PERSBERICHT

De ECB publiceert haar Convergentieverslag 2012

30 mei 2012

De Europese Centrale Bank (ECB) publiceert vandaag haar Convergentieverslag 2012, met daarin een beoordeling van de voortgang die is geboekt door de lidstaten van de Europese Unie (EU) bij het voldoen aan hun verplichtingen met betrekking tot de verwezenlijking van de Economische en Monetaire Unie (EMU).

Het verslag behandelt Bulgarije, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Tsjechië en Zweden. In het verslag wordt onderzocht of in deze landen een hoge mate van duurzame convergentie is bereikt (economische convergentie) en wordt getoetst in welke mate is voldaan aan de wettelijke vereisten waaraan door de nationale centrale banken moet worden voldaan om een integrerend onderdeel van het Eurosysteem te worden (juridische convergentie). Bij het beoordelen van de duurzaamheid van convergentie houdt het verslag tevens rekening met zowel het nieuwe verbeterde economisch bestuurskader van de EU als de soliditeit van de institutionele omgeving in elk land, onder meer op het gebied van statistieken.

In het Convergentieverslag 2012 komen de volgende uitkomsten naar voren:

Prijsstabiliteit

Gedurende de twaalfmaands referentieperiode van april 2011 tot en met maart 2012 bedroeg de referentiewaarde voor het criterium inzake prijsstabiliteit 3,1%. Deze werd berekend door 1,5 procentpunt op te tellen bij het ongewogen rekenkundig gemiddelde van de HICP-inflatie gedurende bovengenoemde 12 maanden in Zweden (1,3%), Ierland (1,4%) en Slovenië (2,1%). Gedurende de referentieperiode noteerden drie in het verslag onderzochte landen, te weten Bulgarije, Tsjechië en Zweden, een twaalfmaands gemiddelde inflatie die onder de referentiewaarde lag. In de andere vijf lag de inflatie, ondanks een vrij zwak economisch klimaat in de meeste van deze landen, ruim boven de referentiewaarde.

Begrotingspositie van de overheid

Met uitzondering van Zweden zijn alle beschouwde lidstaten ten tijde van dit verslag voorwerp van een besluit van de Raad van de EU (EU-Raad) betreffende het bestaan van een buitensporig tekort. In 2011 hadden Bulgarije, Zweden en, als gevolg van eenmalige maatregelen, Hongarije een begrotingssaldo in verhouding tot het bbp dat voldeed aan de referentiewaarde. De andere landen noteerden een tekort boven 3% bbp, al was dit lager vergeleken met de voorgaande jaren. Op basis van thans bekende beleidsmaatregelen verwacht de Europese Commissie dat het overheidstekort in verhouding tot het bbp alleen in Litouwen boven de 3%-referentiewaarde zal blijven (op 3,2%).

Alle beoordeelde landen, behalve Hongarije, hadden in 2011 een overheidsschuldquote die onder de referentiewaarde van 60% lag. Dit beeld zal volgens de projecties van de Europese Commissie in 2012 onveranderd blijven.

Wisselkoersen

Van de in dit Convergentieverslag beoordeelde landen nemen Letland en Litouwen momenteel deel aan het wisselkoersstelsel ERM II. De valuta’s van beide landen hebben gedurende meer dan twee jaar deelgenomen aan het ERM II voorafgaand aan de convergentiebeoordeling, en geen van beider spilkoersen werd in de verslagperiode gedevalueerd.

Lange rente

Gedurende de twaalfmaands referentieperiode van april 2011 tot en met maart 2012 bedroeg de referentiewaarde voor het criterium van inzake de lange rente 5,8%. Deze werd berekend door 2 procentpunt op te tellen bij het gemiddelde van de lange rente op staatsobligaties gedurende bovengenoemde 12 maanden in Zweden (2,2%) en Slovenië (5,4%), twee van de drie best presterende landen op het gebied van prijsstabiliteit. Ierland, het derde land, is niet meegenomen in de berekening van deze referentiewaarde aangezien de lange rente op Ierse staatsobligaties thans geen passend ijkpunt vormt voor het beoordelen van de voortgang naar economische convergentie, vanwege de hoge landspecifieke risicopremies die de financiële markten in rekening brengen.

Gedurende de referentieperiode bevonden zes van de acht onderzochte landen (Bulgarije, Tsjechië, Letland, Litouwen, Polen en Zweden) zich op of onder de 5,8%-referentiewaarde van het convergentiecriterium voor de lange rente. Alleen in Hongarije en Roemenië lag het staatsobligatierendement boven dit referentiepunt.

Juridische convergentie

In geen van de acht onderzochte landen is het juridisch kader volledig verenigbaar met alle vereisten voor de invoering van de euro, zoals deze zijn vastgelegd in de Verdragen en de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) en van de ECB. In alle onderzochte landen blijven onverenigbaarheden bestaan ten aanzien van de onafhankelijkheid van de centrale bank. Dit betreft met name de institutionele, personele en financiële onafhankelijkheid van centrale banken. Daarnaast is er in alle onderzochte landen, met uitzondering van Litouwen, sprake van onverenigbaarheden ten aanzien van het verbod op monetaire financiering en de juridische integratie van de respectieve nationale centrale banken in het Eurosysteem.

Met de vervaardiging van dit verslag voldoet de ECB aan het in artikel 140 van het Verdrag genoemde vereiste om aan de EU-Raad ten minste om de twee jaar of op verzoek van een EU-lidstaat met een derogatie verslag uit te brengen “over de vooruitgang die door de onder een derogatie vallende lidstaten is geboekt bij de nakoming van hun verplichtingen met het oog op de totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie”.

Momenteel nemen tien EU-lidstaten nog niet volledig deel aan de EMU. Twee van deze lidstaten, namelijk Denemarken en het Verenigd Koninkrijk, hebben een bijzondere status conform de relevante protocollen die aan het Verdrag zijn gehecht. Als gevolg daarvan hoeft voor deze twee landen geen convergentieverslag te worden opgesteld, tenzij zij daarom verzoeken.

Het Convergentieverslag 2012 van de ECB is beschikbaar op de website van de ECB.

Publications

Contactpersonen voor de media