunnen de gegevens voor het ene land worden vergeleken met die van een ander.

    Inflatie, prijsstabiliteit en de ECB

    Het hoofddoel van de ECB is het handhaven van prijsstabiliteit. De ECB definieert prijsstabiliteit als een HICP-inflatie op jaarbasis van onder maar dicht bij 2% op de middellange termijn. Waarom het handhaven van prijsstabiliteit zo belangrijk is

    Vergelijkbaar voor alle landen

    Voordat de euro onze gemeenschappelijke munteenheid werd, mat ieder land de inflatie volgens zijn eigen nationale methoden en procedures. Door de invoering van de euro werd het noodzakelijk een middel te hebben waarmee de inflatie in het hele eurogebied kon worden gemeten, zonder hiaten of overlappingen en op een manier die voor alle landen vergelijkbaar was. De HICP, die wordt ondersteund door een aantal wettelijk bindende normen, is hiervoor het juiste instrument.

      De gewichten van producten in de HICP

      Of een bepaalde prijsverandering veel of weinig invloed heeft op de HICP, wordt bepaald door hoeveel geld huishoudens gemiddeld aan dat product uitgeven.
      Bijvoorbeeld koffie: aan koffie (samen met thee en cacao) is een gewicht van 0,4% toegekend. Een verandering van de prijs zou dus geen grote invloed hebben op de totale HICP.
      Bijvoorbeeld benzine: aan benzine (samen met andere brandstoffen en smeermiddelen voor auto's) is een gewicht van 4,6% toegekend, en dus zou dezelfde procentuele verandering van prijs als voor koffie een ongeveer tien keer zo grote invloed hebben op de HICP.

      De gewichten van de belangrijkste productgroepen in de HICP

      Hoe wordt de HICP berekend?

      1. Het verzamelen van informatie over prijzen. Elke maand worden zo'n 1,8 miljoen prijzen verzameld door prijswaarnemers in meer dan 200.000 verkoopcentra. Dit wordt gedaan in bijna 1.600 steden en dorpen in het hele eurogebied. De prijzen worden in elk land voor gemiddeld zo'n 700 representatieve goederen en diensten verzameld: het precieze aantal verschilt van land tot land. Voor elk product worden verschillende prijzen verzameld bij verschillende verkooppunten en in verschillende regio's. Voorbeeld: de prijzen van boeken zijn gebaseerd op verschillende soorten boeken (fictie, non-fictie, naslagwerken, enz.) die via boekwinkels, supermarkten en het internet worden verkocht. meer
      2. De weging van productgroepen. Productgroepen krijgen een gewicht toegekend overeenkomstig hun belang in het gemiddelde budget van huishoudens. Om ervoor te zorgen dat de index up-to-date blijft en veranderende uitgavenpatronen blijft weerspiegelen, worden de gewichten regelmatig geactualiseerd. Zij worden berekend op basis van de uitkomsten van enquêtes waarin huishoudens wordt gevraagd op te geven waaraan zij hun geld uitgeven. De gewichten zijn nationale gemiddelden die de uitgaven van alle typen consumenten (rijk en arm, jong en oud, enz.) weerspiegelen. meer
      3. De weging van landen. Landen krijgen een gewicht toegekend overeenkomstig hun aandeel in de totale consumptie-uitgaven in het eurogebied. meer

      Wie berekent de HICP...

      … in de verschillende landen? Elk land van het eurogebied heeft een nationale statistische dienst. Deze instelling berekent de HICP voor het eigen land.

      … voor het eurogebied? Alle nationale instellingen voor statistieken sturen hun cijfers naar Eurostat, het statistische bureau van de Europese Gemeenschappen. Eurostat berekent vervolgens de HICP voor het eurogebied als geheel. Eurostat ziet tevens toe op de kwaliteit van de nationale cijfers door te controleren of de verschillende landen voldoen aan de wettelijk bindende normen. Zie voor nadere details de HICP-webpagina's van Eurostat.

      Gegevens bekijken

      Consumptieprijsinflatie in het eurogebied sinds 1961

      In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw was de inflatie in vele Europese landen hoog. Maar door de voorbereiding van de landen op de invoering van de euro en door het monetaire beleid van de ECB liggen de inflatiecijfers sinds het midden van de jaren negentig aanzienlijk lager.

      Grafiek die de consumptieprijsinflatie sinds 1961 laat zien

      Waardoor wordt het meest recente inflatiecijfer bepaald?

      Het zijn niet altijd de goederen en diensten waarvan de prijs het meest verandert die de grootste invloed hebben op de prijsindex. Het inflatiecijfer hangt ook af van het aandeel van de goederen en diensten in de gemiddelde consumptie-uitgaven van huishoudens, met andere woorden van hun “gewicht”.

      Grafiek die de prijsveranderingen toont in combinatie met het gewicht van afzonderlijke productgroepen in de HICP

      Bekijk de laatste gegevens met dit interactieve inflatiedashboard

      Bekijk de laatste gegevens plus historische gegevens tot 1996. Kijk eens naar afzonderlijke landen en naar afzonderlijke productgroepen. Als u een tijdlijn selecteert wordt de ontwikkeling van de inflatie in animatie getoond, maand na maand.

      Kleine afbeelding van de flash-animatie

      Tabellen met gegevens per land en per productgroep

      Kleine afbeelding van de HTML-tabellen

      Gevoelsinflatie

      Uit enquêtes onder consumenten komt vaak naar voren dat mensen “het gevoel hebben” dat de inflatie hoger is dan de werkelijke prijsindices aangeven. Hoe komen mensen nu aan de indruk die ze hebben van de inflatie? Een aantal wetenschappelijke studies hebben het volgende gevonden:

      Afbeelding van broodjes

      • Prijsstijgingen vallen ons meer op dan stabiele of dalende prijzen. Stijgingen van prijzen blijven ons ook langer bij. Stabiele of dalende prijzen vallen ons gewoonlijk minder op, hoewel deze prijzen natuurlijk ook meetellen bij de berekening van de gemiddelde inflatie.
      • Regelmatige contant betaalde aankopen vallen ons meer op. De afgelopen jaren zijn de prijzen van sommige goederen en diensten die we regelmatig kopen bovengemiddeld gestegen. Voorbeelden hiervan zijn benzine, brood en het openbaar vervoer. Als we aan inflatie denken, hechten we vaak te veel belang aan de veranderingen in de prijzen van dit soort items. Dit kan ertoe leiden dat we de werkelijke inflatie te hoog inschatten.
      • Onregelmatige aankopen en automatische incasso's (domiciliëringen) vallen ons minder op. Een aanzienlijk bedrag van ons huishoudbudget gaat op aan goederen en diensten die we minder regelmatig aanschaffen. Voorbeelden hiervan zijn auto's en vakanties. Er zijn ook items die we veelal betalen via automatische bankoverschrijvingen (automatische incasso's of betaalopdrachten), zoals huur en telefoonrekeningen. We houden vaak minder rekening met deze kosten en de veranderingen in de prijzen ervan als we aan inflatie denken.

        Inflatie is een gemiddelde van een breed scala van prijsveranderingen

        Grafiek die de prijsveranderingen toont in combinatie met het gewicht van afzonderlijke productgroepen in de HICP

        • “Persoonlijke” inflatie: de Geharmoniseerde Consumptieprijsindex (HICP) is gebaseerd op een gemiddeld mandje met goederen en diensten. Dit gemiddelde mandje is representatief voor alle huishoudens. Huishoudens die te maken hebben met een bovengemiddelde inflatie zullen zich hier echter scherper van bewust zijn dan huishoudens die profiteren van benedengemiddelde inflatie.

          Voorbeeld: als de benzineprijs veel meer stijgt dan de prijzen van andere goederen en diensten, zullen mensen die de auto regelmatig gebruiken een inflatiecijfer “voelen” dat hoger is dan de HICP omdat hun persoonlijke uitgaven aan benzine hoger dan gemiddeld zijn. Daarentegen zullen mensen die de auto slechts zelden of nooit gebruiken een lagere “persoonlijke” inflatie ervaren.

        • Inflatiecijfers zijn op jaarbasis, maar wij denken verder terug. De HICP vertegenwoordigt gewoonlijk een groeipercentage op jaarbasis. Dit betekent dat het algemene prijspeil voor een bepaalde tijdsperiode – zeg januari 2009 – wordt vergeleken met dezelfde periode een jaar eerder – namelijk januari 2008. Als mensen hun indruk van de inflatie vormen, willen ze nog wel eens terugdenken aan prijzen van enkele jaren geleden. Over een lange periode gemeten plegen de prijzen aanzienlijk te stijgen, zelfs met een laag jaarlijks inflatiecijfer. Als het groeitempo op jaarbasis van de HICP bijvoorbeeld 2% is, dan is het algemene prijspeil na tien jaar met meer dan 20% gestegen.

          Afbeelding van een oud Fiatje 500 Afbeelding van een nieuwe Fiat 500

          • Prijsveranderingen tegenover kwaliteitsveranderingen. We zien veranderingen in het prijskaartje van een product vaak als inflatie. Maar soms verandert tegelijkertijd ook de kwaliteit van het product. De HICP houdt hier rekening mee door de verandering die verband houdt met de kwaliteit, af te trekken.

            Voorbeeld: de autoprijzen kunnen omhoog zijn gegaan, maar nieuwe modellen bevatten vaak standaard kenmerken die eerst werden verkocht als optionele extra's (bijvoorbeeld satellietnavigatiesystemen, air-conditioning en airbags). In dergelijke gevallen is de prijsstijging dus deels het gevolg van een stijging van de kwaliteit, niet alleen maar van inflatie. Als de autoprijzen met, zeg, gemiddeld 5% zouden toenemen maar de stijging van de kwaliteit zou slechts 1% daarvan uitmaken, dan zou de HICP voor dit product dus een stijging van 4% aangeven.