Banking Supervision
Nederlands
Other languages4 +
Menu

Veiligheid door eenheid: hoe integratie Europa verder kan brengen

Toespraak door Mario Draghi, President van de ECB, bij de gezamenlijke conferentie van de ECB en Banka Slovenije ter gelegenheid van de 10e verjaardag van de invoering van de euro, Ljubljana, 2 februari 2017

Het doet mij groot genoegen hier vandaag te zijn om samen met u deze mijlpaal in de geschiedenis van uw land en van onze Unie te vieren.

Hoewel de afgelopen jaren moeilijk zijn geweest voor Slovenië, net als voor de rest van Europa, kunt u met trots terugblikken op wat uw natie heeft bereikt. Na slechts twee jaar lidmaatschap van de EU was u in staat de euro in te voeren – en u deed dat als eerste van de "nieuwe lidstaten". En sinds die tijd is Slovenië diep in onze monetaire unie geïntegreerd. Zelfs vandaag de dag is 85% van de Slovenen vóór de euro, een weerspiegeling van de kracht van onze gemeenschappelijke band.[1]

Maar nu wij de 10e verjaardag vieren van de invoering van de euro in Slovenië, kunnen wij ook andere verjaardagen in de recente geschiedenis van Europa vieren: zo is het is 60 jaar sinds het Verdrag van Rome, waardoor de gemeenschappelijke markt werd gecreëerd; het is min of meer een kwart eeuw sinds het Verdrag van Maastricht, waarmee de Economische en Monetaire Unie (EMU) van start ging; het is twintig jaar sinds het Verdrag van Amsterdam, waarmee een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid werd ingevoerd.

Er zijn mensen die dergelijke gebeurtenissen liever zien als deel van afzonderlijke geschiedenissen, een van de economische integratie van Europa, een van de monetaire unie, en een van haar militaire en politieke alliantie. Maar die geschiedenissen zijn niet gescheiden.

Zij vormen alle onderdeel van een en dezelfde impuls, namelijk het verlangen van de mensen van Europa hun veiligheid te waarborgen tegenover gemeenschappelijke bedreigingen: de in onze geschiedenis steeds weer de kop opstekende dreiging van continentale oorlog, en de mondiale bedreigingen ten gevolge van zich ontwikkelende technologie, geopolitieke risico's en grote veranderingen in onze natuurlijke omgeving.

De kracht van deze impuls heeft gemaakt dat voor het grootste deel van de periode na 1945 de koers van de Europese integratie duidelijk is geweest. Hoewel de verschillende integratielijnen zich met verschillende snelheden hebben ontwikkeld, is de richting altijd duidelijk geweest: naar voren. Er is nooit werkelijke onenigheid geweest over het feit dat op de lange termijn het samenkomen in een Unie het beste antwoord was op de gemeenschappelijke uitdagingen waarvoor wij ons gesteld zagen. Diepere integratie was niet een kwestie van of maar van wanneer.

En toch neemt vandaag de dag de indruk van onveiligheid toe. En voor sommigen spreekt het niet langer vanzelf dat een nauwere unie het antwoord is. Integratie wordt door sommigen gezien als een bron van onveiligheid in plaats van een bescherming ertegen. Eén land heeft zelfs besloten dat het beter is dat proces om te keren dan om ermee door te gaan.

Deze onveiligheid weerspiegelt deels gemeenschappelijke factoren die zich in alle Westerse democratieën voordoen, zoals angst voor immigratie, globalisering en sociale verandering. Maar in Europa spelen ook unieke factoren een rol. Het is met name de ernst van de eurocrisis geweest die het vertrouwen in de EU als een fundament van economische veiligheid heeft verzwakt.

En dus staat Europa, en het eurogebied zelfs nog meer, voor een beslissing. We dienen antwoorden te vinden op de vragen die de burgers ons stellen. Maar die antwoorden dienen wel evenwichtig te zijn: er zijn zaken in Europa die moeten worden veranderd, maar daarnaast is er ook veel waar wij trots op kunnen zijn.

De Europese integratie heeft geleid tot vele verworvenheden en wij moeten onze huidige problemen deze verworvenheden niet teniet laten doen. Integendeel, wij dienen vertrouwen te hebben in de tot nog toe door ons geboekte vooruitgang – en duidelijk te maken dat we zonder die vooruitgang slechter af zouden zijn.

Maar wanneer zaken overduidelijk verbeterd moeten worden, dan moeten wij ons ook daartoe zetten. Dit betekent, en dit is het belangrijkste, dat wij in onze monetaire unie de veranderingen moeten aanbrengen waarvan iedereen kan zien dat die nodig zijn.

Het belang van de gemeenschappelijke markt

Sinds zijn vorming in 1957 is het Europese project vooral gefundeerd op een commitment aan openheid, welke commitment belichaamd wordt door de oprichting van de gemeenschappelijke markt tussen al zijn lidstaten. Deze commitment was idealistisch, maar was tevens uitermate pragmatisch. De oprichters van de EU waren getuige geweest van de schade die werd veroorzaakt door de ingekeerdheid en het protectionisme die in de jaren tussen de twee wereldoorlogen heersten. Zij begrepen dat het in stand houden van economische groei van cruciaal belang was om de steun voor het tot verdeeldheid leidende nationalisme te verminderen, en de beste manier om dit te bewerkstelligen was door middel van open markten.

Hoewel de laatste tien jaren moeilijk zijn geweest, is hun visie over de lange periode van de naoorlogse geschiedenis juist gebleken. Sinds 1960 is de cumulatieve groei van het bbp per hoofd van de bevolking in de EU15 een derde hoger geweest dan in de Verenigde Staten. Het particulier vermogen, dat door de oorlogen in de twintigste eeuw tweemaal was weggevaagd, is eveneens (als percentage van het nationaal inkomen) verdubbeld. Dit was uiteraard deels het gevolg van het natuurlijke inhaalproces na de Tweede Wereldoorlog. Maar er is meer dan genoeg bewijs dat de groei door integratie is versneld.

Volgens een schatting zou het bbp per hoofd van de bevolking in de EU vandaag de dag wel een vijfde lager zijn geweest als er sinds de oorlog geen sprake zou zijn geweest van integratie.[2] Een andere schatting, waarbij gekeken werd naar de effecten van integratie sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw – dus nadat het naoorlogse inhaalproces was uitgewerkt –, kwam tot de conclusie dat het bbp per hoofd van de bevolking met rond 12% was gegroeid ten opzichte van een scenario waarin de landen geen lid waren van de EU.[3]

En de landen die in 2004 en 2007 zijn toegetreden tot de EU, zoals Slovenië, hebben ook in die groei meegedeeld. De stijging van het bbp dankzij het EU-lidmaatschap zou voor de twaalf nieuwe leden wel eens zo hoog als 40% kunnen blijken te zijn,[4] hetgeen niet verrassend zou zijn aangezien de EU verreweg de belangrijkste handelspartner is voor de landen in Midden- en Oost-Europa en de belangrijkste bron van directe buitenlandse investeringen.

Vandaag de dag vragen sommigen zich af op openheid wel de beste manier blijft om onze economische veiligheid te waarborgen. Maar wij dienen ons de vraag te stellen wat wij nu zouden zijn als wij niet zo'n lange periode van integratie op ons continent zouden hebben gehad. En het waarschijnlijke antwoord is: veel armer.

Sterker nog, de gemeenschappelijke markt heeft niet alleen een fundament voor groei gelegd, maar ook voor het in stand houden van open markten. Zoals we momenteel op mondiaal niveau zien, kunnen markten niet lang open blijven als niet alle deelnemers zichtbaar dezelfde regels hanteren, of als wordt gedacht dat de voordelen op oneerlijke wijze worden verdeeld. De gemeenschappelijke markt heeft het grotendeels overleefd omdat Europa een uniek model voor het beheren van die uitdagingen heeft opgezet.

Het verdiepen van de markt in Europa heeft met zich meegebracht dat, om de burgers te beschermen tegen oneerlijke concurrentie of discriminatie van buitenaf, gemeenschappelijke instellingen moesten worden opgezet, namelijk het gemeenschappelijke regelgevingskader, de naleving waarvan wordt gehandhaafd door het Europese Hof van Justitie. Waarborgen die van cruciaal belang zijn voor het Europese sociale model zijn in de loop der tijd vastgelegd in Europees recht, met name het Handvest van de grondrechten, om bescherming te bieden aan de meest kwetsbaren.

En Europa heeft het eerste herverdelingsysteem tussen landen opgezet om hardnekkige regionale ongelijkheden te helpen vermijden. Reeds in het midden van de jaren zeventig van de vorige eeuw werden Europese fondsen gebruikt om steun te geven aan minder ontwikkelde of met industriële neergang bedreigde regio's. In de periode 2007-2013 is in de EU-begroting €350 miljard toegewezen aan structuur- en investeringsfondsen. En laat ik hieraan toevoegen dat Slovenië netto-ontvanger van deze fondsen is geweest, waarbij de jaarlijkse investeringsfinanciering gemiddeld een vijfde heeft bedragen van wat de Sloveense regering aan publieke investeringen heeft besteed.

Niemand zou willen beweren dat dit systeem van regels, waarborgen en herverdeling perfect is. Wij weten dat sommigen van mening zijn dat het hun leven te weinig verbetert, terwijl anderen vinden dat het juist veel te veel invloed heeft op hun levens. Maar wat wij in Europa hebben opgebouwd is een model voor duurzame openheid – een model dat kan profiteren van zijn voordelen en tegelijkertijd zijn ongewenste effecten kan verminderen. Dus als wij problemen zien, is onze uitdaging dat model te koesteren en te verbeteren, niet het terug te draaien.

Want dat zou niet alleen minder welvaart voor ons continent betekenen. Het zou ook minder politieke veiligheid voor onze burgers betekenen. Wij dienen niet te vergeten dat de gemeenschappelijke markt niet alleen een motor voor groei is, maar ook wezenlijke politieke voordelen heeft gebracht.

Het eerste voordeel is dat het een stuwende en bindende kracht is geweest voor de politieke integratie tussen de staten van Europa.

Zoals ik zojuist heb beschreven kan een gemeenschappelijke markt alleen in stand worden gehouden als er een gemeenschappelijk systeem van wetgeving is waarop wordt toegezien door een gemeenschappelijke rechterlijke macht – het Europese Hof van Justitie. En als er een rechterlijke macht is, moet er ook een wetgevende macht zijn die de wetgeving opstelt: in Europa is deze taak opgedeeld tussen de EU-Raad en het Europees Parlement. En daarnaast moet er een uitvoerende macht zijn die de besluiten van de wetgevende macht en rechterlijke macht ten uitvoering legt: in ons geval is dat de rol van de Europese Commissie. Met andere woorden: door zijn aard creëert de gemeenschappelijke markt een nauwere politieke unie.

Dit is een dynamiek die we ook in de Verenigde Staten hebben gezien naarmate de interne markt daar zich ontwikkelde. Zoals bekend is heeft de korte "Commerce Clause" in de Amerikaanse grondwet – die het Congres de bevoegdheid geeft de handel tussen de staten te reguleren – in de loop der tijd geleid tot een aanzienlijke uitbreiding van de rol van de federale overheid op economische terreinen.

Het tweede politieke voordeel is geweest de versterking van de invloed van Europa in de wereld.

Gemeenschappelijk overeengekomen handelsbeleid geeft Europa tastbare invloed tijdens mondiale onderhandelingen, zowel ten aanzien van de overeenkomsten die het bilateraal kan sluiten als ten aanzien van het vaststellen van multilaterale regels in de World Trade Organisation. Een grote markt heeft macht over grote multinationale bedrijven, en stelt Europa in staat te beschermen wat het belangrijk vindt, zoals privacy op het internet. Een grote markt stelt Europa tevens in staat handelssancties te gebruiken om vijandigheid van onvriendelijke landen te weerstaan, en versterkt op die manier ook de militaire veiligheid. En als Europa nu verder wil integreren op andere terreinen – zoals defensie en buitenlands beleid – zal het niet zonder de door de gemeenschappelijke markt geboden economische fundering kunnen.

Om al deze redenen dienen we dus trots te zijn op wat wij dankzij integratie hebben bereikt. Dit betekent niet dat wij onze ogen dienen te sluiten voor de uitdagingen ervan, en ook niet voor de teleurstellende prestaties over de afgelopen jaren. Wij dienen de gemeenschappelijke markt als een motor voor groei te herstarten en de verliezers die zij creëert beter te compenseren. Maar wij dienen ook hierover duidelijk te zijn: wij zouden vandaag de dag slechter af zijn, zowel in economisch als politiek opzicht, als wij dit pad niet hadden gevolgd.

Van de gemeenschappelijke markt naar de euro

Maar de gemeenschappelijke markt heeft nog een effect gehad: de euro is een direct uitvloeisel daarvan. Toen Europa besloot een volledig geïntegreerde markt te ontwikkelen, maakte dit een gemeenschappelijke munt wenselijk, zo niet noodzakelijk. Daarom werd de euro tijdens de top van Hannover in 1988 in gang gezet, onmiddellijk na het besluit een echte interne markt te realiseren.

Tegenwoordig zijn er mensen die deze koppeling tussen markt en munt in twijfel trekken en zich afvragen of het behoud van de nationale munteenheden misschien beter was geweest voor Europa. Hierbij moet echter worden bedacht dat de gemeenschappelijke munt niet zo maar uit de lucht is komen vallen. Deze was juist een gevolg van de langdurige en onbevredigende ervaring van het naoorlogse Europa met verschillende wisselkoersregimes. Het was dus zowel een idealistisch als een pragmatisch besluit.

Europeanen waren altijd sceptisch geweest ten opzichte van volledig zwevende wisselkoersen, aangezien ze valutavolatilteit niet bevorderlijk vonden voor handelsintegratie. Daarom probeerden ze, toen het Bretton Woods-stelsel vastliep, vaste wisselkoersen terug te brengen, eerst via zich binnen een bepaalde bandbreedte bewegende koersen, en later via diverse versies van het Europees Monetair Stelsel. De overheersende opvatting werd goed verwoord door Nobelprijswinnaar Robert Mundell, die zijn theorie van het optimale valutagebied ontwikkelde in de overtuiging dat, en ik citeer,

“ik niet begreep waarom landen die bezig waren een gemeenschappelijke markt te vormen zichzelf met een nieuwe handelsbarrière in de vorm van onzekerheid over wisselkoersen zouden opzadelen.”[5]

Het was derhalve onontkoombaar dat de gemeenschappelijke markt zou worden ondersteund door een of ander stelsel van vaste wisselkoersen. De vraag was in welke vorm. En Europa had aan den lijve ondervonden wat de kosten zijn van stelsels van vaste wisselkoersen waarbij geen sprake was van een gemeenschappelijke munt.

Landen waren kwetsbaar voor aanvallen door speculanten en voor valutacrises. Dat werd op de meest pijnlijke wijze duidelijk gemaakt door de ERM-crisis in 1992-3, en die speelde zich af in een wereld waarin kapitaal minder mobiel was dan heden ten dage. De meeste leden hadden weinig beleidsautonomie, aangezien ze eigenlijk het monetair beleid van de ankervaluta moesten invoeren. En wanneer landen wel devalueerden, bleek dit niet altijd een doeltreffend aanpassingsmechanisme te zijn voor nominale schokken; in plaats daarvan liep de inflatie op en nam de noodzaak tot verdere devaluaties toe.

Bovendien bestond de vrees dat bij herhaling optredende devaluatieronden, zonder invoering van een gemeenschappelijke munt, eerlijke concurrentie zouden verstoren en de gemeenschappelijke markt op de lange termijn zouden ondermijnen. Een economie die de productiviteit en het concurrentievermogen opvoerde, zou hiervan mogelijk de vruchten in de vorm van een toegenomen marktaandeel niet kunnen plukken, als gevolg van in waarde dalende valuta's in concurrerende landen. En als sommige landen bereid waren zich volgens het motto “de-ene-zijn-dood-is-de-andere-zijn-brood” te gedragen, waarom zouden andere landen dan hun grenzen permanent voor hen openstellen?

Het punt was niet dat de gemeenschappelijke markt kleine wisselkoersaanpassingen van enkele leden van die markt niet kon toelaten. Het punt was dat grote valutavolatiliteit, van de soort die we in de jaren tachtig hadden gezien, de bereidheid van alle leden om hun markten open houden, ernstig op de proef zou stellen. En we kunnen ons nu slechts indenken hoe de valutamarkten, zonder de euro, zouden hebben gereageerd op de schokken die we sinds de lancering van de euro hebben meegemaakt – de dotcom-crisis, het faillissement van Lehman, de staatsschuldencrisis.

De voorwaarden voor succes in de EMU

De argumentatie vóór de euro is altijd op een compromis gebaseerd geweest. Door de gemeenschappelijke markt op deze manier te versterken, zouden de voordelen van economische integratie worden veiliggesteld, iets waarvan de gehele Unie zou profiteren. Maar de euro zou individuele landen ook de mogelijkheid ontnemen om de eigen wisselkoers te gebruiken om zich aan kortetermijnschokken aan te passen. Om het compromis gunstig te laten uitvallen was het derhalve cruciaal dat deze kortetermijnkosten zo veel mogelijk werden verlaagd.

Hiervoor moesten bepaalde randvoorwaarden worden vervuld, die door Mundell en daarna door andere auteurs zijn vastgelegd als onderdeel van de theorie van het optimale valutagebied. Deze omvatten: handelsintegratie, om het optreden van asymmetrische schokken te verminderen; de mobiliteit van productiefactoren en loon- en prijsflexibiliteit, om aanpassing te versnellen wanneer schokken daadwerkelijk zouden optreden; en een systeem van risicodeling, om voor individuele leden de kosten van dat aanpassingsproces te verlagen. Maar in het eurogebied was het duidelijk dat het belang dat aan elk van deze voorwaarden werd gehecht, zou verschillen.

In verband met culturele en taalbarrières was het altijd al onwaarschijnlijk dat er grootschalige arbeidsmobiliteit zou optreden. Ook was het onwaarschijnlijk dat er begrotingsrisico's zouden worden gedeeld tot een niveau waarop dat in de Verenigde Staten het geval is, niet in de laatste plaats als gevolg van de relatief grotere rol die nationale begrotingen als begrotingsstabilisatoren spelen. Daarom was het cruciaal dat de landen van het eurogebied in ruil voor een geringere mate van integratie op deze gebieden zich sterker zouden committeren op andere gebieden. En wel vier gebieden in het bijzonder.

Het eerste betrof het voorkomen van beleidsfouten, zoals boom-and-bustcycli voortvloeiend uit zwak prudentieel toezicht. Het tweede was het opbouwen van schokbestendigheid via structurele hervormingen en het voortzetten van de verdieping van de gemeenschappelijke markt. Het derde bestond uit een gezond begrotingsbeleid teneinde voor voldoende begrotingsbuffers te zorgen gedurende de conjunctuurcyclus. En het vierde was een sterke financiële unie, met een gespreid activabezit en derhalve echte private risicodeling.

Op deze manier zouden landen in staat zijn de ernst van lokale ineenstortingen te verminderen, aangezien asymmetrische schokken zouden worden getemperd door handelsrelaties en gezond financieel beleid. Bij eventuele schokken zouden de lonen en de prijzen zich sneller kunnen aanpassen, met een snellere herverdeling van middelen als gevolg, waardoor de aanpassingskosten in termen van werkgelegenheid zouden worden beperkt. Op het nationale niveau zou begrotingsbeleid beschikbaar zijn om de economie in de overgangsfase te stabiliseren. En verliezen zouden binnen de Unie via geïntegreerde financiële markten worden gedeeld.

Dit was geen geheim. In 1999 wist iedereen dat deze de voorwaarden voor succes waren. Daarom zijn we het stabiliteits- en groeipact voor begrotingsbeleid overeengekomen. Het is ook de reden dat EMU een “E” bevat: het was duidelijk dat structurele convergentie moest plaatsvinden. En het is ook de reden waarom er altijd sterke nadruk heeft gelegen op de noodzaak tot duurzame financiële integratie.

We kennen de geschiedenis die volgde: de vertraging van structurele hervormingen, de afzwakking van het pact, de kwetsbaarheid van de financiële integratie, en de hieruit voortvloeiende, onderliggende divergentie tussen landen. Maar we moeten er duidelijk over zijn dat de euro als munt hiervoor geen blaam treft. Nationale autoriteiten wisten wat ze moesten doen. De munteenheid kon hen niet tegen hun eigen beleidsbeslissingen beschermen.

Sterker nog, het is van belang te benadrukken dat wanneer landen het juiste beleid wel volgen, de euro hun succes niet in de weg staat. Zo heeft Duitsland geen financiële boom-and-bustcyclus gekend, kende het land een relatief gezond begrotingsbeleid, en voerde het aan het begin van de jaren 2000 een reeks arbeidsmarkthervormingen door. Duitslands werkloosheid is gedaald van bijna 11% in 2005 naar minder dan 4% vandaag, en dat was gedurende de ergste recessie sinds de jaren dertig.

En zelfs bij beleidsfouten zijn landen die op andere terreinen aan de noodzakelijke voorwaarden voldoen, in staat zich binnen de gemeenschappelijke munt voldoende aan te passen. Kijk maar naar Ierland, dat acuut onder de financiële crisis leed. Toch is de Ierse werkloosheid gedaald van meer dan 15% in 2012 naar 7% vandaag, niet in de laatste plaats dankzij de flexibele arbeidsmarkt in Ierland en de succesvolle industriestrategie gericht op het aantrekken van directe buitenlandse investeringen.

Op dit moment geloven sommigen dat Europa er zonder gemeenschappelijke munt, maar met de mogelijkheid wisselkoersen te devalueren, beter voor zou staan. Maar zoals we gezien hebben, zijn de landen die hervormingen hebben doorgevoerd niet afhankelijk van een flexibele wisselkoers om duurzame groei te bereiken. En voor de landen die niet hervormd hebben, geldt dat men zich moet afvragen hoe gunstig een flexibele wisselkoers echt zou zijn. Voor landen met een lage productiviteitsgroei als gevolg van diepgewortelde structurele problemen kan de wisselkoers immers niet de remedie zijn.

Toch is het belangrijk om als sommige regeringen niet het juiste beleid hebben gevoerd om binnen de EMU te slagen, de vraag te stellen waarom hebben ze dat niet gedaan? Het eurogebied was in belangrijke mate gestoeld op de idee dat het integratieproces zelf voor de incentives voor gezond beleid zou zorgen. Onder druk van sterkere concurrentie via de gemeenschappelijke markt en door het ontbreken van het devaluatie-instrument zouden regeringen gedwongen worden om structurele langetermijnproblemen aan te pakken en houdbaar begrotingsbeleid te voeren.

Dat dit niet is gebeurd, is onder meer het gevolg van de stagnatie van het proces van de gemeenschappelijke markt. Maar het was ook omdat we op het niveau van het eurogebied een aantal belangrijke instellingen misten. We hadden geen gemeenschappelijk systeem voor bankentoezicht om financiële stromen te monitoren. Hierdoor was het in sommige landen mogelijk dat het steeds verder oplopende verlies aan concurrentievermogen werd verhuld door onhoudbare, op schuldfinanciering gebaseerde groei. En onze gemeenschappelijke besluitvorming op het gebied van begrotings- en economisch beleid was slechts zwak.

Inmiddels zijn er diverse belangrijke stappen gezet om deze kwesties aan te pakken. Eén zo'n stap betreft de oprichting van de Bankenunie. Maar dat project is nog steeds niet afgerond. En zoals in het 'Five Presidents’ report' uiteengezet is, moet er meer worden gedaan voordat de volledige monetaire unie daar is – dat wil zeggen een unie waarbij de landen binnen gemeenschappelijke instellingen collectieve verantwoordelijkheid nemen voor het eurogebied. 

Conclusie

Het is derhalve duidelijk welk pad we met onze unie moet bewandelen. Ons niet afkeren van wat heeft gewerkt: ons model van economische openheid versterkt door onze gemeenschappelijke munt. Maar de fouten herstellen waardoor de unie niet zo goed heeft gewerkt als had gemoeten.

Voor nationale overheden betekent dit dat ze de voorwaarden moeten vervullen waarvan we altijd hebben geweten dat ze noodzakelijk zijn om in onze monetaire unie te slagen. En voor het eurogebied als geheel betekent dit dat het een institutionele structuur moet bouwen die de juiste incentives geeft voor dat beleid, en die ons in staat stelt gemeenschappelijke schokken beter te weerstaan.

Maar het is ook duidelijk dat we om dit punt te bereiken, de juiste volgorde moeten aanhouden. Eén van de zaken die ons belemmert om vandaag verdere stappen te zetten, is de erfenis van die eerdere fouten, waardoor landen onvoldoende onderling vertrouwen hebben om zo'n nieuwe fase van integratie in te gaan.

Het vertrouwen dat alle landen zich aan de regels zullen houden die ze zichzelf hebben opgelegd en die bedoeld zijn om hun gezamenlijke kwetsbaarheid te verminderen. En het vertrouwen dat alle landen de noodzakelijke hervormingen zullen doorvoeren om structurele convergentie te bereiken, zodat het gemakkelijker wordt om die regels na te leven, en risicodeling niet tot permanente overdrachten tussen landen leidt. Naleving en convergentie, en daardoor groei, zijn nu de sleutels om het integratieproces een nieuwe impuls te geven.

En die impuls moet er komen, omdat we niet kunnen stilstaan waar we zijn. We moeten onze Unie stabieler en welvarender maken om onze burgers de veiligheid te bieden die ze zo hard nodig hebben. En hierdoor plaatsen we onszelf in een sterkere positie om de nieuwe uitdagingen aan te gaan waarmee we vandaag worden geconfronteerd: de opkomst van politiek extremisme, onveiligheid aan onze grenzen en een wereldorde die steeds onzekerder wordt.

We moeten derhalve aanknopen bij de mentaliteit die onze Unie zo ver heeft gebracht. De mentaliteit die ervoor heeft gezorgd dat generaties Europeanen hebben samengewerkt om zichzelf tegen gemeenschappelijke bedreigingen te beschermen. Die onze burgers tastbare verbeteringen heeft opgeleverd, zoals de vrijheid om in ons hele continent te werken en handel te drijven en om een gemeenschappelijke munt te gebruiken. En de mentaliteit die, als deze nog een keer op gemeenschappelijke actie wordt toegespitst, de nieuwe bedreigingen van vandaag het hoofd kan bieden.

Eenheid is de sleutel voor de veiligheid van ons continent – vandaag, net zoals altijd het geval is geweest.



[1]Standard Eurobarometer 86, najaar 2016.

[2]Badinger, H., “Growth Effects of Economic Integration: Evidence from the EU Member States”, Review of World Economics, Vol. 141, No 1, pp. 50-78, 2005.

[3]Campos, N., Coricelli, F. en Moretti, L., “Economic Growth and Political Integration: Synthetic Counterfactuals Evidence from Europe”, IZA Discussion Paper, No 8162, april 2014.

[4]Lejour A.M., Solanic V., Tang P.J.G., “EU Accession and Income Growth: An Empirical Approach”, Transition Studies Review, Vol. 16, Issue 1, pp 127-144, mei 2009.

[5]Mundell, R., “Optimum Currency Areas”, lunchrede bij Tel Aviv University, 5 december 1997.

Speaking engagements

Contactpersonen voor de media